
De kraanvogel is een zeer grote vogel met zeer lange poten en een lange, dunne hals.
Het verenkleed is grotendeels licht blauwgrijs, maar in broedtijd heeft het meestal
een roestbruine rug door inwrijven met modderig en ijzerhoudend veenwater.
Het voedsel bestaat uit plantaardig materiaal zoals eikels,
graan en oude aardappelen die op de geoogste landerijen zijn blijven liggen.
De vogel vliegt met uitgestrekte hals.
Tijdens trek vliegen ze in lijn- of V-formaties, vaak op zeer grote hoogte.
In West-Europa volgen de vogels een vaste trekroute via Rügen, langs de oostgrens
van Nederland (maart-april en oktober-november), via Noord-Oost Frankrijk (Lac du Der-Chantecoq)
naar Spanje (en sommige N-Afrika) en terug.
Bij oostenwind trekken ze vaker over Nederland dan bij westenwind.
Elk jaar komen op een aantal plaatsen groepen kraanvogels op de grond.
De belangrijkste rustplaatsen zijn gelegen in Oost-Brabant en Noord-Limburg.
Deze rustplaatsen zijn (naar huidige maatstaven) omvangrijk en rustig.
Veel oude rustplaatsen zijn door bebouwing, ontginning of verstoring niet meer in gebruik.
Het is dan ook zaak om de rust in de laatste pleisterplaatsen te behouden.
De broedplaatsen van de kraanvogel bevinden zich in Noord- en Oost-Europa,
maar sinds kort is er een klein aantal exemplaren
dat ook in Nederland de zomer doorbrengt.
In 2001 is er zelfs één broedgeval geconstateerd.
In het voorjaar is er een spectaculair dansritueel als balts te zien,
van een paar of van honderden (vooral onvolwassen) vogels.
De baltsdans speelt zich af op favoriete plaatsen;
vogels lopen daarbij rond met gestrekte hals en vaak gespreidde vleugels,
springen in de lucht met flappende vleugels, buigen, pikken voorwerpen van de grond
en gooien ze omhoog, staan stokstil in opgerichte houding en schudden daarna hun veren.
De kraanvogel is een broedvogel van moerassen en bossen, aan meren met rietvelden
of langs rivieren met oeverbossen, meestal in afgelegen gebieden.
De nesthoop wordt gemaakt van plantaardig materiaal.
De 2 eieren worden tot 30 dagen bebroed.
Hun schuwheid wordt veroorzaakt doordat er in de zuidelijke Europese landen
en in Noord-Afrika nog vaak op kraanvogels wordt geschoten.
De kraanvogel staat als enige niet-broedvogel (tot 2001) op de Nederlandse rode lijst.
De redenen hiervoor zijn de geringe verspreiding
en de gebondenheid aan kwetsbare gebieden in de trektijd.
In een grijs verleden broedde de kraanvogel vermoedelijk tot in Nederland,
maar die tijd ligt honderden jaren achter ons.
Sindsdien is de soort hier alleen bekend als een doortrekker,
wiens aantal in de loop van de eeuw sterk geslonken is.