Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!
Vereniging van Archiefonderzoekers te Dokkum
Dirk Rafaelsz Camphuysen (1586-1627)

Wat Camphuysen’s verbeterde berijming der Psalmen betreft, deze voorzag in een behoefte, sinds de Dordtsche Synode het knoeiwerk van Dathenus boven het kunstwerk van Marnix had gesteld. De Psalmberijming werd zelfs nog in de 19e eeuw door verscheidene Doopsgezinde gemeenten bij de godsdienstoefening gebruikt.
Maar wat populariteit aangaat, wordt zij ver overtroffen door zijne Stichtelijke Rijmen, die karakteristiek zijn om hun schoonen, pittigen vorm. Reeds gedurende zijn kortstondig verblijf in Harlingen werd er de grondslag van gelegd: de eerste druk verscheen in 1624 in 2 deelen, later tot 4 deelen uitgebreid; het aantal drukken nadert de vijftig ! En ‘niet enkel in het krankvertrek of in de woning der smart lag dit boek geopend. Ook in de verblijven der vreugde klonken Van Camphuysen’s liederen, tusschen andere, niet altijd van zoo geestelijken inhoud’. Ja, er bestaan zelfs bewijzen, dat zij ‘bij de straat gezongen’ zijn. Geen wonder ook ! Onze dichter had namelijk de juiste opvatting, dat een lied, wil het veel invloed hebben, zoowel gelezen als gezongen moet kunnen worden. Daarom werden zijn liederen vervaardigd naar in zijn tijd bekende zangwijzen, als ‘Lieflockster van de Min’, ‘Ach, Amarillis, zegt wat u wil is’ enz. Daarbij zijn het ‘eenvoudige rijmen, maar van een goed gehalte. Er is juistheid van uitdrukking, rijkdom van taal en harmonische klank in; ze zijn in waarheid de schoone uitdrukking van zijn zelfverloochenend leven’. Het meest bekend van alle is zeker wel zijn ‘gheestlijck meditatie-liedt’, Mayschen morghenstondt, dat in bijkans geen enkele bloemlezing der Nederlandsche letteren ontbreekt, aanvangende:
‘Wat is de Meester wijs en goedt,
Die alles heeft gebout,
En noch in wesen blyven doet
Dat ‘s menschen oogh aenschout’

En dat eindigt:

Ach ! waren alle Menschen wijs,
En wilden daer by wel;
De Aerd waer haer een Paradijs,
Nu isse meest een Hel.‘

En van niet minder bekendheid zijn de volgende regels, welke Camphuysen, 21 September 1618, in een vriendenalbum schreef:
‘Daer moet veel strijdts gestreden sijn:
Daer moet veel leets geleden sijn:
En veel gebedts gebeden sijn:
En Christelijke zeden sijn:
Een nauwen wech betreden sijn:
Soo lang wij hier beneden sijn:
Soo sal ‘t hier nae in vrede sijn.’

Het stoffelijk overschot van hem, die bij zijn leven met zooveel strijd had te kampen gehad, werd begraven op het – thans tot Marktplein geamoveerd – kerkhof, ten noorden van de Nederl. Hervormde kerk, bij de Fetseput. Zijn graf was slechts gedekt met een zoogenaamde ‘hoofdsteen’, ter grootte eener halve zerk, waarop ongeveer de volgende inscriptie voorkwam:
Dirk Rafels Kamphuizen, overleden
den 9 Julij oude stijl oud 43 jaren
Mortuus Vivo (dit is ‘dood zijnde, leef ik’)

Doch ook na den dood scheen zijn gebeente de rust niet gegund, want eenige jaren daarna reisde zekere Jacob Colom (Colom gaf verscheidene malen Camphuysens gedichten uit, oa in 1628 en 1647; evenzoo de Theologische Werken in 1640), boekverkooper in Amsterdam, met zijn vriend Francois van Limburgh, naar Dokkum en wisten daar van de stedelijke overheid vergunning te verkrijgen tot opening van Camphuysen’s graf. Met behulp van den doodgraver werden zijn bekkeneel en eenige beenderen er uit genomen en vervolgens naar Amsterdam meegevoerd, waar zij als een kostbaar aandenken bewaard bleven. Ruim ¾ eeuw later berustte de schedel in de verzameling van zekeren Houbakker, zooals blijkt uit het volgende versje (in handschrift aanwezig in de bibliotheek der Doopsgezinde gemeente te Amsterdam), dat een 18de eeuwsch prul-poeet daarop dichtte:
‘Op het gesichte van een doodshoofd, hetwelk men my
verzekerde te zijn dat van Diderick Rafaels Kamphuisen. In
de herstmaand Ao 1708.
Is dit het bekkeneel, ‘t geen eertyds in zig sloot,
Dat hemelschrander brein! Welck lesz’op leszen goot,
(uit wysheids bronn’geput) door Evangeliebuizen.
Zoo mulm’ noit ‘t Hoofd-gebeent van vroome Dirk Kamphuizen.
Maar ‘t flonk’re stadig in Houbakkers kabinet,
Als een karbonkel-steen in fijnen goud gesett’!
Och dat het daar, schoon dorr’den Naazaat nog mocht stichten,
‘t Welck in zijn leven als een held’ren fakkel Lichten
Zijn deirebe leve ons in ‘t hert. ‘k Las op zijn zerk laast dus:
Dood zijnde leve ik nog of: Vivo Mortuus.
Leef dan, leef eeuwen lang, gij groote menscheLeerder,
En streck het Nageslacht staâg tot zielbekeerder,
T. Roos.’

Intusschen was in 1722 bovengenoemd opschrift van de zerk als volgt gewijzigd (en verbeterd):
Ao. 1627 den 19 Julius sterf den Eersame
Didericus Kamphuisen olt 41 jaar en
leit hier begraven.
Mortuus Vivo
door Dirck Helt vernuwt 1722.

Het verhaal van de opgraving geeft de geschiedschrijver Schotanus (in zijne ‘Beschryvinge van de Heerlyckheyt van Frieslandt, fol. 257b) als volgt weer:
‘Twee lieden van Amsterdam gereyst nae Dokkum lieten door een doodgraver ‘t beckeneel by nacht opgraven, en nament mede als een Heylighdom. Alhoewel de doodgraver diet geldt wilde verdienen, niet seeker wist oftet Camphuysens oft eenes anderen, daer naest begravenen, hooft was’.

De twijfel, in dezen laatsten regel uitgesproken, wordt opgehelderd door hetgeen in 1823 geschiedde. In dat jaar nl. Ontving het stedelijk bestuur van Dokkum een schrijven, dd. 22 mei 1823, van den heer P.S. Schull, advocaat en notaris te Dordrecht, waarin deze te kennen gaf: ‘dat hij eenige jaren te voren, bij eene verkooping van mineralen, uit de nalatenschap van den Eerwaarden Van Eick, predikant te Loosduinen, eigenaar was geworden van het bekkeneel en eenige beenderen van den dichter Kamphuysen, geborgen in een doos en met eenige documenten aangaande de herkomst daar bijgevoegd. Hij bood deze overblijfselen de regeering aan, die ze dankbaar aanvaardde en op het raadhuis een plaats gaf.’ Onder die documenten is een brief van een zekere Sophia Barbara van der Voort uit Noordwijk, van 28 November 1744, gericht aan eene vriendin, getuigende: ‘dat zij dikwijls van hare grootmoeder had gehoord, dat haar grootvader van moeders zijde Jacob Colom, eenige jaren na Camphuysen’s dood naar Dockum was gereisd, om het bekkeneel van den geliefden vriend te bekomen. Later had Sophia’s grootvader Van Eyk het gekregen en zoo was het eindelijk bij haar gekomen’.
Waarschijnlijk heeft het ontdekken der oude reliquie de gedachte aan Camphuysen wederom verlevendigd. In hetzelfde jaar nl. liet de Vereenigde Christelijke gemeente het oude zerkje door een nieuwe, en grootere vervangen. Deze zerk, te Amsterdam vervaardigd, werd door de gecommitteerden tot de bouwzaken van genoemde gemeente, zonder eenige plechtigheid, den 8 September 1823, op de plaats van de vorige neergelegd, voorzien van dit opschrift:

Mortuus Vivo
DIRK RAPHAELS KAMPHUIZEN
geboren te Gorinchem 1586
en overleden te Dockum 1627,
is deze steen gewijd door de
Vereenigde Christelijke
gemeente te Dockum,
in het jaar 1823,

Met beneden symbolen van den dood: een zandlooper, waaromheen een elkaar kruisende zeis en lelie, en waarboven vijf sterren.
In 1829 werd het oude kerkhof met den daaraan grenzenden voormaligen abdijtoren gesloopt en in een plantsoen herschapen, terwijl tevens op het Zuiderbolwerk een nieuwe begraafplaats werd aangelegd. Daarom vroeg Mr. J.W. de Crane (van 1780-1788 rector aan Dokkums Latijnsche school en nadien professor te Franeker), wien de vrees bekroop, dat nu de rustplaats van Camphuysen in vergetelheid zou geraken, in een schrijven aan den toenmaligen staatsraad baron Van Zuylen van Nijevelt, of hij er toe zou willen medewerken, dat de zerk van Camphuysen niet verwijderd werd. Deze beloofde dat. Ook de kerkeraad had een verzoek van dien aard tot de regeering gericht en een gunstig antwoord ontvangen. Doch in 1854 werd dat verlof ingetrokken, aangezien men het plantsoen tot marktplein wilde inrichten. Voorloopig werd nu de zerk in de stadstimmerschuur, en later in een afgesloten steeg naast de kerk der V.Chr. gemeente bewaard.
Eindelijk kwam men op het gelukkige denkbeeld, Camphuysen als het ware nogmaals te begraven op de begraafplaats aan het bolwerk. Men vroeg daartoe aan het bestuur van Dokkum den op het stadhuis berustenden schedel af te staan, ten einde dezen onder den nieuwen zerk te kunnen neerleggen, aan welk verzoek bij raadsbesluit van 3 Februari 1860 bereidwillig werd voldaan. En zoo werden met groote plechtigheid, vergezeld door het stedelijk en kerkelijk bestuur, de laatste overblijfselen van den dichter, juist op den gedenkdag van zijn sterven, naar het kerkhof op den stadswal gebracht, waar zij tot heden ongestoord rusten. Van die overbrenging gaven zelfs de groote nieuwsbladen een uitvoerig verslag. Het volgende is ontleend aan de notulen der Ver. Christelijke gemeente te Dokkum van 19 Juli 1860:
‘Overeenkomstig het in de vergadering van 10 Mei beslotene had den 19 Juli de plechtige overbrenging van Kamphuysen’s schedel plaats. Bij missive van 12 Juli was van Burgemeester en Wethouders kennis ontvangen, dat niet alleen de aan den Raad gedane uitnoodiging, om daarbij door eene commissie uit zijn midden geassisteerd te worden een gereeden ingang had gevonden maar dat alle deszelfs leden gaarne aan deze plechtigheid deel zouden nemen. Slechts enkele hunner werden dan ook verhinderd om met den kerkeraad, die voltallig was, des morgens ten halfelf in de kerkekamer samen te komen. Aldaar bevond zich het kistje met den schedel, hetwelk, nadat alle aanwezigen zich hadden overtuigd dat deze zich daar in bevond, werd digt gemaakt. Vervolgens werd het in zwart laken gehuld op een houten bakje geplaatst en door den Stadsbode, benevens den koster, naar zijne bestemming gedragen, begeleid door den Kerkeraad en het Stedelijk bestuur. Het schoonste weder begunstigde deze vreemdsoortige optocht. Op de begraafplaats werd dezelve reeds door een talrijke schare opgewagt. Voor het geopende graf lag de reeds derwaarts overgebragte gedenksteen. Rondom denselfden schaarden zich de deelgenooten van de plegtigheid. Onze voorzitter sprak daarbij in dichtmaat een toepasselijk woord (voorzitter was toen ds. H. Hussem. De dichtregelen, door hem uitgesproken, zijn uitgegeven bij de wed. B. Schaafsma te Dokkum. Daarin komt o.m. voor :
Was iedereen slechts wijs, zooals hij eens mogt wezen,
En wilde daar bij wel, zooals hij heeft gewild,
Wij zouden voor geen storm van godsdientshaat meer vreezen,
Waar liefde in ‘t harte woont, is dra die storm gestild.)

En toen daarna de schedel aan het graf toevertrouwd en hetzelve in onze tegenwoordigheid gesloten was, keerde de stoet nu in plaats van voorafgegaan, gevolgd door de dragers van het begravene naar de kerkekamer terug, waar men onder het genot van eenige ververschingen tot halftwee te zamen bleef en eindelijk welvoldaan over den gewenschten afloop eener zaak, die geruimen tijd het onderwerp onzer beraadslagingen had uitgemaakt, huiswaarts keerde’.

Inmiddels waren aan het grafschrift van 1823 deze woorden toegevoegd:
In het jaar 1860 van de
voormalige begraafplaats
herwaarts overgebracht benevens
‘s mans schedel tot dien tijd
berustende in het raadhuis alhier.

Ieder, die het kerkhof aan het bolwerk te Dokkum bezoekt, valt dadelijk de rustplaats van den dichter op. Hij ligt juist tegenover den ingang. Een eenvoudig ijzeren hek omsluit den grafsteen en treuresschen, aan weerskanten geplaatst, overschaduwen het graf.
‘Den man, wien men tijdens zijn leven nauwelijks een plekje op Dockum’s grondgebied wilde gunnen, is op het kerkhof de eereplaats ingeruimd’.
Tegenwoordig is de begraafplaats aan het Zuiderbolwerk op haar beurt ‘oud kerkhof’ ten opzichte van die in den Bonifatiuspolder geworden. De eerste is nl eenige jaren geleden definitief gesloten in afwachting eener andere bestemming, welke eenmaal aan dat terrein zal worden gegeven. Maar we hebben gegronde hoop, dat ook dan Dokkum’s vroede vaderen (evenals zijne geboorteplaats Gorinchem bezit ook Dokkum in de nieuw aangelegde N.O.-wijk zijn D.R. Camphuysenstraat.) en de Ver. Christelijke gemeente (deze gaat nog steeds voort met de nauwlettende verzorging van het graf, blijkens een telken jare op de gemeenterekening voorkomenden post van ‘onderhoud van Kamphuysen’s graf’) zullen blijven voortgaan met in eere te houden de laatste rustplaats van den ‘vromen dulder’, die heeft gezongen:
‘Van goed, van God, van deugd,
van lijden en verzaecken’.

Deze site hoort frames te bevatten. Ziet u geen frames, klik dan hier.