
De dwergstern is een kleine stern van 24 cm.
Hij is herkenbaar aan de gele snavel met de zwarte punt.
Hij heeft een wit voorhoofd, de bovendelen zijn grijs van kleur en de onderdelen wit.
In de winter heeft hij een zwarte oogstreep en een eveneens zwarte achterkop.
De jonge vogels hebben bruingevlekte bovendelen.
De vogels hebben een duidelijk snellere en schokkerige
vleugelbeweging dan andere sterns en een korte staart.
Het voedsel bestaat uit vis.
Dwergsters zijn zomervogels die arriveren in april en in september
weer naar de overwinteringsgebieden voor de kust van West-Afrika trekken.
Veel doortrek is er in mei en vooral in augustus.
De dwergstern is een kolonie-broedvogel.
Ze zijn te vinden op kale tot schaars begroeide eilandjes
en stranden nabij uitgestrekte, visrijke wateren.
Vooral in de Delta en in het Waddengebied zijn dergelijke leefgebieden.
De nesten worden gebouwd op rustige schelpen- of grindbanken nabij ondiep water.
Er worden 2 tot 3 eieren uitgebroed in drie weken.
Dwergsterns staan op de rode lijst vanwege de duidelijke afname,
de zeer beperkte verspreiding en de gebondenheid aan kwetsbaar broedbiotoop.
Door de uitvoering van de Deltawerken, de havenuitbreiding van Rotterdam
en de opkomst van het massatoerisme op de stranden
zijn veel broedplaatsen ongeschikt geworden of geheel verdwenen.
Bovendien leidde de vergiftiging van het in de Noordzee stromende Rijnwater
in de jaren zestig tot sterfte, waardoor eind jaren zestig nog maar 100 paren in Nederland broedden.
Na een verbod op de lozing van de belangrijkste boosdoeners in de Rijn
vond een gestage toename plaats, maar het peil van voor de jaren zestig (rond de duizend paar)
wordt bij lange na nog niet gehaald.