
De dubbelpijl-uil vliegt van half mei tot eind juli
waarbij er slechts één generatie is.
Het is in ons land een ongewone, verspreid voorkomende vlinder
met een voorkeur voor de kuststrook.
Hij heeft een spanwijdte van 35 – 42 mm.
De overwinterende rupsen zijn te vinden van augustus tot mei.
Ze leven verborgen en gaan in de nacht op voedsel uit.
De rups heeft net als de rups van de splinterstreep
vier witte stippen op de rug van ieder segment.
Bij de dubbelpijluil zijn de beide voorste dichter op elkaar
dan de beide achterste, dat is bij de splinterstreep omgekeerd.
Door afmeting en verborgen levenswijze is hij
in het najaar nagenoeg onvindbaar.
In april kan de rups wel worden gevonden op de kale twijgen van loofbomen
en struiken, terwijl wordt gegeten van de knoppen en jonge blaadjes.
De voorkeur gaat hierbij uit naar sleedoorn, meidoorn en wilg.
Hij verpopt uiteindelijk in een aardcocon.
Terug naar: