
De mot met de langste antennen in ons gebied is de geelbandlangsprietmot.
De antennen van de mannetjes zijn vier tot vijf keer langer
dan zijn eigen lichaam, die van het vrouwtje 1,5 keer langer.
Het is een mooi motje dat door z'n omvang (het is werkelijk een heel klein ding,
afgezien van de sprieten dan) en verborgen levenswijze (zit heel vaak uit te rusten
op de onderkant van een blad) niet echt opvalt.
Maar kleur en tekening zijn werkelijk bijzonder fraai.
De voorvleugels zijn goudgeel met 2 bruine lengtestrepen
en daartussen een bredere gele band.
De achtervleugels zijn paarsbruin.
De spanwijdte bedraagt 16 – 23 mm.
De mannetjes van deze langsprietmot dansen net als Adela reaumurella
in zwermen op en neer met de voelsprieten schuin omhoog,
maar de soort vliegt wel een maand later.
Je vindt hem vooral in juni.
De rupsen mineren eerst in bladeren en leven daarna
tussen het bladstrooisel op de bodem in een zakje gemaakt van kleine stukjes blad.
De rups overwinterd en jaarlijks is er slechts één generatie.
De soort komt vrij algemeen voor in verschillende biotopen,
met een voorkeur voor bosranden.
Terug naar: