
De draak vliegt in de maanden april tot en met juli in meestal één generatie.
Mogelijk horen de zeer late waarnemingen tot een af en toe
voorkomende tweede generatie.
Het is een niet zo gewone vlinder die met name voorkomt
in het oosten en langs de Hollandse kust.
De spanwijdte varieert van 50 – 60 mm waarbij de mannetje
iets kleiner zijn dan de vrouwtjes.
De rups is te vinden van juni tot augustus.
Meestal zit hij op eik maar zelden ook op beuk en berk.
Jonge rupsen vreten skeletten in het blad, later vreten ze vanaf de bladrand.
De rups in rust heeft het voorste deel omlaag en het achterste deel juist omhoog.
In rust vormen de jonge rupsen een ring.
De rups wordt tot 40 mm lang, heeft een groen lijf, besprenkeld met kleine,
bleekgroene stippen en een gele dorsale streep op de borstsegmenten.
Er zit een vorkachtig uitsteeksel op segment 4 en nog zo'n uitsteeksel
maar dan kleiner op segmenten 5 tot 8 en 11.
De segmentscheidingen zijn diep ingesneden.
Op de flanken bevindt zich een bruine tekening op de segmenten 7 en 8.
De pop overwintert in een zeer stevig met houtspaanders versterkt spinsel
tegen stammen en is bijna niet te vinden.
Spechten hebben daar echter geen moeite mee.

Terug naar: