
De bosgrasuil is plaatselijk gewoon en verbreid over een groot deel van Nederland.
Vooral op de zandgronden, maar soms toch ook in laag-Nederland is hij te vinden.
Hij vliegt in één generatie van half juni tot eind augustus.
De kleine, geelbruine hoogzomervlinder is meestal goed herkenbaar.
Daarnaast zijn er ook exemplaren met een verdonkerd zwartbruin uiterlijk.
Soms zit hij rustend op boomstammen.
De eieren worden afgezet in bladschaden van grassen.
De rupsen worden vooral in het voorjaar gevonden, begin mei tot midden juni.
Ze zijn zowel overdag als en 's nachts actief.
Kenmerkend zijn de roodbruine kop, de groenzwarte rug en de gele flanklijn.
De rups vreet graag in de graspluim en aan de bovenste bladen.
De jonge rupsen zitten in de stengel, na de overwintering vrijlevend.
Ze verpoppen zich uiteindelijk in een aardholletje
of in ijl spinsel tussen plantendelen.
Terug naar: