
De volwassen vlinder is wit en heel erg harig,
waardoor hij lijkt op één van de witte beervlinders.
In rust vormen de vleugels een dakje boven het lichaam.
Het mannetje heeft drie bruinige vlekjes op de vleugels.
De achterlijfspunt van het vrouwtje is oranje van kleur
en in het bezit van gele of goudkleurige haren.
De vlinder vliegt van juni tot september en komt regelmatig op licht af.
Met een spanwijdte tot 35 mm is dit een niet zo erg grote soort.
Het vrouwtje is echter groter dan het mannetje.
Met name komt hij voor in lichte loofbossen en tuinen.
De vlinder kan geen voedsel opnemen.
Jaarlijks zijn er twee generaties.
De eiafzetting vindt plaats in groepen onder tegen bladeren van loofbomen
en ze worden afgedekt met gele haren van het achterlijf.
De rups wordt tot 45 mm lang.
Op het zwarte lijf zitten lange haren in bossen bij elkaar.
Hij heeft een bultachtige verhoging op een derde vanaf de kop
met ook daarop en een bundeltje zwarte haren.
De haren veroorzaken irritatie.
Over de rup loopt een dubbele onderbroken rode lijn.
De volwassen rups heeft de kenmerkende zwart-wit-rood-tekening.

De rupsen gaan van het begin af hun eigen weg.
Je kunt hem gedurende een groot deel van het jaar tegenkomen
(september tot mei), want de soort overwintert als zodanig.
De rups tref je op heel veel boomsoorten aan, waaronder eik.
Terug naar: