
De dagpauwoog heet zo, omdat zijn vleugelvlek precies lijkt
op het oog in de staartveer van een mannetjespauw.
De vlinder is onmiskenbaar.
Geen enkele andere dagvlinder heeft vier dergelijke,
opvallende oogvlekken op de bovenkant van de vleugels.
Veel vlinders hebben wel oogachtige vlekken om belagers,
zoals vogels, te laten schrikken.
De onderkant van de vleugels is bijna eenkleurig zwartbruin en enigszins glanzend.
De dagpauwoog is, zoals de naam al zegt, een dagvlinder.
De meeste dagvlinders vliegen overdag en hebben niet zo heel lange, dunne antennen.
De dagpauwoog overwintert als volwassen vlinder, bijvoorbeeld in een holle boom,
maar je ziet ze ook veel in garages of op zolders de winter doorbrengen.
Zodra de temperatuur in het vroege voorjaar stijgt wordt hij actief.
De mannetjes houden er een territorium op na waarbinnen zij paren met vrouwtjes.
Het is een zeer algemene soort die soms in hoge aantallen
te vinden is langs bosranden en in tuinen.
Geliefde nectarplanten zijn vlinderstruik, grote kaardebol,
koninginnekruid en hemelsleutel.

De vlinder is zeer alert op alles wat zijn territorium binnenvliegt
en verjaagt niet alleen andere insecten maar ook zelfs vogels.
Om een vogel te kunnen verjagen gebruikt hij zijn belangrijkste wapen.
De fel gekleurde oogtekening op zijn vleugels.
Hij klapt de beide vleugels tegelijk open en dicht
waardoor de oogvlekken plotseling te zien zijn.
Als je goed kijkt lijken deze ogen, tezamen met het harige middengedeelte,
op de ogen en snavel van een uil.
De vogels raken hierdoor in de war en om deze verwarring nog completer te maken
geven de open en dicht gaande vleugels een soort van raspend geluid.
Daar hebben de meeste vogels niet van terug en maken zich snel uit de voeten.
In mei zoeken de vrouwtjes zonnige, maar niet te droge terreinen
met brandnetels op om de eieren te leggen.
De eieren worden in grote groepen onder aan een blad gehecht.
De groenig witte rupsen met grote zwart glanzende koppen komen na ongeveer
een week uit en blijven gedurende 2-3 weken bij elkaar in een spinsel.
De ouder wordende dagpauwoogrups wordt na iedere vervelling donkerder van kleur.
Als de rupsen in hun laatste stadium komen verlaten zij het nest
en verspreiden zij zich over het brandnetelveld.
Zij zijn dan bijna pikzwart van kleur met witte puntjes
en dragen stekelachtige haarborstels.
Zij leven nog ongeveer een week solitair.
Met de waardplant heeft hij geen medelijden.
Vaak vreet hij de plant helemaal kaal.
Maar gelukkig voor de brandnetel kies hij ook wel hop als voedselplant.

Onder gunstige omstandigheden is de rups al na 25 dagen volgroeid
en gaat zij op zoek naar een plaats om te verpoppen: vaak is dat een dun takje.
Zoals de meeste dagvlinders spint de rups geen cocon.
De rupsen van schoenlappers en zandoogjes spinnen voor de verpopping
eerst een wit kussentje waar zij zich met het laatste paar pseudopoten
of zuignappen aan het puntje van het achterlijf op vastzetten.
Daarna laten zich in licht gekromde houding achterover vallen
en blijven in deze positie 2 dagen hangen.
Dan barst de huid achter de kop op de rugzijde open en komt de pop te voorschijn.
De zachte pop wringt zich met golfachtige bewegingen langzaam naar buiten.
De rupsenhuid wordt daarbij afgestroopt.
Tijdens dat proces hangt de pop als het ware nog in de opengebarsten rupsenhuid,
maar moet zich later met de haakjes aan de punt van het achterlijf
in het spinselkussentje zien vast te haken om niet naar beneden te vallen.
Dit is een kritieke situatie in het leven van de vlinder, maar meestal loopt het goed af.
Door een draaiende beweging van de pop valt de oude rupsenhuid op de grond
en neemt de pop haar definitieve vorm aan.
Schoenlappers en zandoogjes hebben een zogenaamde vrij hangende pop.
Bij de dagpauwoog duurt de gedaanteverwisseling slechts 2 weken.
Twee dagen voor het uitkomen zijn door de pophuid
reeds de contouren van de vleugeltekening zichtbaar.
Om uit de pophuid te komen klapt de jonge vlinder het onderste deel open.
Na hooguit een paar minuten heeft de vlinder zich geheel bevrijdt
en blijft hij aan de pophuid of het takje hangen om de slappe vleugels
met bloed op te pompen en ze te laten verharden om er mee te kunnen vliegen.
Na ongeveer een uur kan de vlinder bij gunstig weer weg vliegen.
Terug naar: