
De appelglasvlinder vliegt van eind mei tot begin augustus.
Het is een dagactieve nachtvlinder die verspreid
in nederland voorkomt maar nergens een gewone soort is.
In tal van provincies ontbreekt hij geheel.
De vlinder komt graag op appelbloesem en andere bloemen
of is bij mooi weer rustend op blad of tak aan te treffen.
In rust/zonhouding heeft hij de vleugels in V-vorm opgericht
en het achterlijf omhoog.
Het vrouwtje zit met omhoog geheven achterlijf mannetjes te lokken.
Al zeer snel komen er meerdere mannetjes op af.
De eieren worden in bastgroeven gelegd van vooral appel
maar ook kers, peer en meidoorn.
De rups huist in de stam en kan massaal optreden bij een entplek of een wond.
Bij moderne tuinbouw worden de fruitbomen veelvuldig beschadigd
hetgeen gunstig is voor de appelglasvlinder.
De rups overwintert één of twee keer.
Hij leeft tussen bast en hout in vochtvervoerende gedeelten.
De gangen zijn tot 10 cm lang.
Aan het eind daarvan bevindt zich uiteindelijk de cocon en de pop.
Terug naar: