
Haviken zijn echte bos bewoners, bij voorkeur in niet te dicht naaldhout,
die het open veld veelal vermijden.
Bovendien is hij de baas in het bos en versmaadt hij zelfs jonge sperwers niet.
Wanneer hij wel jachtvluchten maakt in open terrein, dan vaak vlak boven de grond.
Bij hun manier van jagen moeten ze het hebben van de verassingsaanval.
Het zijn dan ook buitengewoon goede vliegers,
die bij de achtervolging van hun prooi heel wat staaltjes van luchtacrobatiek laten zien.
Als een havik toestoot, slaat hij zijn klauwen met zoveel kracht
in de hals van zijn slachtoffers dat het op slag dood is.
Vooral de wijfjes, die groter en zwaarder zijn dan de mannetjes,
hebben een indrukwekkende stootkracht.
Zij bemachtigt meer grote zoogdieren en vogels.
Het kleinere mannetje is een echte vogeljager (duiven, gaaien en lijsters).
Geen enkele Havik blijkt gespecialiseerd te zijn in het vangen van een bepaalde prooisoort.
Gewoonlijk grijpen zij wat op dat moment voorhanden is c.q. passeert.
Hooguit wordt op een bepaald moment gebruik gemaakt van tijdelijk gemakkelijk te bemachtigen prooien.
Vanwege met name haar vermeende voorliefde voor fazanten, patrijzen,
hazen en konijnen is de havik nogal impopulair bij sportjagers.
Door bescherming namen ze voor de tweede wereldoorlog toe,
maar rond de jaren zestig waren er nauwelijks 15 a 20 paren.
Dit was vooral te wijten aan vermindering van hun biotoop,
invloed van landbouwgif en gedeeltelijke aan cladestien afschot en verstoring.
Langzaam is er echter veel verbeterd en de broedparen zitten niet meer
alleen in het oosten, maar ook in de duinen en zelfs in het poldergebied.
Het huidige aantal broedparen in Nederland wordt geschat op 1800-2000, maar het aantal loopt wat terug.

Deze formidabele jager is een grotere en krachtiger uitgave van de Sperwer.
De groote varieert van 48-61cm waarbij het vrouwtje de groote heeft
van een buizerd en het mannetje ongeveer een derde kleiner is.
De geslachten zijn verschillend gekleurd: bovenzijde bij mannetje
is grijsbruin, bij vrouwtje leigrijs van kleur.
De onderdelen van de volwassen vogels zijn gebandeerd,
bij jonge vogels voorzien van donkerbruine druppeltekening.
Bij het horen van een havik zou je bijna aan de zwarte specht denken.
Dat uitbundig lachen, even op gang komen, en dan lang aanhouden.
Maar de toon is veel hoger en niet 'kluu-kluu-kluu'
maar meer 'kie-kie-kie-ki-ki-ki-ki'.
Overigens zijn de vogels zeer zwijgzaam en laten ze zich vooral in de baltstijd horen.
De spanwijdte bedraagd 98-117cm .
Het vliegbeeld wordt gekenmerkt door de relatief korte,
afgeronde vleugels en lange staart, die bijna nooit gespreid wordt gehouden.
Na 4-5 vleugelslagen volgt er een korte glijpauze.
De vogel circelt bij goede termiek echter ook hoog, zonder vleugelslagen.
Buiten het broedseizoen leeft de havik solitair en onderhoudt hij geen contact met soortgenoten.
In het begin van de broedtijd vliegt het paar hoog in de lucht en laat vervolgens
een bliksemsnelle duikvlucht zien, gevolgd door een bijna loodrecht opstijgen met aangelegde vleugels.
De horst bevindt zich in de kruin van hoge bomen aan de bosrand of bij open plekken.
Het is gebouwd van takken (vaak groen naaldhout) en bekleed met groene twijgen en veren.
Oude horsten worden veelal door het vrouwtje opgeknapt, nieuwe worden in hoofdzaak door het mannetje gebouwd.
Elk paar beschikt over verscheidene horsten, waartussen het van jaar tot jaar wisselt.

De broedtijd valt tussen eind maart en eind april.
De grootte van het nest varieert van 2 tot 5 eieren die in 35-40 dagen uitgebroed worden.
Daarna volgt er een nestperiode van 36-40 dagen.
Alleen het vrouwtje bebroed de eieren, het mannetje brengt voedsel.
Wanneer de jongen wat groter zijn brengen beide ouders voedsel naar het nest,
maar alleen het vrouwtje zorgt voor de verdeling van de buit
en het daadwerkelijke voeren van de jongen.
Deze blijven 38 - 43 dagen in hun nest.