
De bijvoetdwergspanner vliegt van 27 februari tot 17 oktober.
De eerste generatie vliegt tot 6 juli, de tweede vanaf 14 juli.
Hij is vooral gebonden aan ruderale terreinen, weiden, wegbermen,
bosranden e.d., met name wat voedselrijke en niet te droge gebieden.
Het is in feite een vrij algemene soort.
Ondanks het zeer grijze uiterlijk is de bijvoetdwergspanner
vrij eenvoudig te onderscheiden van andere grijze soorten
door de langgerekte voorvleugels.
Dit wordt nog eens geaccentueerd door de buitenste dwarslijn die naast de stigmavlek
een scherpe hoek heeft en als een soort pijl naar de vleugelpunt wijst.
De grondkleur is overigens niet zuiver grijs maar meer bruingrijs.
De stigmavlek is lang en dun.
De naam innotata (latijn innotatus = onherkenbaar)
slaat op de vaak onduidelijke tekening van de vleugels.
De bijvoetdwergspanner is nachtactief en komt op licht.
In de kenmerkende rusthouding heeft hij het lijf horizontaal,
de achtervleugels helemaal onder de voorvleugels en het achterlijf omhoog.
De rupsen zijn polyfaag maar hebben in beide generaties voorkeur:
de eerste generatie rupsen (in de voorzomer) leeft op houtige gewassen
zoals meidoorn en vlier; de tweede generatie rupsen (najaar)
op wilde averuit en bijvoet.
De rupsjes van het voorjaar zijn groen, de najaarsrupsen zijn bonter getekend
en leven op bloemen en zaden.
Kleur, tekening en het gedrag tussen de zaaddozen
maken de rups moeilijk vindbaar.
Terug naar: