
De vliegtijd van het geel beertje ligt in de maanden mei tot en met augustus
waarbij er in één generatie gevloegen wordt.
De vliegtijd is kenmerkend t.o.v. andere Eilema's.
Het voorkomen van de vlinder heeft waarschijnlijk meer relatie
met het aanwezig zijn van korstmossen (op eik) dan met zandgronden.
Op de Waddeneilanden en in flinke delen van de duinen komt hij niet voor.
Duidelijke concentraties zijn er op de Utrechtse heuvelrug,
aan de randen van de Veluwe en in het grensgebied
van de drie noordelijke provincies.
Ook bij het Veerse Meer en bij Middelburg werden recentelijk
flinke aantallen geregistreerd.
De vleugels hebben geen voorrandstreep en de voorrand is sterk gebogen.
De vleugeltop is stomp en egaal (dotter-)geel gekleurd.
De rustende vlinder heeft de vleugels plat boven het lichaam,
dus niet in een kokertje om het lichaam.
De spanwijdte bedraagt ongeveer 29 mm.

De rups is te vinden van juni tot september
waarbij hij zich voedt met korstmossen op bomen.
Hij is zeer plaats gebonden en blijft meestal op één boom.
Het lijf, dat tot 20 mm lang wordt, is vooral zwart met rood
en geelachtig wit op de rug en met een opvallende witte balk
dwars over segment 11.
De kop is zwart en de beharing grijsachtig.
Hij verpopt zich in zwakke cocon voor de overwintering.
Terug naar: