
Het bont dikkopje is een lokale en zeldzame soort geworden
waarvan het voortbestaan bedreigd wordt.
Hij vliegt in één generatie van begin mei tot eind juni
en is te vinden in natte ruigten en graslanden in of bij bossen en beekdalen.
Met name in Midden- en Oost-Brabant, Midden-Limburg, Oost-Achterhoek
en Oost-Twente komt hij nog voor.
De spanwijdte bedraagt ongeveer 26 mm.
De bovenkant van de vleugels is donkerbruin
met een oranjegele vlektekening.
De vrouwtjes zijn iets lichter van kleur dan de mannetjes.
Het zijn snelle vliegers.
De mannetjes zitten vaak op de uitkijk
op een tak of een vrije grasspriet.
De rups wordt tot 25 mm lang.
Jonge rupsen zijn groenachtig grijs met zwarte tekens op de rug.
Grotere rupsen zijn witachtig groen met witte en donker groene strepen.
Volwassen rupsen hebben een stro-kleur met een donkerder grijze ruglijn.
Ze voeden zich met diverse grassoorten als hennegras,
pijpenstrootje, gevinde kortsteel en boskortsteel.
Het kenmerkende vraatspoor bestaat uit twee schuin tegenover elkaar liggende
halfronde gaten aan weerszijden van een grasspriet.
De volwassen rups overwintert in een spinsel tussen samengesponnen grasbladeren.
In het voorjaar gaan ze, na een zonnebad van een dag of tien, verpoppen.
De gordelpop bevindt zich in de lage vegetatie.
Terug naar: