
De bosparelmoervlinder is een bedreigde soort die slechts zeer lokaal
te vinden is langs bosranden kapvlakten, graslanden en wegbermen.
Veelal komt hij voor op de overgang van bos en heide; daar groeit de waardplant.
Vroeger bevonden zich kleine populaties in Limburg, nu alleen nog op de Veluwe.
In 1995 vond er een herintroductie plaats bij Schipborg nabij Zuid-Laren,
maar in 2004 kwam de vlinder daar echter al niet meer voor.
De soort leeft meestal in kleine kolonies en is honkvast.
De vlinder heeft een spanwijdte van 25-38 mm en is variabel getekend.
De bovenkant van de vleugels is zeer contrastrijk getekend met veel oranjebruin.
De zwarte lijnen komen enigszins ongeordend over.
De onderkant van de achtervleugel is veelkleurig.
Op de onderkant van de voorvleugel zijn de maanvlekken
verschillend van grootte, de tweede en derde zijn het grootst
en aan de binnenkant met een zwarte rand afgegrensd.
Deze rand is bij de tweede maanvlek verdikt.

De vlinder vliegt van half mei tot begin augustus,
met een piek in eind juni-begin juli.
Jaarlijks is er één generatie.
De eieren worden in hoopjes afgezet
aan de bladonderzijde.
De jonge rups leeft in een spinsel aan de onderkant van een blad.
De rups wordt tot 30 mm lang.
Zijn zwartachtig lijf heeft vele grijze vlekken.
Op de rug zitten veel oranje knobbeltjes met daarop zwarte borsteltjes.
De rups leeft op weegbree
en helmkruidachtigen, waaronder hengel en ereprijs.
Overwinterende rupsen bevinden zich in nesten; ook wel solitair.
Veel van deze rupsen overleven de winter echter niet;
slechts een deel gaat in het voorjaar verder met eten en verpoppen.
In het voorjaar zijn de rupsen wel zonnend aan te treffen.
De pop hangt aan de voedselplant of aan stenen.
Terug naar: