
Deze kleine vlinder is levendig getekend en bovendien herkenbaar
aan de hoekige vleugeluiteinden.
De voorveugels zijn bruinzwart met golvende lijnen, dwarsstrepen en vlakken.
De achtervleugels zijn donker bruin.
De vleugels zijn 14 – 18 mm groot.
In het voorjaar legt het wijfje 60 – 100 eitjes die afgezet worden
op bladeren en bloesem van appels en peren.
De rupsen zitten niet op het blad, maar boren zich
een weg door de groeiende jonge vruchten die erdoor worden aangetast.
Wormstekige appels en peren vallen op de grond,
de rupsen komen er uit en verpoppen zich meestal in de bodem.
Volgroeide rupsen zijn tot 20 mm lang.
De generatie vlinders die hieruit voorkomt leggen minder eitjes dan hun ouders.
De dan vroeg verschijnende rupsen (eind juli, begin augustus)
kunnen nog hetzelfde seizoen verpoppen tot vlinder
en een gedeeltelijke tweede vlucht veroorzaken.
Deze tweede vlucht is dan waar te nemen van eind augustus tot in oktober.
Soms overlapt zij de eerste vlucht.
Deze eind juli, begin augustus verschijnende rupsen
kunnen grote vraatschade aan de appels veroorzaken.

De rupsen, die wat later verschijnen (eind augustus, september),
stoppen hun ontwikkeling in het derde larvale stadium.
In de herfst maken ze dan een spinsel waarin ze overwinteren.
Deze klein blijvende rupsen veroorzaken oppervlakkige vraatschade aan de appels.
De spinsels bevinden zich o.a. in schorsspleten of onder een blaadje,
dat tegen een tak is gesponnen.
De overwinterende rups wordt in april weer actief.
Zij verschuilt zich dan tussen één of meer
samengesponnen blaadjes
en voedt zich met de eerste groene delen.
Na de bloei kunnen ook jonge vruchtjes worden samengesponnen.
De rupsen kunnen in deze tijd grote schade aanrichten omdat ze
de jonge vruchten diep aanvreten.
Enigszins afhankelijk van de temperatuur verpoppen de rupsen in juni.
Hieruit kruipt vanaf half juni weer een voorjaarsgeneratie
en de cyclus begint weer van voren af aan.
Terug naar: