
Nauw verwant aan de gele tijger is de witte tijger.
Waar de benaming tijger vandaan komt zie je vooral aan de onderzijde.
De gele tijger is duidelijk kleiner dan de witte,
want hij haalt maximaal een spanwijdte van zo'n 41 mm.
De kleur van de vleugels varieërt trouwens van okergeel,
vooral bij mannetjes, tot roomwit bij vrouwtjes,
maar is nooit zo sneeuwwit als bij de witte tijger.
Bij sommige exemplaren ontbreken de donkere vlekjes vrijwel volledig.
De vliegtijd loopt van mei tot augustus
met als uitersten 14 april en 5 oktober.
Late waarnemingen zijn schaars.
De vlinder kan geen voedsel opnemen.
Overdag is hij in rust aan te treffen.
Hij vliegt in 2 generaties.
De rupsen leven op zeer veel planten, inclusief een aantal tuinplanten, en bomen.
Waardplanten zijn onder meer zuring, weegbree, berk, wilde wingerd en roos.
Ze zijn te zien van juli tot oktober, met een piek in september.
Eerst leven ze in groepjes, later solitair.
De rups wordt tot 45 mm lang.
Het lijf is donker grijs met bleke, grijze dorsale
en subdorsale lijnen en een lichtbruine beharing.
Bij verstoring houdt de rups zich dood of rent weg.
Hij verpopt op zijn voedselplant tussen een blad of op de grond,
in een cocon waarin zijn haren verwerkt zijn.
De pop overwintert.

Zowel de witte als de gele tijger komen beide
verspreid over het hele land voor.
Op de ene plaats is de gele tijger wat gewoner dan de witte,
op andere plaatsen is dat andersom.
Geen van beide heeft een duidelijke biotoopvoorkeur.
Terug naar: