
De kwartelkoning is een kop kleiner dan het waterhoentje.
De veren aan de bovenzijde zijn geligbruin met donkere centra,
de vleugeldekveren hebben een roodbruinige kleur.
De kop en borst zijn grijsachtig.
Het is een bodemvogel die in dichte vegetatie nauwelijks te zien is.
Indien opgejaagd vliegt hij laag en met een schommelende vlucht,
met slappe vleugelslagen en hangende poten.
De kwartelkoning roept zijn eigen naam.
De latijnse naam, dat wel.
Een geluid dat in de balstijd de hele nacht gehoord kan worden.
Het is niet zo vreselijk luid, maar binnen een afstand
van 15 á 25 meter kan het heel goed gehoord worden.
De kwartelkoning is een broedvogel van open graslanden
en grazige akkergewassen met klaver, luzerne en karwij.
Tijdens het broedseizoen worden insekten en ander klein gedierte gegeten,
de rest van het jaar vormen zaden de hoofdmoot van het menu.
Het nest wordt gebouwd tussen vegetatie.
Er komen 7 – 12 eieren in te liggen die tot 19 dagen bebroedworden.
De kwartelkoning is in Nederland te zien vanaf mei tot augustus.
Als trekvogel levert hij verrassende prestaties.
Hij staat bekend als een typische bodemvogel die zich schuilhoudt
tussen het hoge gras van hooilanden en zelden zijn dekking verlaat.
Van zo’n eigenheimer verwacht je niet dat hij grote vliegreizen onderneemt.
De winter brengen ze evenwel door in Zuidelijk Afrika, ver voorbij de evenaar.
Deze gerenommeerde bodemvogels vliegen dus afstanden
van ruim vier- tot wel tienduizend kilometer.
De kwartelkoning staat op de rode lijst omdat hij op wereldschaal bedreigd wordt.
Ook hier is de soort sterk in aantal afgenomen
en is de verspreiding inmiddels erg beperkt.
Bovendien is hij gebonden aan kwetsbaar broedbiotoop.
De grootscheepse veranderingen op het platteland
hebben een fnuikende invloed gehad op de soort,
die in een rap tempo als broedvogel aan het verdwijnen is.
Met het verdwijnen en verdrogen van vochtige graslanden,
de teloorgang van de teelt van klaver en luzerne en de komst van insekticiden
verdween zowel het broedbiotoop als de voedselbron van de soort.
Op hooi- en akkerland speelt het uitmaaien van jongen daarnaast een belangrijke negatieve rol.
Het aantal broedparen slonk, van een kleine 1000 begin jaren zestig tot nog niet een 100 in 1992.
Daarna zijn de aantallen weer iets gestegen tot ruim 400 in 2000.
De beste kansen voor de kwartelkoning lijken te liggen in het rivierengebied.
Een extensief gebruik van de graslanden in de uiterwaarden is daarbij wel een voorwaarde.