Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!


Terug naar Nieuws

Van kloosteruithof tot schapenboerderij
De boerderij Jagtlust voorheen Germerhuis of Poartepleats te Hantumeruitburen

R. Tolsma

In een uithoek van de gemeente Westdongeradeel in Friesland, vlak langs het riviertje de Paesens dat de grens vormt met Oostdongeradeel en daarmee vanouds verbonden door een ferme opvaart, ligt de boerderij Jagtlust. Tegenwoordig bestaat deze boerderij uit een groot aantal gebouwen en worden de velden rondom de boerderij bevolkt door honderden schapen omdat de eigenaar zich heeft toegelegd op het houden van schapen (ook langs de Friese zeedijken in de nabije omgeving lopen zijn dieren), in het verre verleden stond hier een uithof van het klooster Klaarkamp te Rinsumageest en werd de grond bewerkt door monniken of aan hen verbonden leken-broeders.

Ver voor 1500 moet de hele strook land tussen de Nijehuisterpijp en Miedend in handen zijn geweest van het klooster Klaarkamp en het daarmee verbonden zusterklooster Sion te Niawier. Deze ligging langs het vaarwater de Paesens past precies in de grondbezitsstrategie van de Cisterciënzers waarbij de bezittingen zoveel mogelijk worden geconcentreerd langs waterwegen. In de gemeenten Oost- en Westdongeradeel bijvoorbeeld zijn een groot aantal complexen van deze kloosters aan te wijzen, meestal rondom een uithof. Een uithof is een grote kloosterboerderij waarop in het begin de monniken zelf het werk deden. Later, toen de monniken zich meer met geestelijke zaken bemoeiden terwijl het aantal ook terugliep, werden lekenbroeders aangesteld. Dezen hoorden wel bij het klooster maar hoefden zich niet te houden aan de strenge regels van het klooster. Zij deden ook meestal het zware werk in de kloosters of op de klooster-boerderijen. Rond 1500 is ook dat stadium gepasseerd en worden de oude uithoven verhuurd aan gewone boeren. Omdat deze uithoven grote aantallen pondematen land bezaten, werd het land meestal verhuurd aan meerdere boeren.

Deze ontwikkeling vond ook plaats te Hantumeruitburen. Eerst moet het grondbezit van de vroegere uithof van Klaarkamp/ Sion zijn opgesplitst in twee delen waarbij er dus een "nieuw huis" gebouwd moest worden: de complexen Nijehuijs en Germerhuijs ontstonden. In 1511(1) blijkt dat er nog eens een splitsing heeft plaatsgevonden waardoor er twee boerderijen
te Nijehuijs zijn ontstaan en twee te Germerhuijs. Op de ene boerderij woonde Botte to Germerhuijs, welke 83 pm gebruikte, op de andere Tjepka to Germerhuijs die 65 pm onder zijn hoede had. Botte en Tjepka moesten 1 floreen (=28 stuivers, dus f 1,40) per 3 pm aan huur betalen. Daarnaast lag er nog een zware last op elke pondemaat in de vorm van 1 voet (ong. 30 cm) onderhoud aan de "Waiterdijck to Werum". In deze tijd moesten de boeren nog zelf de zeedijk versterken, zelf werkzaamheden verrichten, later werd dat door de overheid gedaan en moesten er dijklasten betaald worden door de grondeigenaars (of de pachters mochten de kosten in mindering brengen op de huur). Met waterdijk wordt bedoeld dat op die plaats het water tot aan de zeedijk stond, dus zonder een voorliggende kwelder. Dat de "waterdijk" bij Wierum een grote onderhoudslast was blijkt wel uit het feit dat de helft van het dorp Wierum in zee is gespoeld. Daarnaast betaalden de Wierumer boeren geen floreenbelasting aan de Provincie omdat zij genoeg geld moesten geven om de dijk te onderhouden. Soms waren de dijkslasten zo hoog dat de eigenaar geld toe moest geven aan de pachter! Eén eigenaar zag het helemaal niet meer zitten en deed afstand van zijn grond. Dit stuk land heet nog steeds "De Keizer" omdat de bedoelde grond toeviel aan Keizer Karel V.

Botte en Tjepka hebben een gedeelte van hun boerderij in eigen bezit. Het grootste gedeelte was echter van het klooster Sion zodat de boerderij Germerhuijs in het rekenboek van Sion is terug te vinden 2). In 1564 huurt Douwe Syurtsz 62 pm op Germerhuijs van het klooster waarvoor hij 33 goudguldens aan huur moet betalen. Een gedeelte van de huur moet hij in natura betalen: een tonne rode botter (voorjaarsboter) en een quartier corn (kwart lopen, een lopen is de hoeveelheid graan die nodig is om 1 pm land in te zaaien). Daarnaast moet hij nog zeven wagens met turf naar het klooster brengen, turf die hij uit de Dokkumer Wouden moest halen waar het klooster venen bezat.

Na de Reformatie van 1580 nemen de Staten van Friesland de kloostergoederen over. Van de opbrengsten worden predikanten en schoolmeesters betaald, weeshuizen bekostigd terwijl vroegere kloosterlingen hieruit hun pensioenen krijgen uitbetaald. Later wordt de opbrengst ook gebruikt om er de hoge kosten van de tachtigjarige oorlog mee te betalen. Deze bemoeienis van de overheid met de kloostergoederen levert diverse registers op waarin de inkomsten worden verantwoord. Dat betekent dat we weten dat Botte Douwes (zoon van Douwe Syurtsz?) in 1592 deze boerderij opnieuw huurt voor 67 gg en een geschenk van 15 gg en dat de broers Reijn en Syds Dyrcx na 1600 3) huurders zijn. Als de Staten de kloostergoederen verkopen, gaat ook Germerhuis in andere handen over. Wopcke Bartholomeus moet 5170 gg neertellen om zich eigenaar te mogen noemen van Germerhuis, groot 68 pm en nog 26 pm onder Niawier. Wopcke moet al zijn connecties te hulp roepen om genoeg geld bijeen te rapen want naast Germerhuis koopt hij nog meer boerderijen van de Staten. In een van die akten schrijft hij dat hij het geld nodig heeft "tot betalinge inde coopschat van landen bij mij van den Lantschappe gecogt gelegen tot Gerberhuijs tot hantumhuijsen waar wij op woonen"4).

Hij pakt zijn zaken goed aan want in 1651 laat hij waarschijnlijk een nieuwe boerderij op Germerhuis bouwen, in ieder geval een nieuwe poort want in de steen die van deze poort bewaard is, staan de initialen WB en het jaartal 1651. Tot ver in de achttiende eeuw zijn Wopcke en zijn erfgenamen eigenaar van de beide boerderijen op Germerhuis. Pas in 1754 gaat de boerderij in andere handen over. Eigenaar is Dr. De With die de boerderij verpacht aan huurders. In 1749 werd de boerderij ook al verpacht voor een bedrag van 345 gulden. Niettegenstaande die hoge huur wordt van de pachtster, Jacob Wytses weduwe, gezegd dat zij "wel in staat" is en daarom wel een hoge belasting kan betalen5).

Na 1750 bestaat de veestapel van de boerderij meestal uit een tiental koeien en een zestal paarden 6). Daarin komt in 1770 een dramatische wending. De veepest slaat ook op dit bedrijf toe waardoor er ineens maar twee koeien meer over zijn. Gelukkig herstelt een en ander zich langzamerhand en na het aantreden van een nieuwe boer gaat het zelfs bijzonder snel zodat er omstreeks 1800 wel een twintigtal koeien naast de genoemde zes paarden op het bedrijf aanwezig zijn, in 1805 wordt zelfs een aantal van 25 koeien en 4 vaarzen gehaald!.

Deze nieuwe boer is Andries Annes en met hem komt een nieuwe familie op Germerhuis die er een belangrijk stempel op zal drukken. Eerst is hij gewoon huurder/bedrijfsleider van de niet getrouwde eigenaar Jan Folkerts (mogelijk zijn zwager) die in 1789 een bedrag van f 13.447,- voor Germerhuis moest neertellen 7). Na 1798 is hij zelf eigenaar en heeft hij in totaal 126 pm tot zijn beschikking waarvan de huurwaarde wordt geschat op f 1113,-. Na 1820 is Anne Andries Mokma, als opvolger van zijn vader, zelfs eigenaar van het gehele gebied tussen Miedend en de opvaart naast Germerhuis waarmee de situatie van rond 1500 hersteld is.

Uit 1862, na de dood van Anne Andries Mokma, is een inventaris bewaard gebleven van Germerhuis. De onroerende goederen worden geschat op het kapitale bedrag van f 92.103,- waar onder de boerderij Germerhuis zelf voor f 3200,-. Aan vee is op de boerderij aanwezig: 10 melkkoeien, 7 vleeskoeien, 2 ossen, 7 hokkelingen, 7 kalveren, 6 melkschapen, 9 vlees-schapen, 14 lammeren, 2 oude varkens, 3 biggen en 6 paarden. Het totale vermogen van Mokma wordt na aftrek van alle schulden op bijna 120.000 gulden geraamd, een groot bedrag in het midden van de vorige eeuw. Het is tevens een bewijs van het vakmanschap als veehouders van de familie Mokma 8).

De boerderij wordt overgenomen door Andries Annes Mokma, vrijgezel en groot liefhebber van de jacht. Dat zal de reden zijn van de nieuwe naam die op een gedenksteen wordt gezet na de verbouw van de boerderij in 1874:

"Nieuw herbouwd in 1874, Hiervan, de eerste steen gelegd, den 8e juni door Andries A. Mokma. Jagtlust".


Deze steen zit nog steeds in de achtermuur van de boerderij, terwijl de naam Jagtlust terug is te vinden in de weg die naar de boerderij leidt: Jagtlustwei.

Andries Mokma is de laatste van zijn familie die op Germerhuis zal werken. Hij is niet gehuwd en na zijn dood wordt de boerderij geërfd door de kinderen van zijn zuster, leden van de familie Becking. Opnieuw wordt de boerderij verhuurd, vooral de familie Terpstra woonde een groot aantal jaren op Germerhuis.

Rond 1930 werd de oude poort uit 1651 opgeruimd, slechts een stuk steen met het jaartal 1651 en de initialen WB en de wapensteen die bovenin de poort bevestigd was, zijn bewaard gebleven. Deze poort (klik hier voor een afbeelding) was helemaal vanuit het water opgebouwd en omdat er een hele brede gracht (7 tot 9 meter!) met een brede boomsingel (waarin in de dertiger jaren nog een reigerkolonie zich gehuisvest had) helemaal rondom de boerderij liep, was men, als de zware poortdeuren dicht gingen, goed beschermd tegen rondzwervend gespuis, vooral in vroeger tijden van groot belang. Een leuk verhaal wat dat betreft vertelt de Friese schrijver Andries Minnes Wybenga, zelf bewoner van een klein boerderijtje dichtbij. De boer van de "Poartepleats" zoals deze boerderij in eigen omgeving bekend stond, kreeg twee zwervers in de keuken die hem niet zinden. Hij riep z'n knechts en zei: "Helje my turf en hout". De zwervers dachten bij zichzelf: "Dit lijkt goed, het vuur in de stookplaats wordt nog wat aangevuld en wij worden goed onthaald". Maar daar kwamen de knechts binnen met ieder een grote hond bij zich die luisterden naar de namen Turf en Hout. Dit hadden de landlopers niet verwacht en binnen de kortste keren waren ze de deur uitgewerkt, buiten de poort, die vergrendeld werd. Wybenga vertelt ook van de strijd tussen de boer van Germerhuis en de boer van Lutkewier onder Wetsens, zijn grote concurrent. Deze strijd moet zover zijn gegaan dat de ene boer de andere dood sloeg en zijn lichaam in de "Fiven" begroef. Pas na een aantal jaren werd diens geraamte terug gevonden.

Wybenga noemt deze streek het "twapleatselân" 9) omdat de boerderijen hier veelal twee aan twee liggen: twee boerderijen op Nijehuis, op Roderterp en dus ook de twee boerderijen op Germerhuis: Kommerhuis en Germerhuis. De boerderij Kommerhuis werd in de dertiger jaren al afgebroken, slechts een rij oude bomen houdt de herinnering vast.

Deze streek, geboortestreek van Wybenga wiens vader het nu als "Anders Minnes Wybengahûs" bekend staande boerderijtje in 1876 stichtte, moet Wybenga erg hebben geboeid want ook in het boek "Fan leed en lok" staat een opstel van hem over deze omgeving met als titel:

Iis, skets út it Twapleatselân (Sneek 1939, bl.64).

De zolder van het poortgebouw was lange jaren in gebruik als duivenverblijf. Aan de hofzijde waren twee reeksen vlieg-gaten voor deze vogels aangebracht. Natuurlijk waren de duiven bestemd voor de tafel van de bewoners van de boerderij, van het vlees konden lekkere pasteitjes gemaakt worden, maar ook de duivenmest was zeer in trek. Er werd zelfs duivenmest uitgevoerd en de tabaksplanten in Gelderland en Utrecht werden omstreeks 1750 bemest met Friese duivenmest.

Voor het houden van duiven in een duiventil (de "gibbe-flecht": deze halfwilde duiven werden gibben genoemd) was een vergunning nodig. Van 1814 tot 1844 liet Andries Annes Mokma 200 duivenparen op zijn duiventil registreren. Rond 1850 werd in de boeken "geamoveerd" vermeld, maar het einde van de duivenhouderij was niet definitief want in 1856 vroeg zoon Anne Andries Mokma weer een registratie aan voor 200 paren. Vanaf 1873 tot 1891 tenslotte registreerde Andries Annes Mokma weer 200 paren. Na de dood in 1892 van deze Mokma werd geen vergunning meer aangevraagd wat niet betekende dat er geen duiven meer werden gehouden op de zolder van "de poarte". Tot de sloop van het poortgebouw, de op de boerderij aanwezige mesthoop was opmerkelijk genoeg buiten de poort gesitueerd (betere hygiëne?), waren er nog ongeveer 100 veldduiven aanwezig welke alleen in de winter wat werden bijgevoerd. Tweemaal per jaar werd de zolder uitgemest en het aantal vogels uitgedund 10).

In 1930 bracht de bekende boerderijen-onderzoeker K. Uilkema een bezoek aan Germerhuis waar toen Pieter Wytzes Terpstra boer was. Hij maakte een tekening, een schetsje en een beschrijving van de toestand 11). Deze beschrijving is van groot belang omdat in 1939 het hele voorhuis veranderd werd. Het voorhuis staat nu enigszins naast de schuur en daarom is Germerhuis niet meer van het echte Friese kop-hals-romp type wat het waarschijnlijk honderden jaren is geweest.

Lijst van tijdens het onderzoek opgeduikelde bewoners:

1511 Botte tot Germerhuijs

1564 Douwe Syurtsz toe Germerhuijsen

1565-1570 Simon

1570-na 1580 Syttzye Dercksz

1592 Botte Douwes

1606 Reyn Dircks

1619 Syds Dircx

1636-1654 Wopcke Bartholomeus

1654-16? Bartholomeus Wopckes

16? -1698? Bartholomeus Wopckesweduwe

1698-1718 Wopke Bartholomeus de jonge

1718-1743 Jacob Wytses

1743-1754 Jacob Wytses weduwe

1754-1777 Wytse Jacobs

1777-1794 Willem Pytters

1794-1798 Jan Folkerts en Andries Annes samen

1798- Andries Annes Mokma

18 -1862 Anne Andries Mokma

1862-1890 Andries Annes Mokma

1890-1902 Douwe Douma 1902-1908 Jan Douwes Douma 1908-na 1939 Pieter Wytzes Terpstra Lettinga tegenwoordig G. Kingma

Noten:


1. Register van den Aanbreng

2. RAF, Inventaris kleine kloosterarchieven

3. Uitgegev. in: Administrative en fiskale boarnen oangeande Fryslân, bl. 58

4. Hypotheekboek WED 30-10-1640

5. Quotisatiecohier, 1749

6. Gegevens afkomstig uit Speciecohieren WED

7. Proclamatieboek WED 26-6-1789

8. Notaris Witteveen Metslawier 18-12-1862

9. Dockumer Courant 17-8-1989 en Friesch Dagblad 10-11-1934

10. Vriendelijke mededeling van S. Visser te Leeuwarden, groot kenner van duiventillen in Friesland

11. Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek, 1991, uitgegeven door de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek te Arnhem, bl. 769


Deze site hoort frames te bevatten. Ziet u geen frames, klik dan hier.