
Het eikenblad vliegt vooral in de maanden juni en juli waarbij er één generatie is.
Het is in ons land een lokaal voorkomende en schaarse soort.
Met name in beboste streken langs bosranden
en houtwallen is hij te vinden.
Vroeger was hij vrij algemeen in Nederland
maar tegenwoordig is hij zeldzaam geworden.
Wel zijn er nog twee concentratiegebieden:
de Peel en het grensgebied van Friesland en Drenthe.
De vlinder is door de grootte (spanwijdte 50 – 90 mm)
en door de koperachtige kleur goed herkenbaar.
Hierbij is het vrouwtje twee keer zo groot als het mannetje.
De vleugelranden zijn golfvormig gezaagd
en in rust steken achtervleugels voor de voorvleugels uit.
Zo lijkt het dier op een een bosje bladeren
wat met de bruine kleur een opmerkelijk goede camouflage is.
De soort is door intensivering van de bosbouw, spuiten in boomgaarden
en rooien van heggen achteruit gegaan.
De vlinder kan geen voedsel opnemen en sterft
kort na de paring of eiafzetting.

De eieren, wit met een groenig vlekkenpatroon,
worden afgezet in groepjes veelal op sleedoorn.
De rups overwintert en is te vinden van september tot juni.
Hij fourageert 's nachts en zit overdag rustend
op lage takken van kleine loof- en fruitbomen.
Hij drukt zijn afgeplatte lichaam in rust dicht tegen de tak
waarop hij zit en is, net als de vlinder, zeer goed gecamoufleerd,
vooral als ze als jonge rups op kale bomen overwinteren.
Het lijf (dat tot 90 mm lang wordt) is vooral grijs
met zeer donker blauwe thorax segmenten en oranjeachtige
haarfranje boven de poten over de hele lengte.
Op de rug zitten kleine, oranje wratjes
en soms is er lichtgrijs of wit op de rug.
Op het achtereind bevindt zich een zwart bultje.
De rups verpopt in juni in grijsachtig-bruine cocon
tussen de twijgen van de voedselplant.
Terug naar: