
In West-Nederland komt de astermonnik soms gewoon en lokaal voor
terwijl hij in Oost- en Zuidoost-Nederland zeldzaam is.
Hij vliegt vanaf half mei tot eind september met de piek eind juli.
Jaarlijks is er één generatie.
De vlinder heeft half bruine, half grijze voorvleugels.
De behaarde halskraag zet een kapje op de kop.
De vlinder is door houding, kleur en tekening zeer slecht te vinden.
Hij is schemerings- en nachtactief en komt slecht op licht.

De rups is overdag te vinden op waardplanten, zoals zulte,
guldenroede en (gekweekte) astersoorten.
Hij ontwikkelt zich vanaf begin juli tot eind september.
De rups wordt tot 50 mm lang.
Zijn lijf is groen of roze-achtig purper met een brede,
donker gerande, gele dorsale lijn, een geelachtig witte subdorsale lijn
en een bleekgele of groene lijn over de stigma's.
De kop is groen of roze-achtig met zwarte plekjes.
De geel-groene vorm is de gewoonste, maar ook violette grondkleuren komen voor.
De pop overwintert soms twee keer.
Terug naar: