
De bovenkant van de voorvleugel van het mannetje is bruin met een oranje rand.
Bij het vrouwtje is de bovenkant van de voorvleugel oranje met zwarte vlekken.
Het vrouwtje heeft wat grotere oranjekleurige vlekken op de vleugels.
Op voor- en achtervleugel bevinden zich oranje achterrandvlekken
die scherp zwart zijn afgezet.
De onderkant van de achtervleugel heeft in tegenstelling
tot de andere vuurvlindersoorten een geelbruine basiskleur.
De spanwijdte bedraagt 23-30 mm.
De vlinders vliegen van mei tot in september in graslanden en heide.
De piek ligt eind juli – begin augustus.

Het is een honkvaste, lokale soort van graslanden, hoogvenen, veenheiden en bermen.
De soort verdwijnt uit het westen en uit het zuiden van ons land.
Nu nog komt hij voor op de Veluwe en in het noordoosten
maar hij wordt in zijn voortbestaan bedreigd.
De bruine vuurvlinder vliegt in 2, soms 3 generaties.
De rupsen leven op zuringsoorten, vooral op veldzuring en schapenzuring.
De eieren worden afzonderlijk aan de basis van de bladsteel afgezet.
De halfwas rups overwintert in de strooisellaag.
De gordelpop bevindt zich in lage vegetatie.

Terug naar: