Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!
teller

CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties 2002-2004

Deze CAO geldt van 1 april 2002 tot 1 april 2004

Tussen ondergetekenden:
Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties te Gorinchem,
als partij ter ene zijde,
en
De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening te Houten,
FNV Bondgenoten te Amsterdam,
Dienstenbond CNV te Hoofddorp
als partij ter andere zijde, ieder voor zich en tezamen vormend partij ter andere zijde,
is de navolgende collectieve arbeidsovereenkomst aangegaan per 1 april 2002:

Versie: 23 februari 2003 (ks)


Inhoudsopgave

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen
Artikel I.1 Definities
Artikel I.2 Werkingssfeer
Artikel I.3 Bijzondere bepalingen werkingssfeer
Artikel I.4 Gunstiger en andere bepalingen
Artikel I.5 Algemene verplichtingen van de werkgever
Artikel I.6 Algemene verplichtingen van de werknemer
Artikel I.7 Algemene verplichtingen van de vakorganisatie

Hoofdstuk II. Begin en einde dienstverband
Artikel II.1 Indiensttreding en contractvormen
Artikel II.2 Beëindiging en opzegtermijnen
Artikel II.3 Schorsing
Artikel II.4 Ontslag om dringende redenen

Hoofdstuk III. Algemene regels arbeidsduur en arbeidstijd
Artikel III.1 Algemeen
Artikel III.2 Arbeidstijd
Artikel III.3 Overwerk
Artikel III.4 Algemene normen arbeids- en rusttijden
Artikel III.5 Aanvullende regels bij een vast rooster
Artikel III.6 Aanvullende regels bij een invulrooster
Artikel III.7 Aanvullende regels bij een algemeen reserverooster
Artikel III.8 Recht op een parttime dienstverband
Artikel III.9 Transporturen

Hoofdstuk IV. Salarisbepalingen
Artikel IV.1 Functiegroepen
Artikel IV.2 Salarisschalen
Artikel IV.3 Toepassing van de salarisschalen
Artikel IV.4 Prijscompensatie en overige loonwijzigingen
Artikel IV.5 Functiewaarneming
Artikel IV.6 Berekening toeslagen
Artikel IV.7 Betaling van arbeid op bijzondere uren
Artikel IV.8 Betaling van arbeid op eerder vastgestelde roostervrije dagen
Artikel IV.9 Toeslag werknemer algemeen reserve
Artikel IV.10 Betaling van arbeid op feestdagen
Artikel IV.11 Betaling van overuren
Artikel IV.12 EHBO/BHV
Artikel IV.13 Werkoverleg
Artikel IV.14 Loonopgave
Artikel IV.15 Afbouwregeling

Hoofdstuk V. Vergoedingen
Artikel V.1 Systematiek reiskosten- en reistijdenvergoeding
Artikel V.2 Reiskostenvergoeding
Artikel V.3 Reistijdenvergoeding
Artikel V.4 Maaltijdvergoeding
Artikel V.5 Vergoeding voor beschikbaarheid tijdens pauze
Artikel V.6 Consignatievergoeding
Artikel V.7 Studiekostenvergoeding
Artikel V.8 Hondenvergoeding
Artikel V.9 Stomerijvergoeding

Hoofdstuk VI. Vakantie en verlof
Artikel VI.1 Vakantiedagen
Artikel VI.2 Extra vakantiedagen
Artikel VI.3 Geld voor tijd/tijd voor geld
Artikel VI.4 Vakantietoeslag
Artikel VI.5 Buitengewoon verlof en kort verzuim
Artikel VI.6 Calamiteitenverlof

Hoofdstuk VII. Arbeidsongeschiktheid
Artikel VII.1 Uitkering bij arbeidsongeschiktheid
Artikel VII.2 Herverzekering daling wettelijk uitkering WAO
Artikel VII.3 Commissie Sociale Zekerheid

Hoofdstuk VIII. VUT, pensioen en ouderenbeleid
Artikel VIII.1 VUT CAO
Artikel VIII.2 Bedrijfstakpensioenfonds
Artikel VIII.3 Overige regelingen ten behoeve van oudere werknemers

Hoofdstuk IX. Veiligheidsprocedures en Arbo-aangelegenheden
Artikel IX.1 Veiligheidsprotocol

Hoofdstuk X. Werkgelegenheid en structuurwijziging in de onderneming
Artikel X.1 Uitgangspunten.
Artikel X.2 Werkgelegenheid
Artikel X.3 Vacature melding
Artikel X.4 Scholing
Artikel X.5 Employability en loopbaanperspectief
Artikel X.6 Periodiek overleg over werkgelegenheidontwikkelingen tussen CAO-partijen
Artikel X.7 Uitzendkrachten in sector of onderneming
Artikel X.8 Werkgelegenheid bij contractswisseling
Artikel X.9 Werkgelegenheid en de structuurwijziging in de onderneming

Hoofdstuk XI. Sociale commissie beveiligingsorganisaties en naleving CAO
Artikel XI.1 Sociale Commissie beveiligingsorganisaties
Artikel XI.2 Invloed Bedrijfs-CAO
Artikel XI.3 Procedure naleving CAO en boeteregeling terzake interpretatieverschillen
Artikel XI.4 Procedure naleving CAO en boeteregeling terzake klachten over de veiligheid
Hoofdstuk XII. Diverse bepalingen
Artikel XII.1 Antidiscriminatie
Artikel XII.2 Ongevallenverzekering
Artikel XII.3 Jaarverslagen
Artikel XII.4 Vakbondswerk in de onderneming
Artikel XII.5 Tussentijdse wijzigingen
Artikel XII.6 Duur van de overeenkomst en opzegging
Artikel XII.7 Financiering activiteiten op branche-niveau

Hoofdstuk XIII. Protocollaire bepalingen
Artikel XIII.1 Ouderenbeleid
Artikel XIII.2 Harmonisatie CAO's
Artikel XIII.3 Onderzoek functieraster
Artikel XIII.4 Protocol overwerk
Artikel XIII.5 Studie naar verdere vereenvoudiging

Bijlagen

Bijlage 1 Model-arbeidsovereenkomsten

Bijlage 2 VUT-CAO 2002-2004
Bijlage 3 Loonopgave
Bijlage 4 Functiegroepen en voorwaarden
Bijlage 5 Salarisschalen, per vier weken
Bijlage 6 Protocol inzake voorschriften bij ziekte
Bijlage 7 Criteria aanbesteding reïintegratiecontracten
Bijlage 8 Wet arbeid en zorg in kort bestek
Bijlage 9 Adressen
Bijlage 10 Index


Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel I.1 Definities
  1. Afroepcontract: Dienstverband waarbij de werkgever de werknemer kan oproepen voor losse ongeregelde diensten, welke in onderling overleg tussen werkgever en werknemer worden geregeld, zowel wat beschikbaarstelling van de werknemer betreft als de duur en de aard van de te verrichten losse en ongeregelde arbeid.
  2. Algemeen reserverooster: Het voor de werknemer voor een loonperiode vastgestelde dienstrooster, waarin vier van de acht roostervrije dagen (en ADV-dag) vooraf zijn opgenomen en de overige vier roostervrije dagen gedurende de roosterperiode worden ingeroosterd, waarbij de resterende dagen gelden als werkdagen, die gedurende de loonperiode met diensten worden ingevuld.
  3. Arbeidsuren: Alle uren waarover de werknemer loongerechtigd is: (dus zowel gewerkte uren als vakantie-uren, buitengewoon verlofuren, ziekte- uren, ADV-uren, leegloopuren).
  4. ADV-dag: In het kader van de arbeidsduurverkorting toegekende en betaalde vrije dag, die verder wordt gedefinieerd als een roostervrije dag.
  5. Avonddienst: Een dienst waarvan het einde ligt na 20.00 uur en voor of op 02.00 uur.
  6. Basissalaris: Het salaris per periode (4 weken) of uur zonder bijtelling van enige toeslag of vergoeding als genoemd in bijlage 5 van de CAO. Indien voor er voor een werknemer een hoger basissalaris is vastgesteld als bedoeld in deze definitie, treedt dit hogere basissalaris in plaats van het salaris zoals vastgesteld in deze CAO.
  7. Basisuurloon: Het uurloon dat is afgeleid van het voor de werknemer geldende basissalaris en als zodanig is vermeld in bijlage 5 van deze overeenkomst.
  8. Bijzondere uren:

  9. Maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 07.00 uur
    Maandag tot en met vrijdag tussen 18.00 en 24.00 uur
    Zaterdag tot en met zondag tussen 00.00 en 24.00 uur
  10. Bloktijden: Het tijdvak waarbinnen na de weekindeling, de aan te zeggen dienst moet voldoen.
  11. 23.00 - 09.00 nachtblok
    13.00 - 02.00 avondblok
    05.30 - 20.00 dagblok
  12. B.W.: Burgerlijk Wetboek (Boek 7, titel 10)
  13. Dag: Een kalenderdag van 00.00 tot 24.00 uur.
  14. Dagdienst: Een dienst waarvan het begin ligt op of na 06.00 uur en het einde voor of op 20.00 uur.
  15. Dienst: Een tijdvak van een aantal aaneengesloten uren waarin de werknemer werkzaamheden verricht op één of meerdere lokaties. Dit tijdvak kan onderbroken worden door ten hoogste één onbetaalde pauze van maximaal één uur, waarin de werknemer vrij over zijn tijd kan beschikken.
  16. Feestdagen: Nieuwjaarsdag, de beide Paasdagen, Koninginnedag, 5 mei als viering van de nationale bevrijding in de lustrumjaren (om de 5 jaar), Hemelvaartsdag, de beide Pinksterdagen, de beide Kerstdagen en de door de overheid aangewezen nationale feestdagen.
  17. Fulltime contract: dienstverband voor de normale arbeidstijd van gemiddeld 40 uur per week bepaald per loon- of roosterperiode.
  18. Gebroken dienst: Een speciale vorm van dienst op één of meerdere locaties bestaande uit dienstdelen waar een onbetaalde onderbreking langer dan één uur tussen zit; deze twee dienstdelen mogen samen de 10 arbeidsuren niet te boven gaan en het begin van het eerste dienstdeel en het einde van het laatste dienstdeel mogen maximaal 12 uur uiteen liggen.
  19. Invulrooster: Het voor de werknemer voor een loonperiode vastgesteld dienstrooster waarin alle voor hem geldende roostervrije dagen (en ADV-dag) vooraf zijn opgenomen en waarbij uiterlijk op de donderdag voorafgaande aan de week waarin de diensten moeten worden verricht, de bloktijden voor die week zijn vastgelegd.
  20. Leegloopuren: Het verschil in contractueel overeengekomen uren en de gewerkte-, vakantie-, buitengewoon verlof- alsmede ziekte- en ADV-uren.
  21. Loonperiode: Het tijdvak waarover aan de werknemer het loon wordt uitbetaald is vier weken.
  22. Loontoeslag werknemer met een afroepcontract: De toeslag waar de werknemer met een afroepcontract plaatsvervangend recht op heeft, voor het niet opbouwen van vakantie-uren en het niet toekennen van ADV.
  23. Meeruren: De arbeidstijd in een parttime contract waarmee in een loonperiode de overeengekomen (gemiddelde) arbeidstijd per week wordt overschreden, doch niet meer bedraagt dan gemiddeld 40 uur per week.
  24. Medewerker algemeen reserve: De medewerker die is aangesteld als algemeen reserve, werkzaam is in een zg. algemeen reserverooster, die in het bezit is van het basisdiploma beveiliging (of een hiermee gelijk gesteld diploma), minimaal 36 maanden ervaring heeft als beveiligingsbeambte en in het bezit is van geldig EHBO-diploma. Tevens dient hij bij werkgever in dienst te zijn op grond van een fulltime contract, dan wel, indien en voorzover vooraf aantoonbaar door werkgever een fulltime contract is aangeboden, bij werkgever in dienst te zijn op grond van een parttime contract voor minimaal 20 uur per week.
  25. Nachtdienst: Een dienst waarvan de uren tussen 24.00 uur en 06.00 uur geheel of gedeeltelijk zijn begrepen.
  26. Overwerk: In 3, los van elkaar staande situaties is sprake van overwerk, te weten:
    1. De arbeidsuren waarmee in een loonperiode een arbeidstijd van gemiddeld 40 arbeidsuren per week wordt overschreden;
    2. De arbeidsuren waarmee in 1 week een arbeidstijd van 48 uur wordt overschreden.
    3. De arbeidsuren waarmee in een dienst of een gebroken dienst een arbeidstijd van 10 uur wordt overschreden.
    4. ADV-dagen/uren tellen niet mee als arbeidsuren in het kader van de definitie van overwerk.

    Met ingang van loonperiode 9 van 2003 is er in 2 los van elkaar staande situaties sprake van overwerk, te weten:
    1. De arbeidsuren waarmee in een loonperiode een arbeidstijd van gemiddeld 40 arbeidsuren per week wordt overschreden;
    2. De arbeidsuren waarmee in een dienst of een gebroken dienst een arbeidstijd van 10 uur wordt overschreden.
  27. Parttime contract: Dienstverband voor een overeengekomen gemiddeld aantal uren per week, bepaald per loon- of roosterperiode.
  28. Pauze: Een onderbreking van minimaal een half uur en maximaal één uur gedurende welke de werknemer vrij over die tijd kan beschikken (zie ook definitie dienst).
  29. Roosterperiode: Een tijdvak van maximaal drie loonperioden waarbinnen een werknemer een vast rooster loopt, dat zich na afloop van dat tijdvak steeds in hetzelfde (roulerende) patroon herhaalt.
  30. Roostervrij weekend: Een aaneengesloten periode van twee roostervrije dagen welke uiterlijk aanvangt na de avonddienst op vrijdag, waarna de werknemer uiterlijk op zijn vroegst om 5.30 uur weer mag beginnen.
  31. Roostervrije dag: Een dag zonder begintijd van een dienst na 00.00 uur en voor 24.00 uur. De roostervrije dag is bij een voorwaarts roterend rooster
  32. De roostervrije dag is bij een achterwaarts roterend rooster altijd een periode van 32 uur zonder arbeidsuren.
  33. Transporturen:De meer dan contractueel overeengekomen gewerkte uren per loonperiode, die gereserveerd kunnen worden voor compensatie in tijd. Met ingang van loonperiode 9 van 2003 zullen de transporturen komen te vervallen
  34. Vakantiedag:Een aaneengesloten periode van tenminste 24 uur waarbinnen de werknemer niet hoeft te werken; deze periode van 24 uur valt voor minimaal 2/3 deel op een dag; voorzover de werknemer niet in een vast dienstrooster is opgenomen moet de werkdag voorafgaand aan de vakantiedag uiterlijk eindigen met een avonddienst, terwijl de werkdag na een vakantiedag op zijn vroegst om 5.30 uur mag beginnen; de duur van elke eerste vakantiedag bedraagt 32 uur.
  35. Vakantiejaar: Loonperiode 5 van enig jaar tot en met loonperiode 4 van het daarop volgende jaar.
  36. Vakantieloon: het loon voortvloeiende uit het basissalaris, vermeerderd met de in de voorgaande 3 loonperioden of het voorgaande jaar (de werkgever dient voor één van deze systematieken in zijn onderneming te kiezen) verdiende gemiddelde toeslag bijzondere uren, feestdagentoeslag en het structurele overwerk (inclusief overwerktoeslag) in vaste dienstroosters.
  37. Vakantietoeslag: De toeslag over het in het vakantiejaar verdiende basissalaris, toeslag bijzondere uren, feestdagentoeslag, het structurele overwerk (inclusief overwerktoeslag) in vaste dienstroosters, EHBO-toeslag en overige vaste toeslagen.
  38. Vakorganisaties: De werknemersvakverenigingen, genoemd in de aanhef van deze overeenkomst.
  39. Vakvolwassen leeftijd: De leeftijd van 21 jaar en ouder.
  40. Vast rooster: Het voor de werknemer voor een roosterperiode vastgestelde dienstrooster waarin alle voor hem geldende werk- en rusttijden zijn opgenomen en dat zich na afloop van de roosterperiode opnieuw in dezelfde vorm herhaalt; maximaal 20% van de in het vaste rooster opgenomen diensten kan bestaan uit zogenaamde invaldiensten, planningsdiensten of reserve diensten, waarvan de werktijden gedurende de looptijd volgens de methode van het invulrooster door de werkgever worden ingevuld.
  41. Week: Van zondag 00.00 uur tot zaterdag 24.00 uur.
  42. Werkgever: de natuurlijke- of rechtspersoon die, al of niet in hoofdzaak, een bedrijf uitoefent als particuliere beveiligingsorganisatie.
  43. Werknemer: Degene (m/v) die een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 610 van het B.W. heeft gesloten met, dan wel in aangenomen werk persoonlijk arbeid verricht voor de werkgever, conform artikel III.2 van deze overeenkomst.
  44. Werkoverleg: Hieronder wordt verstaan werkoverleg in de zin van de Arbo-wet, dan wel overleg op initiatief van de werkgever.
  45. Wpbr: Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus van 24 oktober 1997 (Stb. 1997 500)
Artikel I.2 Werkingssfeer
  1. Deze overeenkomst is van toepassing op de werknemers in dienst van een werkgever die diensten verricht ten behoeve van derden als particuliere beveiligingsorganisatie.
  2. Particuliere beveiligingsorganisaties in de zin van de overeenkomst zijn:
    1. particuliere beveiligingsbedrijven, die zijn toegelaten op grond van artikel 3a van de Wpbr;
    2. particuliere alarmcentrales die zijn toegelaten op grond van artikel 3b van de Wpbr;
    3. particuliere geld- en waardetransportbedrijven die zijn toegelaten op grond van artikel 3c van de Wpbr;.
  3. CAO-partijen kunnen gezamenlijk dispensatie verlenen voor (onderdelen) van de CAO.
    Verzoeken om dispensatie worden uitsluitend in behandeling genomen als deze schriftelijk worden gedaan en gericht zijn aan het secretariaat van de VPB te Gorinchem.

Artikel I.3 Bijzondere bepalingen werkingssfeer

Deze overeenkomst is slechts gedeeltelijk van toepassing op arbeidsovereenkomsten met werknemers die in het geheel geen beveiligingswerkzaamheden verrichten of die een functie vervullen boven het niveau van de in deze arbeidsovereenkomst opgenomen salarisschalen.
Ten aanzien van deze werknemers zijn niet van toepassing artikel II.1 lid 2, artikel III.1 lid 1, hoofdstuk IV met uitzondering van artikelen 4 en 10, hoofdstuk V en bijlage 4.

Artikel I.4 Gunstiger en andere bepalingen

  1. In de onderneming geldende lonen en arbeidsvoorwaarden, welke in voor de werknemer gunstige zin afwijken van de bepalingen van deze overeenkomst blijven onverkort gehandhaafd. Slechts in overleg met de vakorganisaties kan hiervan worden afgeweken. Tevens kan hiervan worden afgeweken in overleg met de ondernemingsraad(OR), wanneer de OR jegens vakorganisaties en werkgever kenbaar maakt in plaats van de vakorganisaties overlegpartner te zijn.
  2. In overleg met de vakorganisaties kan, indien bijzondere omstandigheden in bepaalde ondernemingen of groepen van ondernemingen daartoe aanleiding geven, op basis van en voortbouwend op deze overeenkomst een aparte overeenkomst worden afgesloten, welke minimaal aan de inhoud van deze overeenkomst moet voldoen.
  3. Het is de werkgever toegestaan om voor de werknemer in gunstige zin van de arbeidsvoorwaarden in deze overeenkomst af te wijken.
Artikel I.5 Algemene verplichtingen van de werkgever
  1. De werkgever zal gedurende de tijd, dat deze overeenkomst van kracht is, tegenover de werknemers de arbeidsvoorwaarden in deze overeenkomst in acht nemen.
  2. De arbeidsovereenkomst aangegaan tussen werkgever en werknemer, alsmede een door de werkgever vastgesteld arbeidsreglement of arbeidsinstructie, mag, op straffe van nietigheid, geen bepalingen bevatten in strijd met deze overeenkomst.
  3. Iedere werknemer ontvangt bij indiensttreding een exemplaar van deze overeenkomst van de werkgever.
  4. Aan werknemers, die bij inwerkingtreding van deze overeenkomst reeds in dienst zijn, wordt binnen een maand na de datum van in werking treden een exemplaar van deze overeenkomst door de werkgever uitgereikt.
  5. De werkgever zal met iedere werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangaan waarin alle elementen uit de model arbeidsovereenkomst van bijlage 1 zijn opgenomen.
Artikel I.6 Algemene verplichtingen van de werknemer
  1. De werknemer is gehouden de belangen van het bedrijf als een goed werknemer te behartigen, ook indien geen uitdrukkelijke opdracht daartoe is gegeven.
  2. De werknemer is gehouden alle door of namens de werkgever opgedragen werkzaamheden, voorzover deze redelijkerwijs kunnen worden verlangd, zo goed mogelijk uit te voeren en daarbij de voor de objecten of diensten geldende instructies, aanwijzingen en voorschriften in acht te nemen.
  3. De werknemer draagt zorg voor geheimhouding van al hetgeen omtrent het bedrijf van de werkgever of het bedrijf van de opdrachtgever te zijner kennis komt met uitzonderingen van mededelingen aan de partijen bij deze overeenkomst, welke direct of indirect verband houden met de uitvoering van de bepalingen van deze overeenkomst. Indien verlangd dient de werknemer daartoe een geheimhoudingsverklaring te tekenen.
  4. De werknemer die een functie vervult als vermeld in bijlage 4 dient zijn werkzaamheden in uniform te verrichten, tenzij een afwijkende regeling door de werkgever wordt ingesteld. Het uniform dient op de voorgeschreven wijze gedragen en onderhouden te worden.
  5. Het is de werknemer nadrukkelijk verboden alcoholhoudende dranken of bewustzijn beïnvloedende middelen waaronder drugs direct voor of tijdens de dienst te gebruiken of bij zich te hebben. Evenmin zal hij zijn diensten met een naar alcohol ruikende adem aanvangen.
Artikel I.7 Algemene verplichtingen van de vakorganisaties
  1. De vakorganisatie verplicht zich tot nakoming van deze overeenkomst door haar leden te zullen bevorderen en generlei actie te zullen voeren of te zullen steunen, die beoogt wijziging te brengen in deze overeenkomst gedurende de geldende looptijd. Overleg tussen partijen betrokken bij de totstandkoming van deze overeenkomst blijft te allen tijde mogelijk.
  2. De vakorganisatie verplicht zich ingeval zij voornemens is actie(s) te gaan voeren, die het karakter dragen van een arbeidsonderbreking of staking, ook wanneer zij geen betrekking heeft (hebben) op een conflict tussen partijen bij deze overeenkomst, van te voren overleg te plegen met de werkgever.

Hoofdstuk II. Begin en einde dienstverband

Artikel II.1 Indiensttreding en contractvormen
  1. Bij het in dienst treden van de werknemer sluit de werkgever met hem een schriftelijke arbeidsovereenkomst af. Een model van een schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgenomen in bijlage 1 van deze overeenkomst. Alle elementen uit deze model arbeidsovereenkomst worden in de schriftelijke arbeidsovereenkomst opgenomen. Bepalingen in de individuele arbeidsovereenkomst in strijd met bepalingen van deze collectieve overeenkomst worden rechtens nietig geacht. Bijzondere afspraken worden in de individuele arbeidsovereenkomst opgenomen.
  2. Het is de werkgever verboden om een concurrentiebeding op te nemen in de individuele arbeidsovereenkomst van de werknemer.
  3. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst, als bedoeld in artikel II.1.4, geldt wederzijds een proeftijd van twee maanden. In afwijking hiervan geld een proeftijd van een maand bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd korter dan twee jaar, uitgezonderd degenen die in de opleidingsperiode zitten.
  4. Een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan:
    1. hetzij voor onbepaalde tijd;
    2. hetzij voor een bepaalde tijdsduur;
    3. hetzij voor het verrichten van een bepaald geheel van werkzaamheden.
  5. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen:
    1. voor een bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd in een periode langer dan 36 maanden, met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, of
    2. meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.

    Het bepaalde onder a is niet van toepassing op een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor een periode niet langer dan 3 maanden die onmiddellijk volgt op een tussen werkgever en werknemer aangegane arbeidsovereenkomst voor een periode van 36 maanden of langer.
  6. Als tussen werkgever en afroepkracht een voorovereenkomst is gesloten is het bepaalde in artikel 668a B.W. niet van toepassing gedurende de eerste 48 maanden waarin werkzaamheden worden verricht.
    Indien werknemer met een afroepcontract in een aaneengesloten periode van vier loonperioden een gemiddelde arbeidstijd heeft gekend van gemiddeld minimaal 5 uur per week, zal deze op schriftelijk verzoek van de werknemer vanaf de volgende periode worden omgezet in een parttime contract. Bij telling worden de loonperioden 7, 8, 9 en 13 uitgesloten; wel vindt doortelling plaats, d.w.z. na loonperiode 6 volgt periode 10 en na periode 12 volgt periode 1. Indien het gemiddelde niet op hele uren uitkomt, wordt tot een half uur naar beneden afgerond, een half uur en meer naar boven.
  7. Indien een fulltime of parttime contact is aangegaan, is de werknemer verplicht om:
    1. tijdens het dienstverband gedurende de voor zijn functie overeengekomen arbeidstijd voor de werkgever te werken;
    2. alle opdrachten van de werkgever, welke binnen het raam van zijn functie redelijkerwijs aan hem worden gegeven op de tijden en plaatsen welke de werkgever heeft verlangt, uit te voeren.
  8. Bij aanvang van de arbeidsovereenkomst heeft de werknemer met een parttime contract, de keuze om een parttime contract als vast model of als groeimodel aan te gaan conform artikel III.1.5. Mits dit 1 maand van tevoren wordt aangekondigd, kan de keuze van het type parttime contract tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst worden gewijzigd, met dien verstande dat een wijziging van een groeimodel naar een vast model alleen per 1 januari en 1 juli kan ingaan. De keuze wordt door de werkgever gehonoreerd, tenzij zwaarwegende redenen van organisatorisch- of bedrijfsbelang zich daartegen verzetten.
  9. Voor werknemers met een afroepcontract kunnen de in bijlage 1 van deze CAO afgebeelde volgende contractvormen worden gehanteerd:
    1. de arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht;
    2. de voorovereenkomst;
    3. de flexibele jaarovereenkomst
    Voor de werknemer met een afroepcontract wordt artikel 628 B.W. uitgesloten ten aanzien van de niet gewerkte uren.
  10. Indien een werknemer met een parttime contract in een aaneengesloten periode van vier loonperioden een vaste structurele arbeidstijd heeft gekend van meer dan het contractueel aantal overeengekomen uren, zal de arbeidsovereenkomst vanaf de volgende periode in de vaste structurele arbeidstijd worden omgezet. Bij de telling worden de loonperioden 7, 8, 9 en 13 uitgesloten; wel vindt doortelling plaats, d.w.z. na loonperiode 6 volgt periode 10 en na periode 12 volgt periode 1. Indien de vaste structurele arbeidstijd niet op hele uren uitkomt, wordt tot een half uur naar beneden afgerond, een half uur en meer naar boven.
  11. Het is de werknemer, met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd is aangegaan, verboden, anders dan met schriftelijke toestemming van zijn werkgever, tegen beloning voor derden of voor eigen rekening arbeid te verrichten. Toestemming zal slechts worden onthouden wanneer bedoelde nevenactiviteiten verband houden met beveiligings- en/of bewakingswerkzaamheden of naar het oordeel van de werkgever op andere wijze schadelijk kunnen zijn voor het bedrijf van werkgever. Dit verbod geldt niet voor werknemers met een parttime of afroepcontract.
  12. Het dienstverband kan slechts worden aangegaan en bestendigd indien van overheidswege de vereiste toestemming voor het uitoefenen van de functie van beveiligingsbeambte wordt verstrekt en niet wordt ingetrokken.
Artikel II.2 Beëindiging en opzegtermijnen
  1. Bij een arbeidsovereenkomst geldt voor de werknemer en werkgever een opzegtermijn van 2 loonperioden, tenzij bij schriftelijke overeenkomst voor beiden een langere opzegtermijn wordt overeengekomen De opzegtermijn voor beide partijen zal echter nooit minder zijn dan een maand. Opzegging kan geschieden tegen elke dag.
  2. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijdsduur eindigt van rechtswege, zonder dat opzegging vereist is, op de laatste dag van het tijdvak genoemd in de individuele arbeidsovereenkomst, dan wel  op het tijdstip bepaald op grond van artikel 668 lid 1 B.W. Tussentijdse beëindiging is mogelijk bij contracten voor bepaalde tijd met als opzegtermijn 1 maand bij korter dan twee jaar. In overige gevallen 2 maanden.
  3. Voor een werknemer die voor het verrichten van een bepaald geheel van werkzaamheden in dienst is is het einde van de arbeidsovereenkomst gekoppeld aan het einde van de werkzaamheden waarvoor de werknemer is aangenomen. De werkgever zal bij het bekend worden van het einde van de werkzaamheden de werknemer hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling doen.
  4. Indien de werkgever dan wel de werknemer tijdens de proeftijd het dienstverband wenst te verbreken, dient deze wens tenminste 12 uren voordat de diensttijd begint aan de wederpartij kenbaar gemaakt te worden. Bij overtreding van deze bepaling is de overtreder schuldig een bedrag van 8 uren loon.
    1. Het arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer eindigt in ieder geval van rechtswege op de eerste dag van de maand waarin de 65-jarige leeftijd is bereikt dan wel deelnemer wordt in het vut-fonds van de particuliere beveiligingsorganisaties. De arbeidsovereenkomst ook van rechtswege op het moment dat de werknemer op grond van het in de onderneming geldende pensioenreglement pensioengerechtigd wordt, zonder dat hiertoe enige opzegging vereist is.
    2. Indien in afwijking van het onder artikel II.2.5.a bepaalde de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet dan wel een werknemer van 65 jaar en ouder in dienst wordt genomen, zal een termijn van opzegging gelden van 1 loonperiode, waarbij de opzegging kan geschieden tegen elke dag.
    3. Het in artikel 670 lid 1 B.W. (opzegging tijdens arbeidsongeschiktheid) is op een werknemer van 65 jaar en ouder niet van toepassing.
  5. Het bepaalde in artikel 670 lid 3 B.W. (opzeggingsverbod wegens militaire dienstplicht) is op de werknemer niet van toepassing.

Artikel II.3 Schorsing

  1. De werkgever kan de werknemer schorsen:
    1. in het geval, dat een vermoeden bestaat van een ernstig vergrijp;
    2. bij overtreding van de door de werkgever vastgestelde voorschriften en reglementen, met name die met betrekking tot de veiligheid en geheimhouding.
  2. De schorsing zal de betreffende werknemer onverwijld schriftelijk worden medegedeeld met vermelding van de reden(en) en kan ten hoogste zeven dagen bedragen.
  3. Blijkt het vermoeden, dat tot schorsing heeft geleid, juist, dan kan ontslag op staande voet volgen. Blijkt het vermoeden onjuist dan volgt schriftelijke rehabilitatie.
  4. De schorsing ontslaat de werkgever niet van de verplichting het loon van de werknemer door te betalen tijdens de periode van schorsing.
Artikel II.4 Ontslag om dringende redenen

Met het bepaalde in artikel 678 van het B.W. wordt, gelet op de inhoud van de beveiligingsfunctie en de daaraan verbonden specifieke taken, onder meer als dringende reden in de zin van deze wet beschouwd al die gevallen waarin de werknemer:

  1. zich schuldig maakt aan, dan wel direct betrokken is bij, diefstal, verduistering en/of bedrog en/of andere strafbare feiten anders dan verkeersovertredingen, waardoor hij het vertrouwen van de werkgever en/of haar opdrachtgever(s) onwaardig wordt;
  2. zich, ondanks waarschuwing, overgeeft aan dronkenschap of ander liederlijk gedrag, waardoor hij de belangen van de werkgever en/of haar opdrachtgever(s) schaadt of kan schaden;
  3. opzettelijk of ondanks waarschuwing roekeloos eigendommen van de werkgever en/of opdrachtgever(s) beschadigt dan wel zichzelf, anderen en/of voornoemde eigendommen aan ernstig gevaar blootstelt;
  4. het alleen door hem te beveiligen object onbeheerd achterlaat, dan wel het mede door hem te beveiligen object vroegtijdig verlaat, zonder dat hiertoe een dringende noodzaak aanwezig is en/of de desbetreffende instructie voldoende mate zijn opgevolgd;
  5. door opzet of grove onachtzaamheid bijzonderheden en aangelegenheden, waarvan met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat zij voor de werkgever en/of opdrachtgever(s) een geheim karakter hebben, bekend gemaakt.
Alvorens over te gaan tot het om dringende redenen beëindigen van de arbeidsovereenkomst kan de werkgever, afhankelijk van de noodzaak tot het instellen van een onderzoek, besluiten de werknemer te schorsen als omschreven in artikel II.3. Een onmiddellijke beëindiging van een arbeidsovereenkomst zal de betreffende werknemer onverwijld schriftelijk, met vermelding van de reden(en), worden medegedeeld.


Hoofdstuk III. Algemene regels arbeidsduur en arbeidstijd

Artikel III.1 Algemeen
  1. Arbeidsduurverkorting
    1. Het aantal ADV-dagen per jaar is vastgesteld op 13 dagen. In de perioden 7,8,9, en 13 behoeven geen ADV-dagen in het dienstrooster te worden opgenomen.
    2. Aan werknemers met een parttime contract zal de arbeidsduurverkorting naar evenredigheid worden toegewezen.
    3. Aan werknemers met een afroepcontract zal vanwege het karakter van zijn overeenkomst geen arbeidsduurverkorting worden toegewezen, deze ontvangen plaatsvervangend hiervoor een toeslag van 5% over het basisuurloon; als element opgenomen in de loontoeslag werknemer met een afroepcontract.
    4. Voor maximaal 5 ADV-dagen geldt dat deze worden vastgesteld en medegedeeld aan de werknemer bij de donderdagse weekindeling, voorafgaand aan de week waarin de ADV-dag wordt vastgesteld. Voor de overige ADV-dagen geldt dat deze tenminste 28 dagen tevoren worden vastgesteld en medegedeeld aan de medewerker.
    5. Onverminderd het bepaalde in de volgende alinea kan de werkgever per loonperiode meerdere ADV-dagen inroosteren, tot een maximum van 3 ADV-dagen per loonperiode.
    6. De werkgever kan slechts met instemming van de werknemer een ADV-dag intrekken. Deze ingetrokken ADV-dag zal in overleg met de werknemer uiterlijk in de volgende loonperiode in tijd worden gecompenseerd, door het toekennen van een vervangende ADV-dag; naast een eventueel eerder toegekende ADV-dag. Een vastgestelde ADV-dag vervalt (wordt niet gecompenseerd) als deze wegens arbeidsongeschiktheid of bijzonder verlof niet kan worden genoten.
    7. Uitruil van ADV-dagen is mogelijk alsmede het het toepassen van een keuzesysteem met betrekking tot een alternatieve benutting van ADV-dagen. Beide zaken dienen op ondernemingsniveau nader te worden ingevuld in overleg tussen werkgever en ondernemingsraad, dan wel vakorganisaties.
    8. Op fulltimebasis wordt de waarde van een ADV-dag bepaald door het basisuurloon te vermenigvuldigen met factor 8. Op parttimebasis gebeurt dit naar rato van de omvang van het dienstverband.
  2. Arbeidsduur
    1. De arbeidsduur bedraagt, met inachtname van lid 1, bij een volledig dienstverband gemiddeld 40 uur per week.
    2. Tot de arbeidsduur behoren alle arbeidsuren.
  3. Uitbetaling minimum-uren per oproep

  4. Indien bij oproep door de werkgever bij opkomst van de werknemer geen gebruik wordt gemaakt van zijn diensten, is de werkgever verplicht om aan de werknemer drie basisuurlonen met de daarop van toepassing zijnde reiskosten en reistijdenvergoeding te verstrekken.
  5. Uitbetaling bij diensten korter dan 3 uur

  6. Indien een dienst wordt verricht die korter duurt dan 3 uur, niet zijnde een gebroken dienst, dan worden aan de werknemer toch drie gewerkte uren berekend en betaald. Voor een gebroken dienst geld, dat één van de twee dienstdelen minimaal 3 uur lang moet zijn indien dit niet het geval is geldt dat voor één van de twee dienstdelen toch 3 gewerkte uren berekend en betaald worden.
  7. Vormen van parttime contract

  8. Het parttime contract wordt aangegaan volgens een 'vast model', waarbij het aantal overeengekomen uren niet mag worden overschreden, of volgens een 'groeimodel', waarbij het aantal uren tot een maximum van 176 per loonperiode wel mag worden overschreden.
  9. De werknemer heeft per loonperiode recht op toekenning van acht roostervrije dagen. De toekenning van acht roostervrije dagen geldt ook voor de werknemer met een parttime contract.
Artikel III.2 Arbeidstijd
  1. Fulltime contract.
    1. Bij een fulltime contract is de normale arbeidstijd van de werknemer gemiddeld 40 uur per week.
    2. Voor een werknemer met een fulltime contract wordt de arbeidstijd via een vast rooster, via een invulrooster, of via een algemeen reserverooster voorafgaand aan de werkzaamheden vastgelegd.
  2. Parttime contract.

  3. Voor een werknemer met een parttime contract wordt de arbeidstijd via een vast rooster, via een invulrooster, of via een algemeen reserverooster voorafgaand aan de werkzaamheden vastgelegd.
  4. Afroepcontract.

  5. Bij een werknemer met een afroepcontract wordt de arbeidstijd in onderling overleg tussen werkgever en werknemer per dienst vastgesteld.
Artikel III.3 Overwerk
  1. Voor zover de bepalingen in deze regeling, deze overeenkomst en de wettelijk bepalingen dit toestaan, is de werknemer verplicht langer dan 40 uur te werken, indien zulks in het belang van de onderneming noodzakelijk is. De verplichting tot overwerk geldt tot een maximale arbeidstijd van 176 uur per loonperiode. De werkgever zal overwerk overigens zoveel mogelijk voorkomen.
  2. Een werknemer met een parttime overeenkomst kan niet verplicht worden tot overwerk.

Artikel III.4 Algemene normen arbeids- en rusttijden

  1. Met inachtname van het bepaalde in deze overeenkomst en de Arbeidstijdenwet gelden de volgende regelingen terzake arbeids- en rusttijden.
  2. Wekelijkse onafgebroken rusttijd:
    1. de werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer een onafgebroken rusttijd heeft van hetzij tenminste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur, hetzij tenminste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren, welke rusttijd eenmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren;
    2. de onder lid a. bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer arbeid verricht.
  3. Dagelijkse onafgebroken rusttijd:

  4. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer een onafgebroken rusttijd heeft tenminste 11 uren in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren, welke eenmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren worden ingekort tot 8 uren. De in de vorige volzin bedoelde tijdruimte vangt aan op het eerste tijdstip van de dag, waarop de werknemer arbeid verricht.
  5. Zondagsarbeid:

  6. De werknemer heeft minimaal 16 vrije zondagen per 52 weken. Bij de inroostering daarvan gelden de navolgende uitgangspunten:
  7. Maximum arbeidstijden (structureel):

  8. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer ten hoogste 10 per dienst, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken gemiddeld 50 uren en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 45 uren per week arbeid verricht.
  9. Arbeid in nachtdienst:

  10. Met de inachtname van artikel 5 van dit artikel geldt ten aanzien van de werknemer, die arbeid verricht in nachtdienst, dat hij:
    1. ten hoogste 9 uren per nachtdienst en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht.
    2. in elke periode van 13 achtereenvolgende weken:
    3. voor de werknemer die werkzaamheden verricht die uitsluitend of in hoofdzaak uit mobiele surveillance bestaan, organiseert de werkgever de arbeid zodanig, dat de werknemer die arbeid verricht in nachtdienst in elke periode van 13 achtereenvolgende weken:
    4. na het verrichten van arbeid in nachtdienst, welke arbeid eindigt na 02.00 uur, een onafgebroken rusttijd van 14 uren, welke rusttijd eenmaal in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren worden ingekort tot 8 uren.
    5. na een reeks van tenminste 3 en ten hoogste 7 maal achtereen arbeid te hebben verricht in nachtdienst, een onafgebroken rusttijd heeft van 48 uren.
    6. Procedure bij dispensatieverlening ad b) en c): Op ondernemingsniveau neemt de werkgever het initiatief naar de vakbonden. Inhoudelijk overleg vindt plaats binnen 2 tot 4 weken na dat initiatief; na inhoudelijk overleg en akkoord wordt een dispensatie-verzoek ingediend bij CAO-partijen. Na marginale toetsing verlenen CAO-partijen binnen 2 weken dispensatie.
  11. Maximum arbeidstijden bij overwerk (incidenteel):

  12. Van de leden 5 en 6 van dit artikel kan, uitsluitend ten aanzien van de arbeidstijd, worden afgeweken, indien zich een onvoorziene wijziging van omstandigheden, incidenteel en niet-periodiek, voordoet, of de aard van de arbeid, incidenteel en voor korte tijd, dergelijke afwijkingen noodzakelijk maakt. In dat geval verricht de werknemer arbeid ten hoogste 12 uur per dienst, 60 uren per week en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 48 uren per week. Indien de arbeid geheel of gedeeltelijk wordt verricht in nachtdienst, geldt, onverminderd hetgeen in de vorige volzin is bepaald, dat de werknemer ten hoogste 10 uren per nachtdienst en in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld 40 uren per week arbeid verricht.
  13. Pauze:
    1. De arbeid van een werknemer wordt, indien hij meer dan 5,5 uren arbeid per dienst verricht, afgewisseld door een pauze;
    2. Met inachtname van het vorige lid en de wettelijke bepalingen wordt de arbeid van een werknemer:
    3. Een van de pauzes bedoeld in onderdeel b., bedraagt ten minste een half uur aaneengesloten.
    4. De hierboven bedoelde pauzes, vangen aan en eindigen in de periode, gelegen tussen 2 uren na aanvang en 2 uren voor einde van de arbeid.
    5. Voor de werknemers werkzaam als objectbeveiliger/receptionist organiseert de werkgever de in lid a. bedoelde pauze per dienst in twee delen van 15 minuten. Indien deze toepassing door de bestaande organisatie in het bedrijf tot kennelijk onredelijk gevolgen leidt dan wel er in het bedrijf bijzondere omstandigheden gelden, kan het bedrijf zulks aan de sociale commissie voorleggen en hen per object om dispensatie verzoeken;
    6. Uitsluitend de werknemer die beveiligingswerkzaamheden verricht zonder enig direct contact met een andere werknemer die vergelijkbare werkzaamheden verricht, kent geen pauze. de werkgever organiseert dan wel de arbeid zodanig, dat de werknemer in elke periode van 13 achtereenvolgende weken gemiddeld ten hoogste 40 uren per week arbeid verricht.
  14. Consignatie:
      1. Onder consignatie wordt in dit artikel verstaan: een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de werknemer uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.
      2. De werkgever organiseert de arbeid zodanig, dat de werknemer:
        1. ten minste gedurende 2 maal een aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren in elke periode van 4 achtereenvolgende weken geen consignatie krijgt opgelegd;
        2. tijdens de in deze overeenkomst voorgeschreven onafgebroken rusttijd direct voorafgaand aan een nachtdienst en direct volgend op een nachtdienst geen consignatie wordt opgelegd.
        3. ten hoogste 13 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren en 60 uren per week arbeid verricht;
        4. ten hoogste gemiddeld 45 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken arbeid verricht.
      3. Indien de consignatie geheel of gedeeltelijk de periode van 00.00 tot 06.00 uur bestrijkt, organiseert de werkgever in afwijking van onderdeel 2. sub d., de arbeid zodanig, dat de werknemer ten hoogste 40 uren per week in elke periode van 13 achtereenvolgende weken arbeid verricht.
      4. Voor de toepassing van onderdeel 2 en 3. vangt de arbeidstijd aan op het moment van de oproep als bedoeld in onderdeel 1. Indien binnen een half uur na beëindiging van de arbeidstijd die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in onderdeel 1., opnieuw een dergelijke oproep wordt gedaan, is de tussenliggende tijd arbeidstijd. Indien binnen een half uur één of meer keren arbeid voortvloeiend uit een oproep als bedoeld in onderdeel 1. wordt verricht, wordt de arbeidstijd geacht tenminste een half uur te bedragen.
      5. De arbeid die voortvloeit uit een oproep als bedoeld in onderdeel 1. wordt voor de toepassing van de leden 2, 3, 6 onderdeel d en e, 8 onderdeel a, b en e buiten beschouwing gelaten.
    1. Met inachtname van het bepaalde in deze overeenkomst en de wettelijke bepalingen:
    2. kan de werknemer niet verplicht worden tot consignatie-diensten langer dan een week. Per twee weken geldt een consignatie van maximaal een week. Bij consignatie tussen 00.00 en 06.00 uur maximaal eenmaal per drie weken.
      Een werknemer kan niet worden geconsigneerd gedurende:
    3. Werknemers van 55 jaar en ouder kunnen slechts op vrijwillige basis geconsigneerd worden.
Artikel III.5 Aanvullende regels bij een vast rooster
  1. Toepassing van een lid van dit artikel mag niet leiden tot overtreding van een ander bepaling in deze overeenkomst of de wettelijk regels.
  2. Een vast rooster kan slechts in overleg met de betrokken werknemers tot stand komen of gewijzigd worden en wordt minimaal 7 dagen voor aanvang van de eerste roosterperiode door de werkgever schriftelijk aan de werknemer bevestigd.
  3. Voor de werknemer met een vast rooster zijn de roostervrije dagen opgenomen in het rooster, waarbij de werknemer recht heeft op toekenning van gemiddeld acht roostervrije dagen per vier weken, waarbij minimaal sprake is van twee perioden van twee aaneengesloten roostervrije dagen, waarvan één periode als roostervrij weekend wordt aangewezen.
  4. Voor de werknemer met een fulltime contract geldt dat wanneer een vast rooster meer arbeidsuren bevat dan de in artikel III.2. sub A. genoemde arbeidstijd, met een maximum per roosterperiode van gemiddeld 42 uur per week, de werknemer verplicht is dit rooster te aanvaarden.
  5. Voor de werknemer met een vast rooster worden ADV-dagen in het dienstrooster opgenomen.
  6. De werkgever kan de werknemer éénmaal per loonperiode verplichten werkzaamheden te verrichten op een eerder vastgestelde roostervrije dag.
  7. De werkgever wordt aanbevolen een zogenaamd 'voorwaarts-rotatieschema' aan te houden (dag-avond-nacht).
  8. De werkgever zal verzoeken van de werknemer om zijn dienstrooster aan te passen in verband met zijn opvoedingstaken in het gezin honoreren, indien dit organisatorisch mogelijk is en dit past in de bedrijfsvoering.
  9. Indien in het vaste rooster zgn. invaldiensten zijn opgenomen, verplicht de werkgever zich met inachtname van de bepalingen in deze CAO en de wettelijke bepalingen, uiterlijk op de donderdag voorafgaande aan de week waarin de invaldienst is gepland, de bloktijd voor deze dienst schriftelijk vast te leggen.
  10. Indien de bloktijd door de werkgever niet of niet tijdig is vastgesteld, wordt er van uitgegaan dat dagblokken zijn vastgesteld.
  11. Na de donderdagse weekindeling mag de werkgever slechts met instemming van de werknemer een dienst aanzeggen die geheel of gedeeltelijk buiten de vastgestelde bloktijd valt.
Artikel III.6 Aanvullende regels bij een invulrooster
  1. Toepassing van een lid van dit artikel mag niet leiden tot overtreding van een ander bepaling in deze overeenkomst of de wettelijk regels.
  2. Bij de vaststelling van de roostervrije dagen bij een invulrooster heeft de werknemer, verdeeld over een periode van vier achtereenvolgende weken, recht op toekenning van acht roostervrije dagen, waarvan minimaal twee perioden twee aaneengesloten roostervrije dagen zijn, waarvan één periode een roostervrij weekend is.
  3. De werkgever stelt uiterlijk 28 dagen voorafgaande aan de loonperiode, de binnen deze periode vallende 8 roostervrije dagen vast. De werknemer die volgens een invulrooster, heeft het recht om zijn voorkeur voor deze 8 roostervrije dagen kenbaar te maken door middel van een schriftelijk verzoek. Dit schriftelijke verzoek dient de werkgever uiterlijk 35 dagen voorafgaan de aan de loonperiode bij de werkgever in te dienen. Indien de werkgever niet 28 dagen voorafgaande aan de loonperiode schriftelijk bezwaar tegen het verzoek indient en dienaangaande geen alternatieve roostervrije dagen worden aangewezen, gelden de door de werknemer aangevraagde dagen als roostervrije dagen.
  4. Van de in lid 2 van dit artikel genoemde acht roostervrije dage is de werkgever verplicht tenminste één roostervrij weekend en twee andere roostervrije dagen vast te leggen. de werkgever kan de werknemer niet verplichten op deze vier speciaal vastgelegde roostervrije dagen werkzaamheden te verrichten. De werknemer kan aan de werkgever zijn voorkeur voor deze speciaal vast te stellen roostervrije dagen opgeven.
  5. Van de na toepassing van lid 4 van dit artikel overblijvende vier roostervrije dagen, kan de werkgever gedurende de loonperiode maximaal twee roostervrije dagen wijzigen door deze dagen te verschuiven of in te trekken. Het verschuiven van een roostervrije dag dient te geschieden door het in overleg met de werknemer vaststellen van een vervangende roostervrije dag elders in dezelfde loonperiode. Tot het intrekken van een roostervrije dag, zonder het vaststellen van een vervangende roostervrije dag, is de werkgever echter slechts éénmaal per loonperiode gerechtigd.
  6. Voor de werknemer met een invulrooster worden ADV-dagen uiterlijk 28 dagen voorafgaande aan de loonperiode in het dienstrooster opgenomen.
  7. De werkgever wordt aanbevolen een zogenaamd 'voorwaarts-rotatieschema' aan te houden (dag-avond-nacht).
  8. De werkgever zal verzoeken van de werknemer om zijn dienstrooster aan te passen in verband met zijn opvoedingstaken in het gezin honoreren, indien dit organisatorisch mogelijk is en dit past in de bedrijfsvoering.
  9. De resterende dagen worden aangemerkt als werkdagen. De werkgever verplicht zich met inachtname van de bepalingen in deze CAO en de wettelijke bepalingen, uiterlijk voor donderdag voorafgaande aan de week waarin deze werkdagen zijn gepland, de bloktijden voor deze diensten schriftelijk vast te leggen.
  10. Indien de bloktijd door de werkgever niet of niet tijdig is vastgesteld, wordt er van uitgegaan dat dagblokken zijn vastgesteld.
  11. Na de donderdagse weekindeling mag de werkgever slechts met instemming van de werknemer een dienst aanzeggen die geheel of gedeeltelijk buiten de vastgestelde bloktijd valt.
Artikel III.7 Aanvullende regels bij een algemeen reserverooster
  1. Toepassing van een lid van dit artikel mag niet leiden tot overtreding van een ander bepaling in deze overeenkomst of de wettelijk regels.
  2. De werkgever stelt uiterlijk 28 dagen voorafgaande aan de loonperiode, de binnen deze periode vier van de acht roostervrije dagen vast. De werknemer die volgens een algemeen reserverooster arbeid verricht, heeft het recht om zijn voorkeur voor deze 4 roostervrije dagen kenbaar te maken door middel van een schriftelijk verzoek. Dit schriftelijke verzoek dient de werkgever uiterlijk 35 dagen voorafgaan de aan de loonperiode bij de werkgever in te dienen. Indien de werkgever niet 28 dagen voorafgaande aan de loonperiode schriftelijk bezwaar tegen het verzoek indient en dienaangaande geen alternatieve roostervrije dagen worden aangewezen, gelden de door de werknemer aangevraagde dagen als roostervrije dagen.
  3. De overige 4 roostervrije dagen worden door de werkgever vastgesteld.
  4. Vier in het rooster vastgestelde roostervrije dagen dien in twee perioden van twee aaneengesloten roostervrije dagen, waarvan één periode een roostervrij weekend is.
  5. De werkgever kan de in lid vier bedoelde roostervrije dagen gedurende de loonperiode verschuiven door het in overleg met de werknemer vaststellen van een vervangende roostervrije dag elders in dezelfde loonperiode.
  6. Van de 8 roostervrije dagen mag de werkgever, zonder het vaststellen van een vervangende roostervrije dag elders binnen dezelfde periode 1 roostervrije dag intrekken.
  7. Voor de werknemer met een algemeen reserverooster worden ADV-dagen uiterlijk 28 dagen voorafgaande aan de loonperiode in het dienstrooster opgenomen.
  8. De werkgever wordt aanbevolen een zogenaamd 'voorwaarts-rotatieschema' aan te houden (dag-avond-nacht).
  9. De werkgever zal verzoeken van de werknemer om zijn dienstrooster aan te passen in verband met zijn opvoedingstaken in het gezin honoreren, indien dit organisatorisch mogelijk is en dit past in de bedrijfsvoering.
  10. Naast een consignatieregeling is er een zogenaamde bereikbaarheidsregeling. Kenmerk van de bereikbaarheidsregeling is dat de betrokken werknemer niet geacht wordt feitelijk voor het uitvoeren van werkzaamheden op te komen, anders dan voor de eerstvolgende dienst.
  11. De bereikbaarheidsregeling sluit een consignatieregeling niet uit.
Artikel III.8 Recht op een parttime dienstverband

Een werknemer met een fulltime contract kan bij zijn werkgever schriftelijk het verzoek doen zijn arbeidsovereenkomst om te zetten in een parttime contract. De werkgever zal dit toestaan indien dit niet stuit op een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang, zoals bedoeld in de Wet Aanpassing Arbeidsduur (W.A.A.).
Een eventuele afwijzing van het verzoek zal door de werkgever schriftelijk en met redenen omkleed geschieden. De werknemer heeft het recht op grond van bedoelde schriftelijk afwijzing de Sociale Commissie te vragen advies uit te brengen over de vraag of dit kennelijk onredelijk is.

Artikel III.9 Transporturen

  1. Per periode kan de werkgever besluiten om, indien meer is gewerkt dan de contractuele arbeidsduur, maximaal acht uur te reserveren voor compensatie in tijd. De bepaling in dit artikel gaat boven het gestelde in artikel IV.11.5.
  2. In totaal kan maximaal 16 uur worden gereserveerd voor compensatie in tijd.
  3. Indien gedurende 13 periodes eenzelfde tegoed blijft staan, wordt dit uitbetaald.
  4. Per periode vindt altijd uitbetaling van het aantal overeengekomen contracturen plaats, en wel volgens het basisuurloon plus werkelijke onregelmatigheidstoeslag. De toeslag voor overwerk wordt altijd uitbetaald.
  5. In het kader van de transporturen krijgt de medewerker periodiek inzicht in het saldo transporturen.
  6. Met ingang van loonperiode 9 van 2003 zal de werkgever geen aanspraak meer kunnen maken op hetgeen bepaald is in de leden a tot en met e. Het saldo transporturen op grond van de leden a tot en met e zal per genoemde loonperiode worden uitbetaald.

Hoofdstuk IV. Salarisbepalingen

Artikel IV.1 Functiegroepen
  1. De werknemer wordt naar de aard van de door hem te verrichten arbeid en vereiste bekwaamheid door de werkgever als beveiligingsbeambte aangesteld in één van de functies uit de zes functiegroepen als genoemd in bijlage 4 van deze overeenkomst. Bepalend voor de aanstelling is de aard van de werkzaamheden die de beveiligingsbeambte grotendeels (d.w.z. minstens 50% van de overeengekomen arbeidstijd) verricht.
  2. De werknemer wordt als regel in de functiegroep objectbeveiliger/receptionist aangesteld. Aanstelling in een andere functiegroep vindt plaats zodra de werknemer aan de vereisten van de andere functiegroep voldoet. Bij dit laatste wordt de in lid 1 van dit artikel genoemde 50%-criterium in acht genomen, evenals de eis dat de werkzaamheden van de werknemer een structureel karakter moeten hebben. Is dit laatste niet het geval, dan kan artikel IV.5 omtrent functiewaarneming van toepassing zijn.
  3. Iedere functiegroep is op basis van kennis, ervaring en leidinggevende aspecten onderverdeeld in een aantal functies. De voorwaarden die verbonden zijn aan de aanstelling in de juiste functie zijn vermeld in bijlage 4 van deze overeenkomst.
  4. De werknemer ontvangt bij indiensttreding schriftelijk mededeling in welke functie en functiegroep hij ingedeeld. Bij tussentijds wijziging wordt de werknemer daarvan schriftelijk in kennis gesteld.
  5. De in bijlage 4 genoemde keuzebevorderingen voor verantwoordelijke en leidinggevende functies liggen bij de werkgever en zijn afhankelijk van de organisatorische ruimte in een onderneming.
Artikel IV.2 Salarisschalen
  1. Bij de functiegroepen behoort een salarisgebouw dat voor elke functie een salarisschaal omvat gebaseerd op periodieken. Voor de werknemer beneden de vakvolwassen leeftijd zijn in plaats van periodieken leeftijdsjaren van toepassing. Het salarisgebouw is opgenomen in bijlage 5 van deze overeenkomst.
  2. De werknemer ontvangt bij indiensttreding schriftelijk mededeling in welke salarisschaal hij is ingedeeld, zijn basissalaris en het aantal periodieken of leeftijdsjaren waarop zijn basissalaris is gebaseerd.
  3. Voor de werknemer die met de werkgever een leer-arbeidsovereenkomst in het kader van de Wet Educatie Beroepsonderwijs (BLL/BOL) heeft afgesloten, geldt in afwijking van het basissalaris als genoemd in bijlage 5, dat hij uitsluitend gedurende de eerste 4 weken van de opleiding een basissalaris ontvangt, dat 50% van het in de salarisschalen vermelde basissalaris bedraagt.
Artikel IV.3 Toepassing van de salarisschalen
  1. De werknemer met een fulltime contract die de vakvolwassen leeftijd heeft bereikt:
    1. de werknemer ontvangt een basissalaris zoals aangegeven in de salarisschaal behorende bij zijn functie in de functiegroep waar hij is ingedeeld;
    2. de werknemer ontvangt bij indiensttreding als regel het aanvangssalaris van de voor hem geldende salarisschaal. Aan een nieuwe werknemer kunnen op grond van elders verkregen vaardigheden en/of opgedane ervaring één of meer extra periodieken worden toegekend;
    3. het basissalaris wordt éénmaal per jaar opnieuw vastgesteld, door toekenning van een extra periodiek, voor zover het einde van de schaal nog niet is bereikt. Deze periodiek verhoging vindt jaarlijks plaats op de datum van indiensttreding van de werknemer bij de werkgever. Aan de werknemer die voor of op 1 april 1991 in dienst is getreden, wordt deze periodieke verhoging in afwijking van het hiervoor gestelde jaarlijks op de eerste dag van de eerste loonperiode toegekend.
  2. De werknemer met een fulltime contract beneden de vakvolwassen leeftijd:
    1. Deze werknemer ontvangt het basissalaris behorende bij zijn leeftijd en bij zijn functie in de functiegroep waar hij is ingedeeld, zoals aangegeven in de leeftijdschaal;
    2. verhogingen op grond van de leeftijd worden toegekend met ingang van de loonperiode waarin de werknemer jarig is.
  3. De werknemer met een parttime contract:

  4. Deze werknemer ontvangt een basissalaris als vastgesteld onder lid 1 respectievelijk lid 2 naar evenredigheid berekend aan de hand van de overeengekomen uren.
  5. De werknemer met een afroepcontract:

  6. Deze werknemer ontvangt een basissalaris als vastgesteld onder lid 1 respectievelijk lid 2 naar evenredigheid berekend aan de hand van het aantal daadwerkelijke arbeidsuren.
  7. Bevordering van een werknemer naar een hogere salarisschaal:
    1. Plaatsing in een hogere salarisschaal vindt plaats met ingang van de loonperiode waarin bevordering naar een hogere salarisschaal plaats vindt. Bevordering naar een hogere salarisschaal op basis van het behalen van een daarvoor vereist diploma (bijv. het basisdiploma beveiligingsbeambte), vindt plaats met ingang van de loonperiode volgende op die, waarin de werknemer het diploma overhandigt aan de werkgever;
    2. bij bevordering van een werknemer naar een hogere salarisschaal behoudt de werknemer minimaal het door hem opgebouwde aantal periodieken of leeftijdsjaren. De werknemer schuift binnen de salarisschalen horizontaal door, tenzij het aantal periodieken of leeftijdsjaren verhoogd moet worden omdat anders geen inschaling in de nieuwe salarisschaal kan plaatsvinden;
    3. indien tegelijkertijd met de bevordering een periodieke verhoging of leeftijdsverhoging van toepassing is, wordt deze tegelijkertijd met de bevordering aan de werknemer toegekend;
    4. in het geval van een keuzebevordering naar een hoger functieniveau kan in afwijking van het voorgaande eerste sprake zijn van een tijdelijke aanstelling van maximaal zes maanden, waarna een beslissing volgt omtrent effectuering van de bevordering of terugplaatsing. Gedurende deze tijdelijke aanstelling ontvangt de werknemer een salaris gebaseerd op functiewaarneming.
Artikel IV.4 Loonwijzigingen
  1. Op de eerste dag van de eerste loonperiode van 2003 worden zowel de schaalse salarissen als de overige salarissen verhoogd met 4%.
  2. Op de eerste dag van de eerste loonperiode van 2004 worden zowel de schaalse salarissen als de overige salarissen verhoogd met 1% plus de procentuele stijging van de consumentenprijsindex (CPI) werknemers laag-afgeleid, vastgesteld door het Centraal Buro voor de Statistiek voor de maand oktober 2003 ten opzichte van de maand oktober 2002.
Artikel IV.5 Functiewaarneming
  1. De werknemer die op verzoek van de werkgever een organiek bepaalde functie waarneemt die in een hogere salarisschaal is ingedeeld dan zijn eigen functie, ontvangt gedurende de tijd van waarneming per arbeidsuur een toeslag op zijn basisuurloon. Deze waarneming kan maximaal zes maanden duren, waarna conform artikel IV.3 lid 5 sub d een besluit tot bevordering of terugplaatsing genomen moet worden.
  2. Bij waarneming van een functie die één salarisschaal hoger is ingedeeld bedraagt deze toeslag per basisuurloon 0,14. Bij waarneming van een functie die twee salarisschalen hoger is ingedeeld bedraagt de toeslag per basisuurloon 0,32. Bij waarneming van een functie die drie of meer salarisschalen hoger is ingedeeld bedraagt deze toeslag per basisuurloon 0,54.
  3. De werknemer die tijdelijk geplaatst wordt in een lagere salarisschaal ingedeelde functie blijft in zijn oude salarisschaal ingedeeld.
Artikel IV.6 Berekening toeslagen
  1. De in artikel IV.7 tot en met artikel IV.11 van deze overeenkomst genoemde toeslagen worden alle berekend over het voor de werknemer geldende basisuurloon.
  2. De toeslagen worden ook over delen van een uur uitbetaald en kunnen niet met elkaar verrekend worden tenzij anders vermeld.
Artikel IV.7 Betaling van arbeid op bijzondere uren
  1. Indien dienst wordt gedaan op weekenddagen tussen zaterdag 00.00 uur en zondag 24.00 uur, zal boven het basissalaris een toeslag worden verstrekt van 35% over deze uren.
  2. Indien dienst wordt gedaan op maandag tot vrijdag 00.00 uur en 07.00 uur, zal boven het basissalaris een toeslag worden verstrekt van 20% over de gewerkte uren.
  3. Indien dienst wordt gedaan op maandag tot vrijdag 18.00 uur en 24.00 uur, zal boven het basissalaris een toeslag worden verstrekt van 10% over de gewerkte uren.
  4. Tijdens de arbeid op oudejaarsdag, geld m.i.v. loonperiode 9 van 2003 een toeslag van 100% op ieder gewerkt uur na 16.00 uur.
Artikel IV.8 Betaling van arbeid op eerder vastgestelde roostervrije dagen
  1. Voor de werknemer die in het voor hem vastgestelde vast rooster of invulrooster door de werkgever verplicht wordt om op een eerder vastgestelde roostervrije dag een dienst te verrichten, geldt een toeslag van 30% over het voor hem geldende basisuurloon.
  2. Voor de werknemer algemeen reserve die werkzaam is in een algemeen reserverooster en die door de werkgever verplicht wordt op de in het rooster vastgelegde vier roostervrije dagen een dienst te verrichten, geldt een toeslag van 70% over het voor hem geldende basisuurloon.
  3. In geval de werkgever verzuimt de roostervrije dagen in het rooster op te nemen, dan wel als na afloop van de loonperiode blijkt dat de werknemer de acht roostervrije dagen niet heeft genoten, geldt voor het verrichten van arbeid op alle dagen boven de 20 per loonperiode, de toeslag welke geldt voor het werken op een eerder vastgestelde vrije dag. In dit kader wordt verwezen naar de regeling opgenomen onder artikel III.3 en III.4.
  4. Desgewenst kan de werknemer de gewerkte uren in vervangende vrije tijd opnemen met behoud van de toeslag. Het tijdstip van opname van de vervangende vrije tijd wordt in overleg met de werkgever vastgesteld.
  5. Indien na de donderdagse weekindeling een werknemer een dienst verricht die geheel of gedeeltelijk buiten de vastgestelde bloktijden valt, geldt over de hele diensttijd een toeslag van 10% over het geldende basisuurloon.
  6. Met ingang van loonperiode 9 van 2003 geldt dat, ook indien er geen sprake is van een door de werkgever opgelegde verplichting, zoals bedoeld in de eerste 2 leden van dit artikel, de in deze leden genoemde toeslagen uitbetaald dienen te worden.
Artikel IV.9 Toeslag werknemer algemeen reserve
  1. De werknemer met een rooster als beschreven in artikel III.7 ontvangt een toeslag van 10% over het voor hem geldende basissalaris.
  2. De duur van de toeslag is gekoppeld aan de duur van een aanstelling, die schriftelijk geschiedt voor een periode van minimaal 1 jaar en die telkens met een periode van minimaal 1 jaar kan worden verlengd.
  3. De aanstelling kan na afloop van iedere termijn worden beëindigd door een wijziging in de structuur of ingrijpende wijziging in de organisatie van de onderneming, door hergunning c.q. contractswisseling, disfunctioneren van de werknemer, of door omstandigheden van vergelijkbare aard.
  4. Tussentijdse wijziging om andere redenen is slechts met instemming van de werknemer mogelijk.
  5. De benoeming wordt schriftelijk in een aanvullende overeenkomst vastgelegd en aan de werknemer verstrekt.
Artikel IV.10 Betaling van arbeid op feestdagen
    1. Tijdens de arbeid op feestdagen, vallend op een doordeweekse dag, geldt een toeslag van 50% op iedere gewerkt uur tussen 00.00 en 24.00 uur. Op Oudejaarsdag geldt de toeslag na 16.00 uur. Indien de toeslag samenvalt met de toeslag uit artikel IV.7 wordt slechts de toeslag uit dit lid uitbetaald en vervalt de toeslag uit artikel IV.7.
    2. Tijdens de arbeid op feestdagen, vallend in het weekend, geldt een toeslag van 50% op iedere gewerkt uur tussen 00.00 en 24.00 uur, naast de (weekend)toeslag, zoals vermeld in artikel IV.7.1. Op Oudejaarsdag geldt de toeslag na 16.00 uur.
  1. Voor de werknemer met een fulltime contract geldt naast het bepaalde in lid 1, dat voor iedere feestdag, die valt op een doordeweekse dag, het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, wordt verhoogd met 8 uur. Voor de werknemer met een fulltime contract die op een dergelijk feestdag geen arbeid verricht en niet roostervrij is, zal deze feestdag worden aangemerkt als vakantiedag.
  2. Voor de werknemer met een parttime contract geldt naast het bepaalde in lid 1, dat indien hij arbeid verricht op een doordeweeks feestdag, het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, wordt verhoogd met het aantal op de betreffende feestdag verrichte arbeidsuren, met een maximum van 8 uren.

  3. Voor de werknemer met een parttime contract geldt naast het bepaalde in lid 1, dat indien hij geen arbeid verricht op een doordeweeks feestdag, het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, wordt verhoogd met het aantal uren gelijk aan het aantal uren zoals gepland in het rooster, met een maximum van 8 uur. Indien er sprake is van een roostervrije dag zal het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, worden verhoogd met 20% van de in artikel III.2 overeengekomen arbeidstijd per week. Voor de werknemer met een parttime contract geldt voorts dat indien hij op een dergelijk feestdag geen arbeid verricht en niet roostervrij is, deze feestdag aangemerkt wordt als een vakantiedag.
  4. Voor de werknemer met een afroep-contract geldt op feestdagen een toeslag van 100% op ieder gewerkt uur tussen 00.00 en 24.00 uur. Op Oudejaarsdag geldt de toeslag na 16.00 uur. Indien de toeslag van dit lid samenvalt met de toeslag uit artikel IV.7 wordt slechts de toeslag uit dit artikel betaald en vervalt de toeslag uit artikel IV.7.

    Met ingang van loonperiode 9 van 2003 komen de leden 1a tot en met 4 te vervallen. De leden 5a tot en met 8 zijn dan van toepassing.
    1. Tijdens de arbeid op feestdagen, vallend op een doordeweekse dag, geldt, naast de toeslagen die van toepassing zijn op grond van de artikelen IV.7 lid 2 en IV.7 lid 3, een toeslag van 50% op iedere gewerkt uur tussen 00.00 en 24.00 uur.
    2. Tijdens de arbeid op feestdagen, vallend in het weekend, geldt een toeslag van 50% op iedere gewerkt uur tussen 00.00 en 24.00 uur, naast de (weekend)toeslag, zoals vermeld in artikel IV.7.1.
  5. Voor de werknemer met een fulltime contract geldt naast het bepaalde in lid 5, dat voor iedere feestdag, die valt op een doordeweekse dag, het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, wordt verhoogd met 8 uur. Voor de werknemer met een fulltime contract die op een dergelijk feestdag geen arbeid verricht en niet roostervrij is, zal deze feestdag worden aangemerkt als vakantiedag.
  6. Voor de werknemer met een parttime contract geldt naast het bepaalde in lid 5, dat indien hij arbeid verricht op een doordeweeks feestdag, het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, wordt verhoogd met het aantal op de betreffende feestdag verrichte arbeidsuren, met een maximum van 8 uren.

  7. Voor de werknemer met een parttime contract geldt naast het bepaalde in lid 5, dat indien hij geen arbeid verricht op een doordeweeks feestdag, het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, wordt verhoogd met het aantal uren gelijk aan het aantal uren zoals gepland in het rooster, met een maximum van 8 uur. Indien er sprake is van een roostervrije dag zal het tegoed aan vakantie-uren, in de loonperiode waarin deze feestdag valt, worden verhoogd met 20% van de in artikel III.2 overeengekomen arbeidstijd per week.
    Voor de werknemer met een parttime contract geldt voorts dat indien hij op een dergelijk feestdag geen arbeid verricht en niet roostervrij is, deze feestdag aangemerkt wordt als een vakantiedag.
  8. Voor de werknemer met een afroep-contract geldt op feestdagen een toeslag van 100% op ieder gewerkt uur tussen 00.00 en 24.00 uur.
Artikel IV.11 Betaling van overuren
  1. Los van elkaar worden overuren op basis van het in dit artikel bepaalde, normen en toeslagen vastgesteld en vergoed. De toeslagen worden berekend over het voor de werknemer geldende basisuurloon.
  2. Voor de arbeidsuren in een dienst of een gebroken dienst boven 10 uren geldt een toeslag van 50%.
  3. Voor de arbeidsuren in een week boven 48 uren geldt naast de toeslag in lid 2 een toeslag van 50%.
  4. Voor de arbeidsuren in een loonperiode boven 160 uren geldt naast de toeslagen in artikel 2 en 3 een overwerktoeslag van 35%. Na 176 arbeidsuren bedraagt de toeslag 50% voor de meerdere uren.
  5. Desgewenst kunnen werkgever en werknemer in onderling overleg besluiten de gewerkte overuren in vervangende vrije tijd op te nemen, echter met behoud van de toeslag.

  6. Met ingang van loonperiode 9 van 2003 komen de leden 1 tot en met 5 te vervallen. De leden 6 tot en met 9 zijn dan van toepassing.
  7. Los van elkaar worden overuren op basis van het in dit artikel bepaalde, normen en toeslagen vastgesteld en vergoed. De toeslagen worden berekend over het voor de werknemer geldende basisuurloon.
  8. Voor de arbeidsuren in een dienst of een gebroken dienst boven 9 uren geldt een toeslag van 50%.
  9. Voor de arbeidsuren in een loonperiode boven 160 uren geldt naast de toeslag in artikel 7 een overwerktoeslag van 50%.
  10. Desgewenst kunnen werkgever en werknemer in onderling overleg besluiten de gewerkte overuren in vervangende vrije tijd op te nemen, echter met behoud van de toeslag.
Artikel IV.12 EHBO/BHV
  1. Voor het behalen van het EHBO-, danwel het BHV-diploma en telkens bij de verlenging van het EHBO-diploma ontvang de werknemer een eenmalige toeslag van 40,84 bruto. De toeslag ontvangt de werknemer tegen overleggen van het diploma dan wel bewijs van verlenging.
  2. Naast de toeslag van lid 1 wordt voor de werknemer met een fulltime contract het bezit van een geldig EHBO- danwel BHV-diploma beloont met een toeslag van 12,71 bruto per loonperiode.
  3. Naast de toeslag van lid 1 wordt voor de werknemer met een parttime contract of afroepcontract het bezit van een geldig EHBO-diploma beloont met een toeslag van 0,08 bruto per arbeidsuur, met een maximum van 12,71 per 4 weken.
  4. Werknemers die op 1 januari 2003 in het bezit zijn van een EHBO- of BHV-diploma zullen in de gelegenheid gesteld worden hun diploma in stand te houden. Voor wat betreft de voorwaarden waaronder zulks geschiedt wordt verwezen naar artikel V.7.
Artikel IV.13 Werkoverleg

Indien werkoverleg plaatsvindt, hieronder wordt verstaan werkoverleg in de zin van de ARBO-wet, dan wel op initiatief van de werkgever, gelden de daaraan bestede uren als arbeidsuren.

Artikel IV.14 Loonopgave

Onverminderd het bepaalde in artikel 624 en 626 B.W. en de handleiding loonbelasting en premieheffing, die jaarlijks door het Ministerie van Financiën wordt uitgegeven, verplicht de werkgever zich bij elke loonbetaling aan de werknemer een schriftelijke loonopgave te verstrekken. In bijlage 3 van de CAO is een overzicht opgenomen van de gegevens die minimaal in de loonopgave dienen te worden vermeld.

Artikel IV.15 Afbouwregeling

  1. Voor de werknemer in een vast rooster of met een andere vaste inkomensstructuur wordt een afbouwregeling getroffen voor de beloningselementen m.u.v. die bedoeld onder hoofdstuk IV.1 t/m IV.4, indien door de werkgever, buiten de schuld van de werknemer om, de functie of de roosters worden gewijzigd.
  2. Voor de bepaling van de afbouwregeling worden de voor de afbouw in aanmerking komende bedragen bij elkaar opgeteld en als één bedrag buiten het salaris gebracht. De afbouw vindt vervolgens plaats per loonperiode.
  3. Voor de vaststelling van de afbouwregeling komt in aanmerking de gemiddelde toeslag bijzondere uren(avond, nacht en weekend) alsmede de toeslag voor structureel overwerk en de toeslag medewerker algemeen reserve.
  4. De afbouwregeling gaat in, indien het brutoverschil tussen het oude en het nieuwe inkomen groter is dan 22,69 bruto per loonperiode en nadat de hogere vaste inkomensstructuur tenminste 13 loonperioden heeft bestaan.
  5. Indien voldaan is aan de hierboven genoemde voorwaarden geldt de volgende afbouw:

  6. Bij ingang van de eerste wijziging direct 22,69 bruto en het restant conform het navolgende schema:
    Duur van de beloning als bedoeld in lid 1 Aantal afbouwperioden
    na één jaar 6 perioden
    van twee tot vier jaar 9 perioden
    vier jaar en langer 12 perioden

    Bij een toeslag van twee jaar en meer wordt voor de berekening van het aantal afbouwperioden de duur van de toeslag in hele jaren naar boven afgerond.

  7. Indien gedurende de periode van de afbouw het inkomen wordt verhoogd anders dan door loonindexering in verband met de prijscompensatie, wordt de verhoging in mindering gebracht op het af te bouwen bedrag.

Hoofdstuk V. Vergoedingen

Artikel V.1 Systematiek reiskosten- en reistijdenvergoeding
  1. Cao-partijen hanteren de per 1 januari 2000 ingevoerde systematiek voor de berekening van de reiskosten- en reistijdenvergoeding.
  2. De vergoeding voor reiskosten is vanaf 10km (enkele afstand), vastgesteld op 0,23 per kilometer, berekend over de enkele afstand in kilometers.
  3. De reistijdververgoeding geldt vanaf 41 kilometer en bedraagt tussen 41 tot en met 45 afgelegde kilometers een vaste vergoeding van 1,59. Bij 46 kilometer is de vergoeding 1,77, vervolgens per kilometer telkens oplopend met 0,29.
  4. Het streven van de CAO-partijen is om het woon-werkverkeer zoveel mogelijk te beperken.
  5. Met ingang van loonperiode 1 van 2003 worden de in de tabellen opgenomen reiskosten- en resitijden vergoedingen verhoogd met 4%;
  6. Met ingang van loonperiode 1 van 2004 worden de in de tabellen opgenomen reiskosten- en reistijden vergoedingen aangepast volgens de prijscompensatie (consumentenprijsindex werknemers laag-afgeleid/periode oktober 2003-oktober 2002).
Artikel V.2 Reiskostenvergoeding
  1. Voor het woon-werkverkeer ontvangt de werknemer een tegemoetkoming in de reiskosten op basis van de volgende tabel:


  2. afstand woning-werk-woning in kilometers enkele afstand in kilometers vergoeding per opkomst tot loonperiode 2003 vergoeding per opkomst vanaf loonperiode 2003
    0-180-9 0,00 0,00
    20-2210-11 2,50 2,60
    2412 2,72 2,83
    2613 2,95 3,07
    2814 3,18 3,31
    3015 3,40 3,54
    3216 3,63 3,78
    3417 3,86 4,01
    3618 4,08 4,24
    3819 4,31 4,48
    4020 4,54 4,72
    4221 4,76 4,95
    4422 4,99 5,19
    4623 5,22 5,43
    4824 5,45 5,67
    5025 5,67 5,90
    5226 5,90 6,14
    5427 6,13 6,38
    5628 6,35 6,60
    5829 6,58 6,84
    6030 6,81 7,08
    6231 7,03 7,31
    6432 7,26 7,55
    6633 7,49 7,79
    6834 7,71 8,02
    7035 7,94 8,26
    7236 8,17 8,50
    7437 8,39 8,73
    7638 8,62 8,96
    7839 8,85 9,20
    8040 9,08 9,44
    8241 9,30 9,67
    8442 9,53 9,91
    8643 9,76 10,15
    8844 9,98 10,38
    9045 10,21 10,62
    9246 10,44 10,86
    9447 10,66 11,09
    9648 10,89 11,33
    9849 11,12 11,56
    10050 11,34 11,79
    10251 11,57 12,03
    10452 11,80 12,27
    10653 12,03 12,51
    10854 12,25 12,74
    11055 12,48 12,98
    11256 12,71 13,22
    11457 12,93 13,45
    11658 13,16 13,69
    11859 13,39 13,93
    12050 13,61 14,15
    12261 13,84 14,39
    12462 14,07 14,63
    12663 14,29 14,86
    12864 14,52 15,10
    13065 14,75 15,34
    13266 14,97 15,57
    13467 15,20 15,81
    13668 15,43 16,05
    13869 15,66 16,29
    14060 15,88 16,52
    14271 16,11 16,75
    14472 16,34 16,99
    14673 16,56 17,22
    14874 16,79 17,46
    15075 17,02 17,70
    15276 17,24 17,93
    15477 17,47 18,17
    15678 17,70 18,41
    15879 17,92 18,64
    16070 18,15 18,88
    16281 18,38 19,12
    16482 18,60 19,34
    16683 18,83 19,58
    16884 19,06 19,82
    17085 19,29 20,06
    17286 19,51 20,29
    17487 19,74 20,53
    17688 19,97 20,77
    17889 20,19 21,00
    18080 20,42 21,24
    18291 20,65 21,48
    18492 20,87 21,70
    18693 21,10 21,94
    18894 21,33 22,18
    19095 21,55 22,41
    19296 21,78 22,65
    19497 22,01 22,89
    19698 22,24 23,13
    19899 22,46 23,36
    200100 22,69 23,60
    202101 22,92 23,84
    204102 23,14 24,07
    206103 23,37 24,30
    208104 23,60 24,54
    210105 23,82 24,77
    212106 24,05 25,01
    214107 24,28 25,25
    216108 24,50 25,48
    218109 24,73 25,72
    220110 24,96 25,96
    222111 25,18 26,19
    224112 25,41 26,43
    226113 25,64 26,67
    228114 25,87 26,90
    230115 26,09 27,13
    233116 26,32 27,37
    234117 26,55 27,55
    236118 26,77 27,84
    238119 27,00 28,08
    240120 27,23 28,32
    242121 27,45 28,55
    244122 27,68 28,79
    246123 27,91 29,03
    248124 28,13 29,26
    250125 28,36 29,49
    meer dan 250 kilometermeer dan 125 kilometerper kilometer 0,50 erbij per kilometer 0,23 erbij

    De afstand woning-werk-woning dient gemeten te worden langs de door CAO-partijen overeengekomen standaardinstelling voor particulier beveiligingsorganisaties van de systematiek AND-Matrix. Per loonperiode 1 van 2003 wordt een nieuwe systematiek ingevoerd waarbij de reiskostenafstand wordt berekend op basis van postcode-postcode (op sis van 6 digits). Uitgangspunt bij de berekening van de reiskostenvergoeding is het aantal kilometers enkele reis.
  3. Indien de werknemer woon-werkverkeer gebruik maakt van het openbaar vervoer, zal de werkgever de werknemer op diens verzoek de werkelijke reiskosten openbaar vervoer interlokaal 2e klas tegen overlegging van de vervoersbewijzen vergoeden, waarbij de tegemoetkoming uit lid 1 van dit artikel vervalt. De werknemer dient voor de toepassing van dit lid 2 zoveel mogelijk te reizen op basis van abonnementen openbaar vervoer.
  4. De in dit artikel genoemde vergoedingen gelden ook voor de afzonderlijke dienstdelen vallende in een gebroken dienst.
  5. De werknemer die binnen de contractueel overeengekomen arbeidstijd in één dienst werkzaamheden verricht op twee of meer lokaties, ontvangt een reiskostenvergoeding van 0,27 per kilometer gebaseerd op de enkele afstand tussen de lokaties.
  6. Uitbetaling van de in dit artikel genoemde reiskostenvergoedingen geschiedt met in acht name van de regels die de belastingwetgeving hieraan stelt. Dit betekent dat de in dit artikel genoemde vergoedingen afhankelijk van die regels netto en/of bruto worden uitbetaald.
    1. Indien de werknemer op eigen initiatief en zonder toestemming van de werkgever gaat verhuizen naar een andere woonplaats dan hij woonde ten tijde van het afsluiten van de arbeidsovereenkomst, zal de werkgever niet verplicht zijn het meerdere aan reiskostenvergoeding uit te betalen.
    2. Indien de werkgever de toestemming onthoudt, zal de hoogte van de reiskostenvergoeding telkens worden vastgesteld vanuit de oude woonplaats van de werknemer, waarna de aldus vastgestelde vergoeding conform de regels van de belastingwetgeving (waarbij wordt uitgegaan van de werkelijke woonplaats) aan de werknemer wordt uitbetaald. Op enig moment dat de werkgever dit bedrijfseconomisch noodzakelijk acht, kan de werkgever alsnog bepalen dat de nieuwe woonplaats als uitgangspunt voor de reiskostenvergoeding zal gelden.

Artikel V.3 Reistijdenvergoeding
  1. Voor het woon-werkverkeer ontvangt de werknemer een tegemoetkoming in de reistijd op basis van de volgende tabel:

    afstand woning-werk-woning in km enkele afstand in km Vergoeding per opkomst tot loonperiode Vergoeding per opkomst vanaf loonperiode 2003
    8040 0,00 0,00
    8241
    8442
    8643voet van 1,59voet van 1,65
    8844
    9045
    9246 1,77 1,84
    9447 2,06 2,14
    9648 2,36 2,45
    9849 2,65 2,76
    10050 2,95 3,07
    10251 3,24 3,37
    10452 3,54 3,68
    10653 3,83 3,98
    10854 4,13 4,30
    11055 4,42 4,60
    11256 4,72 4,91
    11457 5,01 5,21
    11658 5,31 5,52
    11859 5,60 5,82
    12060 5,90 6,14
    12261 6,19 6,44
    12462 6,49 6,75
    12663 6,78 7,05
    12864 7,08 7,36
    13065 7,37 7,66
    13266 7,67 7,98
    13467 7,96 8,28
    13668 8,26 8,59
    13869 8,55 8,89
    14070 8,85 9,20
    14271 9,14 9,51
    14472 9,44 9,82
    14673 9,73 10,12
    14874 10,03 10,43
    15075 10,32 10,73
    15276 10,62 11,04
    15477 10,91 11,35
    15678 11,21 11,66
    15879 11,50 12,96
    16080 11,80 12,27
    16281 12,09 12,57
    16482 12,39 12,89
    16683 12,68 13,19
    16884 12,98 13,50
    17085 13,27 13,80
    17286 13,57 14,11
    17487 13,86 14,41
    17688 14,16 14,73
    17889 14,45 15,03
    18090 14,75 15,34
    18291 15,04 15,64
    18492 15,34 15,95
    18693 15,63 16,26
    18894 15,93 16,57
    19095 16,22 16,87
    19296 16,52 17,18
    19497 16,81 17,48
    19698 17,11 17,79
    19899 17,40 18,10
    200100 17,70 18,41
    202101 17,99 18,71
    204102 18,29 19,02
    206103 18,58 19,32
    208104 18,88 19,64
    210105 19,17 19,94
    212106 19,47 20,25
    214107 19,76 20,55
    216108 20,06 20,86
    218109 20,35 21,16
    220110 20,65 21,48
    222111 20,95 21,78
    224112 21,24 22,09
    226113 21,53 22,39
    228114 21,83 22,70
    230115 22,12 23,00
    232116 22,42 23,32
    234117 22,71 23,62
    236118 23,01 23,93
    238119 23,30 24,23
    240120 23,60 24,54
    242121 23,89 24,85
    244122 24,19 25,16
    246123 24,48 25,46
    248124 24,78 25,77
    250125 25,07 26,07
    meer dan 250 kilometermeer dan 125 kilometer per kilometer 0,29 erbij berekend over de enkele afstand in km per kilometer 0,30 erbij berekend over de enkele afstand in km

    De afstand woning-werk-woning dient gemeten te worden langs de door CAO-partijen overeengekomen standaardinstelling voor particulier beveiligingsorganisaties van de systematiek AND-Matrix. Per loonperiode 1 van 2003 wordt een nieuwe systematiek ingevoerd waarbij de reiskostenafstand wordt berekend op basis van postcode-postcode (op sis van 6 digits). Uitgangspunt bij de berekening van de vergoeding is het aantal kilometers enkele reis.
  2. Voor een gebroken dienst worden de afzonderlijke afstanden woning-werk- woning voor elk dienstdeel dat van de gebroken dienst deel uitmaakt bij elkaar opgeteld, waarna op basis van de dan tot stand gekomen afstand woning-werk-woning reistijdenvergoeding conform dit artikel plaatsvindt.
    1. Indien de werknemer op eigen initiatief en zonder toestemming van de werkgever gaat verhuizen naar een andere woonplaats dan hij woonde ten tijde van het afsluiten van de arbeidsovereenkomst, zal de werkgever niet verplicht zijn het meerdere aan reistijdenvergoeding uit te betalen.
    2. Indien de werkgever de toestemming onthoudt, zal de hoogte van de reistijdenvergoeding telkens worden vastgesteld vanuit de oude woonplaats van de werknemer, waarna de aldus vastgestelde vergoeding aan de werknemer wordt uitbetaald. Op enig moment dat de werkgever dit bedrijfseconomisch noodzakelijk acht, kan de werkgever alsnog bepalen dat de nieuwe woonplaats als uitgangspunt voor de reistijdenvergoeding zal gelden.

Artikel V.4 Maaltijdvergoeding

  1. Indien de dienst voor 13.00 uur aanvangt en tevens na 19.00 uur eindigt, ontvangt de werknemer op declaratiebasis een maaltijdvergoeding van maximaal 8,00.
  2. Indien na aanvang van de dienst blijkt, dat deze dienst 2 uur meer of langer duurt dan was gepland, ontvangt de werknemer op declaratiebasis een maaltijdvergoeding van maximaal 8,00, tenzij de vergoeding uit lid 1 van dit artikel al wordt uitbetaald.
  3. De werknemer zal de kosten op een juiste wijze dienen te declareren.
Artikel V.5 Vergoeding voor beschikbaarheid tijdens pauze
  1. Met inachtname van het bepaalde in deze overeenkomst en de wettelijke bepalingen, ontvangt de werknemer met de functie mobiele surveillant of winkelsurveillant, indien hij werkzaam is in zijn rooster tijdens zijn onbetaalde pauze toch beschikbaar moet zijn en derhalve niet geheel vrij over zijn pauzetijd kan beschikken, een vaste toeslag van 0,29 bruto per half uur.
  2. Indien de in lid 1 bedoelde werknemer tijdens die pauze werkelijk werkzaamheden moet verrichten zal de pauzetijd worden verschoven. Indien de pauze vervalt wordt de pauzetijd beschouwd als werktijd.
  3. De in lid 2 bedoelde beschikbaarheid zal in het rooster moeten zijn aangegeven.
Artikel V.6 Consignatie-vergoeding
  1. De werknemer die een consignatie, als bedoeld in III.4 lid 9, is opgelegd, ontvangt een consignatievergoeding.
  2. De in lid 1 genoemde vergoeding bedraagt 0,45 bruto per uur. Op zaterdag t/m zondag tussen 00.00 en 24.00 uur bedraagt deze vergoeding 0,61 bruto per uur en op feestdagen bedraagt deze vergoeding 0,91 per uur. De consignatie-vergoeding bedraagt minimaal 3 uur.
  3. Bij een daadwerkelijke oproep worden de gewerkte uren naast de consignatie-vergoeding betaald. Indien bij een daadwerkelijke oproep een dienst wordt verricht, die korter duurt dan 3 uur, dan worden aan de werknemer toch drie gewerkte uren betaald. Indien deze 3 uur samenvalt met een reeds aangezegde dienst, wordt desalniettemin deze 3 uur onverkort vergoed.
  4. De aan de consignatie verbonden voorwaarden worden in onderling overleg met de ondernemingsraad c.q. het (de) personeel(s-vertegenwoordiging) vastgelegd.
  5. Indien de werknemer bereikbaar moet zijn, anders dan bedoeld in lid 1, om op deze manier telefonisch opvolging te kunnen geven in het kader van de te nemen actie, ontvangt de werknemer een vergoeding van 22,69 bruto per loonperiode.
  6. Per loonperiode 1 van 2003 bedraagt de in lid 6 genoemde vergoeding 27,50 bruto per loonperiode.
Artikel V.7 Studiekostenvergoeding
  1. De werknemer is verplicht de door de werkgever, al dan niet vanwege wettelijke eisen ten aanzien van (toekomstige) functie-uitoefening, voor zijn functie noodzakelijk geachte opleidingen te volgen aan het door de werkgever aan te wijzen opleidingsinstituut en de instructies van dat instituut nauwlettend op te volgen, alsmede de werkgever periodiek op de hoogte te houden van het resultaat der studie. Met ingang van loonperiode 1 van 2004 zal het volgen van een door de werkgever verplicht gestelde studie binnen de arbeidstijd plaatsvinden.
  2. Indien de werkgever daarmee schriftelijk instemt, kan de werknemer op eigen verzoek een bedrijfs- of bedrijfstakopleiding volgen. Indien de werkgever niet akkoord gaat met een dergelijk verzoek, zal hij de afwijzing schriftelijk motiveren. Met ingang van loonperiode 1 van 2004 geldt dat individuele afspraken over het volgen van opleidingen en de daarmee gepaard gaande kosten, in een studieovereenkomst opgenomen worden.
  3. De kosten van het inschrijfgeld, lesgeld en examengeld voor een opleiding bedoeld in lid 1 en 2, worden door de werkgever betaald voor zover deze niet op andere wijze worden vergoed (zoals bijvoorbeeld de EHBO-vergoeding). De aan de opleiding verbonden komen slechts éénmaal voor rekening van de werkgever. Met ingang van loonperiode 1 van 2004 geldt het bepaalde in dit lid slechts voor het eerste lid van dit artikel.
  4. Met ingang van loonperiode 1 van 2004 worden de reiskosten voor een opleiding als bedoeld in artikel 1 vergoed volgens hetgeen bepaald is in artikel V.2.
  5. De werknemer is alleen gehouden de in lid 3 van dit artikel genoemde kosten van de opleiding aan de werkgever terug te betalen, indien hij vanaf het begin van de opleiding tot één jaar na het behalen van het diploma de arbeidsovereenkomst op eigen verzoek beëindigt of deze wegens dringende redenen ingevolge artikel 678 B.W. door de werkgever wordt beëindigd, dan wel wegens gewichtige redenen door de kantonrechter wordt ontbonden.
  6. Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst op eigen verzoek of wegens dringende redenen ingevolge artikel 678 B.W. door de werkgever dan wel wegens gewichtige redenen door de kantonrechter wordt ontbonden, is de werknemer gehouden vanaf één jaar tot 2 jaar na het behalen van het diploma de helft van de in lid 3 van dit artikel genoemde kosten terug te betalen. Na het verstrijken van twee jaar na het behalen van het diploma is geen terugbetaling meer verschuldigd.
  7. Het bepaalde in de leden 4 en 5 van dit artikel is niet van toepassing als het dienstverband buiten de schuld van de werknemer beëindigd moet worden. In dat geval is geen terugbetaling verschuldigd.
Artikel V.8 Hondenvergoeding
  1. De werknemer die dienst(en) (gaat) verrichten met een door de werkgever ter beschikking gestelde gecertificeerde hond, heeft recht op een bruto toeslag van 73,30 per loonperiode ( 79,41 per maand) voor training van de hond. Bovendien ontvangt de werknemer maandelijks voldoende hondenvoer en kan hij de noodzakelijk te maken overige verzorgingskosten bij de werkgever declareren.
  2. De werknemer die in uitdrukkelijke opdracht van de werkgever meestentijds dienst(en) verricht met een eigen gecertificeerde hond, heeft recht op een netto vergoeding van 76,44 per loonperiode ( 82,81 per maand) voor aanschaf, huisvesting en verzorging van de hond.
  3. De werknemer die incidenteel in uitdrukkelijke opdracht van de werkgever met een eigen gecertificeerde hond dienst(en) verricht, ontvangt een netto vergoeding van 0,65 per gewerkt uur, met een maximum van 76,44 per loonperiode ( 82,81 per maand), voor aanschaf, huisvesting en verzorging van de hond.
  4. Voor de werknemer die een vergoeding ontvangt als genoemd in lid 2 en 3 van dit artikel geldt dat hij op verzoek van de werkgever moet aantonen dat tegenover deze netto vergoeding daadwerkelijk gemaakte kosten staan.
  5. Voor de in lid 1,2 en 3 beschreven werknemers die diensten verrichten met een gecertificeerde hond geldt dat zij in het bezit van een toetsingsbewijs zoals vereist ingevolge Wpbr.
  6. In geval de werknemer genoemd in lid 1, 2 of 3 voor het woon- werkverkeer extra kosten moet maken voor het vervoer van de hond, worden deze kosten door de werkgever vergoed.
  7. De werkgever zal op verzoek van de werknemer in de zin van lid 1, 2 en 3 van dit artikel voor hen en de hond trainingsfaciliteiten in de nabijheid van hun woonplaats regelen waar zij gebruik van kunnen maken.
Artikel V.9 Stomerijvergoeding

De werkgever vergoedt op declaratiebasis 1 maal per 4 weken aan de werknemer de kosten verbonden aan het chemisch reinigen van de uniformkleding. Indien de werkgever bijzondere omstandigheden aanwezig acht, kan deze vergoeding vaker plaatsvinden.


Hoofdstuk VI. Vakantie en verlof

Artikel VI.1 Vakantiedagen
  1. Iedere werknemer met een fulltime contract voor bepaalde of onbepaalde tijd bouwt 200 uren of 25 dagen op jaarbasis op. Dit betekent dat per 4 weken 1,92 vakantiedagen of 15,38 vakantie-uren worden opgebouwd. De werkgever stelt de vakantiedagen en -duur vast na overleg met de werknemer, rekening houdend met het bedrijfsbelang, zo veel mogelijk in overeenstemming met de wens van de werknemer.
  2. De werknemer heeft recht op drie weken aaneengesloten vakantie, doch dient minimaal twee weken aaneengesloten op te nemen. In afwijking respectievelijk in aanvulling hierop geldt dat de werknemer recht heeft op vier weken aaneengesloten vakantie mits deze niet later eindigt dan 30 juni van enig jaar en niet eerder aanvangt dan 7 september van enig jaar en niet in december valt.
  3. De toekenning of afwijzing van vakantiedagen geschiedt schriftelijk door de werkgever; een eenmaal toegekende vakantiedag kan niet eenzijdig door de werkgever worden ingetrokken.
  4. Indien verlof betreffende de zomerperiode voor 1 januari voor enig jaar is aangevraagd, dient de werkgever hierop voor 31 januari schriftelijk te antwoorden. Als op 1 februari geen antwoord is ontvangen en de werknemer de aanvraag aantoonbaar tijdig bij de werkgever had ingediend respectievelijk aan hem had toegezonden, is de aanvraag toegekend.
  5. Indien een meerdaagsverlof is aangevraagd dient de werkgever hierop binnen 1 maand schriftelijk te antwoorden. Indien na deze termijn geen antwoord is ontvangen en de werknemer de aanvraag aantoonbaar tijdig bij de werkgever had ingediend respectievelijk aan hem had toegezonden, is de aanvraag toegekend.
  6. Indien een eendagsverlof is aangevraagd dient de werkgever hierop binnen 7 dagen schriftelijk te antwoorden. Indien na deze termijn geen antwoord is ontvangen en de werknemer de aanvraag aantoonbaar tijdig bij de werkgever had ingediend respectievelijk aan hem had toegezonden, is de aanvraag toegekend.
  7. Voor de werknemer met een parttime contract geldt een vakantierecht naar rato van de arbeidsuren per loonperiode. Het vakantierecht wordt opgebouwd over maximaal 160 arbeidsuren per loonperiode.
  8. Voor de werknemer met een afroepcontract wordt het recht op vakantiedagen per loonperiode omgezet in een geldelijke uitkering. Deze uitkering bedraagt 9,62% van het voor hem geldende basisuurloon en de daarop van toepassing zijnde toeslag bijzondere uren en de EHBO-toeslag.
  9. Gedurende zijn vakantie heeft de werknemer met een fulltime contract recht op betaling van zijn vakantieloon en vaste toeslagen.
  10. Als uitgangspunt geldt dat de opgebouwde vakantierechten binnen één kalenderjaar worden opgenomen. De werkgever stelt de werknemer in redelijkheid in staat vakantie op te nemen. Uitgezonderd de gevallen waar de werknemer door omstandigheden, zoals arbeidsongeschiktheid, dan wel door toedoen van de werkgever niet in redelijkheid in gelegenheid is geweest zijn vakantierechten op te nemen, geldt dat aan het eind van het kalenderjaar maximaal 5 dagen (40 uur) verlof naar het nieuwe jaar mag worden meegenomen. Het recht tot het meenemen van meer dan 5 vakantiedagen aan het eind van het kalenderjaar, kan in afwijking van het hierbovenstaande, in individuele gevallen in onderling overleg tussen werkgever en betrokken werknemer schriftelijk worden bepaald.
  11. Bij het einde van het dienstverband heeft de werknemer met een fulltime of parttime contract recht op uitbetaling van alle op dat tijdstip nog niet genoten vakantiedagen.
  12. Tijdens de dienstbetrekking zal de werkgever de niet genoten vakantiedagen niet uitbetalen, anders dan in lid 8 vermeld.
Artikel VI.2 Extra vakantiedagen

Voor iedere vijf onafgebroken dienstjaren bij werkgever geldt één extra vakantiedag. Voor de vaststelling hiervan is 1 januari van ieder jaar bepalend. Het aantal dagen wordt vastgesteld volgens onderstaande tabel:
Aantal onafgebroken dienstjaren Aantal extra vakantiedagen per jaar
5 t/m 9 1
10 t/m 14 2
15 t/m 19 3
20 t/m 24 4
25 t/m 29 5
30 t/m 34 6
35 t/m 39 7
40 of meer 8

Artikel VI.3 Tijd voor geld/geld voor tijd

  1. Met ingang van 1 april 2002 kan de werknemer de vanaf dat moment op te bouwen bovenwettelijk vakantiedagen verkopen. Daarnaast zal de mogelijkheid worden ingevoerd om 5 extra vakantiedagen te kopen. De waarde van de te (ver-)kopen vakantiedagen wordt bepaald aan de hand van artikel I.I lid 33.
  2. Naast de in- en verkoop van vakantiedagen is het toepassen van een keuzesysteeem met betrekking tot een alternatieve benutting van vakantiedagen mogelijk.
  3. De in lid 2 genoemde zaken dienen op ondernemingsniveau nader te worden ingevuld in overleg tussen werkgever en ondernemingsraad, danwel vakorganisaties.
Artikel VI.4 Vakantietoeslag
  1. De werknemer heeft recht op een vakantietoeslag van 8% (zie artikel I.I.34). De uitbetaling van de vakantietoeslag vindt uiterlijk plaats in de maand juni.
  2. Voor de werknemer met een parttime contract geldt een vakantietoeslag naar rato van de arbeidsuren in een loonperiode. De vakantietoeslag wordt opgebouwd over maximaal 160 arbeidsuren per loonperiode.
  3. Bij het einde van het dienstverband heeft de werknemer recht op uitbetaling van de op dat tijdstip nog niet ontvangen vakantietoeslag.
Artikel VI.5 Buitengewoon verlof en kort verzuim
  1. Het in dit artikel gestelde is van toepassing op de werknemer met een fulltime of parttime contract. Het is eveneens van toepassing voor alternatieve samenlevingsvormen, mits het bestaan hiervan tenminste een jaar voor een eventuele aanspraak door middel van een schriftelijke opgaaf van naam, adres en geboortedatum van de partner aan de werkgever is bekend gemaakt.
  2. Onverminderd het bepaalde in artikel 629b B.W. wordt bij verzuim, voor zover dit binnen de arbeidstijd noodzakelijk is en mits hiervan behoorlijk op tijd aan de werkgever kennis is gegeven, het loon - waaronder hier wordt verstaan vakantieloon- aan de werknemer doorbetaald in de hierna te noemen gevallen (na overlegging van het nodige bewijsmateriaal):
    1. bij overlijden van familieleden:
    2. bij huwelijk:
    3. bij geboorte
    4. bij adoptie:
    5. bij bezoek medisch specialisten:
    6. bij verhuizing
    7. bij examens:
    8. pensioneringscursussen:
    9. stemrecht
    10. vakbondsverlof: aan werknemers die lid zijn van de vakorganisaties wordt, mits de aanvraag daartoe tijdig door de vakorganisatie tot de onderneming is gericht, voor de volgende activiteiten:
    11. bij wettelijke of overheidsverplichtingen:
    12. overige gevallen:
Artikel VI.6 Calamiteitenverlof

De werknemer heeft het recht - in overleg met de werkgever - zonder behoud van loon tot een maximum van 3 dagen per jaar verlof op te nemen in verband met dringende omstandigheden in het gezin of naaste familie, voor die gelegenheden, niet genoemd bij buitengewoon verlof.
 


Hoofdstuk VII. Arbeidsongeschiktheid

Artikel VII.1 Uitkering bij arbeidsongeschiktheid
  1. Indien een werknemer ten gevolge van ziekte, zwangerschap of bevalling niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten, gelden voor hem de bepalingen in artikel 629 B.W., de Ziektewet en de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), voor zover hierna niet anders is bepaald.
    1. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer die bij aanvang van de arbeidsongeschiktheid korter dan 13 loonperioden in dienst is het volgende worden verstrekt:
      1. Gedurende maximaal 52 weken 70% van het salaris (tot maximaal het voor de werknemer geldende maximum dagloon inzake de coördinatiewet SV).

      2. De eerste dag geldt als wachtdag.
        Wachtdagen gelden niet, indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een bedrijfsongeval dan wel een beroepsziekte, als bedoeld in artikel 9 van de Arbowet, dan wel wanneer er sprake is van zwangerschap of bevalling, orgaandonatie of ziekte van een ex-arbeidsongeschikte werknemer.
      3. Indien de arbeidsongeschiktheid daarna voortduurt, ontvangt de werknemer uitsluitend de uitkering krachtens de WAO.
    2. Bij arbeidsongeschiktheid zal aan de werknemer die tenminste 13 loonperioden in dienst is, het volgende worden verstrekt:
      1. Gedurende maximaal 52 weken 70% van het salaris (tot maximaal het voor de werknemer geldende maximum dagloon inzake de coördinatiewet SV). Daarenboven ontvangt de werknemer een aanvulling tot 100% van het salaris.
      2. Bij volledige arbeidsongeschiktheid wordt de WAO-uitkering maximaal gedurende 52 weken aangevuld tot 90% van het salaris. Deze aanvulling zal nooit meer bedragen dan 20% van het salaris.

      3. Voor de berekening hiervan wordt uitgegaan van een ongekorte uitkering.
        De aanvullingsperiode bedraagt in dit geval maximaal twee jaar, gerekend van het tijdstip van de aanvang van de arbeidsongeschiktheid.
      4. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zal de werkgever aan de werknemer die in passende arbeid is tewerkgesteld, aan aanvulling verstrekken op het dan geldende salaris en de uitkering krachtens de WAO tot 90% van het salaris.

      5. Voor de berekening hiervan wordt uitgegaan van een ongekorte uitkering.
        De aanvullingsperiode bedraagt in dit geval maximaal twee jaar, gerekend vanaf het tijdstip van aanvang van de arbeidsongeschiktheid.

      6. Bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zal de werkgever aan de werknemer die niet in passende arbeid kan worden tewerkgesteld, indien de werknemer een WAO uitkering en een WW-uitkering ontvangt, op deze uitkeringen een aanvulling verstrekken tot 90% van het salaris. Voor de berekening hiervan wordt uitgegaan van een ongekorte uitkering.
        De aanvullingsperiode bedraagt in dit geval maximaal twee jaar, gerekend vanaf het tijdstip van aanvang van de arbeidsongeschiktheid.
      7. Voor de berekening van de hiervoor bedoelde aanvulling WAO wordt er van uitgegaan dat de werknemer deelneemt aan de verzekering van het zogenaamde WAO-hiaat.
  2. In afwijking van artikel 2 bestaat op ondernemingsniveau in overleg met de vakorganisaties de mogelijkheid tot de invoering van wachtdagen onder voorwaarde dat voor alle werknemers korter dan 1 jaar in dienst de uitkering ziektegeld met betrekking tot percentage gelijk is aan de overige medewerkers.
    Indien op ondernemingsniveau hierover geen afspraken worden gemaakt, geldt het gestelde onder lid 2 van dit artikel.
  3. Onder salaris, bedoeld in dit artikel, wordt verstaan dat bedrag dat de werknemer zou hebben ontvangen, indien hij arbeidsgeschikt zou zijn geweest, vermeerderd met een gemiddelde onregelmatigheidstoeslag.

  4. De gemiddelde onregelmatigheidstoeslag wordt berekend door de som van de avond-, nacht-, weekend- en feesttoeslagen over de drie hele perioden direct voorafgaande aan de ziekte te delen door de som van het aantal overeengekomen contracturen van de werknemer.
  5. De uitkering ziektegeld voor parttimers dient gebaseerd te zijn op het gemiddeld daadwerkelijk gewerkte uren in de afgelopen 6 loonperioden, tenzij het aantal contractuele uren hoger is.
  6. De in lid 2 bedoelde loondoorbetaling en de aanvullingen worden beëindigd, wanneer de dienstbetrekking met de werknemer eindigt en de aanvulling worden niet toegekend aan werknemers van 65 jaar en ouder.
  7. De werkgever heeft het recht om, gehoord hebbende de Arbodienst, de in dit artikel bedoelde loondoorbetaling en aanvulling te weigeren ten aanzien van de werknemer die:
    1. door opzet arbeidsongeschiktheid is geworden;
    2. arbeidsongeschiktheid is geworden als gevolg van een gebrek waarover hij in het kader van een aanstellingskeuring valse informatie heeft verstrekt en daadoor de toetsing van de voor de functie opgestelde belastbaarheidseisen niet juist kon worden uitgevoerd;
    3. zijn genezing heeft belemmerd of vertraagd en/of zonder deugdelijke grond geen passend werk verricht;
    4. de loondoorbetaling en aanvulling op te schorten en de aanvulling te weigeren ten aanzien van de werknemer die:
    5. zich niet houdt aan de voor hem geldende regels en aanwijzingen bij ziekte (controlevoorschriften);
    6. de aanvulling te weigeren ten aanzien van de werknemer die:
    7. weigert zijn medewerking te verlenen aan een door de werkgever gevraagde second opinion;
    8. weigert gebruik te maken van voorhanden zijnde veiligheidsmiddelen dan wel voorschriften met betrekking tot veiligheid en gezondheid overtreedt en als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is geworden;
    9. misbruik maakt van de voorziening.
  8. Ingeval de werkgever ter zake van de arbeidsongeschiktheid van de werknemer tegen een of meer derden een vordering van schadevergoeding kan doen gelden, zal de werknemer daaraan zijn medewerking verlenen.
  9. In overleg met de ondernemingsraad of een gelijkgesteld overlegorgaan, dan wel bij afwezigheid daarvan de Arbodienst, zal de werkgever een beleid ontwikkelen gericht op het voorkomen van onnodig ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Uitgangspunt hierbij zijn de navolgende onderdelen:
    1. Ziekmelding
    2. Inzenden eigen verklaring
    3. Telefonisch gesprek met de bedrijfsverpleegkundige
    4. Telefonisch gesprek met de bedrijfsarts
    5. Raadpleeg de huisarts
    6. Thuisblijven
    7. Bezoek mogelijk maken
    8. Het juiste adres
    9. De genezing niet belemmeren
    10. Het verrichten van werkzaamheden
    11. Op het spreekuur komen
    12. Specialistisch onderzoek
    13. Werkhervatting bij herstel
    14. Bezwaren tegen de hersteldverklaring
    15. Sancties
    In bijlage 7 is opgenomen het protocol inzake voorschriften bij ziekte.
Artikel VII.2 Herverzekering daling wettelijk uitkering WAO
  1. De werkgever is verplicht, naar aanleiding van de door de Wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregeling, d.d. 25 januari 1993, het ontstane zogenaamde WAO-hiaat, via een erkende verzekeringsmaatschappij aan de werknemer een arbeidsongeschiktheidsverzekering aan te bieden waarmee de werknemer, indien hij in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, dit WAO-hiaat volledig kan repareren op het niveau van het door het UWV vastgestelde WAO-dagloon.
  2. De premie voor de onder 1. bedoelde verzekering zal worden berekend en geheven over de WAO-grondslag.
  3. De onder 1. bedoelde verzekering dient een indexering van de uitkering te kennen, minimaal ter grootte van 2%, dan wel op basis van overrentedeling.
  4. Het aanbod van de werkgever voor de onder 1. bedoelde verzekering gaat in per 26 januari 1993. De werknemer, die in dienst treedt na 26 januari ontvangt het aanbod vanaf datum indiensttreding. Voor de nieuwe werkgever geldt het aanbod vanaf de eerste dag dat personeel in dienst wordt genomen.
  5. Bij aanvang van de onder 1. bedoelde verzekering zullen alle in dienst zijnde werknemers, zonder acceptatiekeuring deel kunnen nemen. Werknemers die later in dienst treden dan wel om andere oorzaken later deel wensen te nemen, kunnen deelnemen op basis van de zogenaamde aanstellingskeuring.
  6. De premie van de onder 1. bedoelde verzekering komt voor rekening van de werknemer.
  7. De werknemer is vrij om van het onder 1. bedoelde werkgeversaanbod gebruik te maken.
  8. Indien de in lid 1. bedoelde verzekering ten gevolge van overrente dan wel ten gevolge van ander oorzaken een premierestitutie dan wel premieverlaging kent, komt dit ten gunste van de werknemer.
Artikel VII.3 Commissie Sociale Zekerheid

Gedurende de looptijd van deze CAO zal er een paritaire commissie sociale zekerheid ingesteld worden. Deze commissie krijgt o.a. de volgende taken:

Financiering zal plaatsvinden uit middelen van het Sociaal Fonds.
In bijlage 7 staan criteria voor de aanbesteding van reïntegratiecontracten.


Hoofdstuk VIII. VUT, pensioen en ouderenbeleid

Artikel IV.11 VUT CAO
  1. Met ingang van 1 oktober 1993 geldt een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden. Deze wordt nader geregeld in een VUT CAO. Deze geldt tot en met 31 december 2004.
Artikel IV.2 Bedrijfstakpensioenfonds
  1.  
    1. Iedere werknemer van 25 jaar en ouder wordt opgenomen in de pensioenregeling van de Stichting Pensioenfonds voor de Particuliere Beveiliging, indien hij voldoet aan de bij die regeling gestelde eisen.
    2. De door de werknemer op grond daarvan periodiek verschuldigde bijdrage zal door de werkgever op het salaris worden ingehouden.
  2.  
    1. Indien de werkgever door het bestuur van de Stichting Pensioenfonds voor de Particuliere Beveiliging van deelname aan het fonds is gedispenseerd, is de werkgever verplicht het op de gedispenseerde pensioenregeling betrekking hebbende reglement aan de werknemer te overhandigen.
    2. De werknemer die via zijn werkgever deelneemt in een gedispenseerde pensioenregeling als bedoeld in lid 1 van dit artikel, kan niet verplicht worden tot een hogere eigen bijdrage aan de pensioenregeling als ware hij deelnemer in de in artikel VIII.2 bedoelde pensioenregeling.
  3.  
    1. De pensioenregeling is nader uitgewerkt in een pensioenreglement.
    2. Het reglement ligt bij de werkgever ter inzage; desgewenst wordt dit verstrekt.
  4. Uitruil nabestaandenpensioen wordt vanaf 1 januari 2000 mogelijk gemaakt en zal met terugwerkende kracht worden geëffectueerd.
Artikel VIII.3 Overige regelingen ten behoeve van oudere werknemers
  1. Aangepast dienstrooster op medische indicatie

  2. Werknemers van 55 jaar en ouder hebben het recht om op medische indicatie met een aangepast dienstrooster te mogen werken.
  3. Verval verplichting tot overwerk

  4. Werknemers van 55 jaar en ouder kunnen niet verplicht worden tot het verrichten van diensten langer dan 8 uur of tot werkzaamheden waarbij het totaal aantal arbeidsuren meer dan 40 uur per week bedraagt.
  5. Verval verplichting van werken op roostervrije dag

  6. Werknemers van 55 jaar en ouder kunnen niet verplicht worden tot het werken op een vooraf vastgestelde roostervrije dag.
  7. Verval verplichting van uitvoering van nachtdiensten

  8. Werknemers van 60 jaar en ouder kunnen, indien zij daartoe schriftelijk de wens te kennen geven niet worden verplicht tot het uitvoeren van nachtdiensten.
  9. Aangepaste loonregeling

  10. In de 1, 2 en 4 genoemde gevallen zal een loonregeling met de betreffende werknemers worden getroffen, met als uitgangspunt dat de inkomensachteruitgang wordt beperkt.
  11. Vrije dagen voor oudere werknemers

  12. Vanaf de leeftijd van 57 jaar wordt de werknemer met een fulltime contract in de gelegenheid gesteld korter te werken met behoud van loon. De arbeidstijdverkorting vindt plaats in de vorm van hele diensten en wel als volgt:
    bij 57 jaar 1 dag per jaar
    bij 58 jaar 2 dagen per jaar
    bij 59 jaar 3 dagen per jaar
    bij 60 jaar 4 dagen per jaar
    bij 61 jaar 5 dagen per jaar
    bij 62 jaar 6 dagen per jaar
    bij 63 jaar 7 dagen per jaar
    bij 64 jaar 8 dagen per jaar

    De arbeidstijdverkorting dient volledig te worden opgenomen in het jaar waarvoor ze geldt. Dit artikel geldt uitsluitend indien de werknemer voorafgaand aan de arbeidstijdverkorting minimaal tien aaneengesloten dienstjaren in de bedrijfstak particuliere beveiliging werkzaam is geweest.

  13. De werknemer van 55 jaar en ouder zal op zijn verzoek elke twee jaar een medische keuring ondergaan op kosten van de werkgever.
  14. Werknemers van 55 jaar en ouder kunnen slechts op vrijwillige basis geconsigneerd worden.


Hoofdstuk IX. Veiligheidsprocedures en Arbo-aangelegenheden

Artikel IX.1 Veiligheidsprotocol
  1. In het kader van veiligheidsmanagement van het bedrijf ter bevordering van de persoonlijke veiligheid van beveiligingsbeambten beschikken, zoals hieronder verder uitgewerkt, beveiligingsbeambten tijdens de uitvoering van hun dienst over deugdelijke communicatiemiddelen waarmee zij directe communicatie hebben voor vaste meldingen en/of assistentie in te roepen en/of onregelmatigheden kunnen melden, dan wel een noodsignaal kunnen geven.

  2. Verder werken zij, zoals hieronder verder uitgewerkt, mee aan de procedures voor veiligheid in het bedrijf.
  3. Vaste post
    1. Vanaf een vaste post dient directe communicatie permanent mogelijk te zijn met een (centraal) meldpunt.
    2. Ieder uur (buiten kantooruren) dient een controle melding te worden verricht tussen vaste post en het (centrale) meldpunt.
    3. In geval van calamiteiten (b.v. te ondernemen actie op een alarmmeldingen) dient hiervan melding gemaakt te worden aan het (centrale)meldpunt. Vervolgens ieder kwartier contact met meldpunt tot einde calamiteit.
    4. Door partijen wordt nader vastgesteld op welke wijze het veiligheidsprotocol ten aanzien van de vaste post verder gestalte kan krijgen. Dit betreft het incidenteel verlaten van de vaste post tijdens de dienstuitvoering.
  4. Mobiele surveillance
    1. Vanuit het voertuig dient directe communicatie permanent mogelijk te zijn met een (centraal) meldpunt.
    2. Aanvang en einde van iedere controleronde dient te worden gemeld aan het meldpunt.
    3. Op het meldpunt dient de gemiddelde tijdsduur per controleronde bekend te zijn. Indien bij een controleronde met een gemiddelde tijdsduur < 15 minuten, de vastgestelde tijdsduur voor die ronde wordt overschreden met 5 minuten dient zulks gesignaleerd te worden door het meldpunt.

    4. Indien de controleronde een gemiddelde tijdsduur heeft > 15 min, dient er iedere 15 minuten een contact tussen mobiel surveillant en meldpunt te zijn.
    5. In geval van calamiteiten: onmiddellijke melding en vervolgens zo frequent mogelijk tot einde calamiteit.
    6. De mobiele surveillant belast met alarmopvolging dient, indien hij het voertuig verlaat permanent over een deugdelijk communicatiemiddel te beschikken.
    7. De mobiele surveillant belast met zowel inpandige als uitpandige controleronden dient, indien hij het voertuig verlaat permanent over een deugdelijk communicatiemiddel te beschikken.
    8. De mobiele surveillant, uitsluitend belast met uitpandige controleronden dient, indien hij het voertuig verlaat permanent over een deugdelijk communicatiemiddel te beschikken.
  5. Winkelsurveillance
    1. Indien een winkelsurveillant een één-mans surveillance verricht dient hij over een communicatiemiddel te beschikken.
    2. Indien een winkelsurveillant, niet zijnde een één-mans surveillance, surveillance verricht in een winkelcentrum dient hij over een deugdelijk communicatiemiddel te beschikken.
    3. Indien een winkelsurveillant, niet zijnde een één-mans surveillance, surveillance verricht in een winkel dient hij over een deugdelijk communicatiemiddel te beschikken.
    4. De winkelsurveillant dient met voornoemd communicatiemiddel directe communicatie te hebben met een meldpunt zoals omschreven onder punt 6 dan wel met een meldpunt in de directe werkomgeving dat voldoet aan het gestelde bij punt 6a.
  6. Geld- en waardentransport

  7. Gezien het specifieke karakter en geldende wettelijk regime is de geld- en waardentransportsector van dit protocol uitgezonderd. Dit zal op bedrijfs- c.q. sector niveau worden vormgegeven.
  8. Meldpunt
    1. Het (centrale) meldpunt dient te beschikken over deugdelijke en voldoende communicatiemiddelen om de meldingen te kunnen ontvangen en in staat te zijn de meldingen en calamiteiten te signaleren en registreren.
    2. Indien het (centrale)meldpunt een eenpersoons-bezetting heeft per dienst, dient een signalering en/of tijdscontrole als bedoeld onder 2.b bij een PAC plaats te vinden.
    3. Indien vanaf een vaste post of door een mobiel surveillant geen contact kan worden verkregen met het (centrale)meldpunt, dient men rechtstreeks contact op te kunnen nemen met bedoelde PAC.
  9. Communicatiemiddel

  10. Een deugdelijk communicatiemiddel dient minimaal aan de volgende eisen te voldoen:
  11. Veiligheidsmanagement
    1. Veiligheidsmanagement voor objecten met een verhoogd risico en daarbij te hanteren procedures, maatregelen en in te zetten middelen en materialen zal door het bedrijf in overleg met de ondernemingsraad worden vastgesteld. Indien een ondernemingsraad niet aanwezig is, is hiervoor te lezen de personeelsvertegenwoordiging. Indien deze laatste niet aanwezig is, vindt overleg plaats in het werkoverleg.

    2. De ondernemingsraad c.q. personeelsvertegenwoordiging heeft ten aanzien van bedoelde procedures, maatregelen en in te zetten middelen en materialen een initiatiefrecht bij objecten met een verhoogd risico.
      Bij de aanduiding van wat als een object - bestaande en nieuwe - met een verhoogd risico moet worden beschouwd, kan het bedrijf en/of ondernemingsraad zich laten leiden door de uitkomsten van een risico-inventarisatie, opgesteld door een arbo-deskundige.
    3. Het bedrijf kan conform het hierboven bepaalde met betrekking tot het overleg en initiatiefrecht bij gewijzigde omstandigheden, dan wel op grond van nader inzicht, overleg voeren over aanvullende maatregelen en/of voorzieningen voor een object.
    4. De werkgever heeft de plicht er voor te zorgen dat bij aanvang van de dienst deugdelijke middelen ten behoeve van de veiligheid van de werknemer ter beschikking staan. De werknemer heeft de plicht bij aanvang dienst de middelen op het functioneren te controleren en indien hij/zij gebreken constateert deze onmiddellijk te melden, waarna de gebreken direct hersteld dienen te worden.
  12. Overleg vakorganisaties

  13. Vakorganisaties zullen minimaal eenmaal per jaar met de werkgever overleg voeren over de veiligheid van de werknemers. Ten behoeve van dit overleg verstrekt de werkgever gegevens over calamiteiten, ongevallen en genomen initiatieven.
  14. Arbeidsverhoudingen

  15. In het kader van de de arbeidsverhoudingen zijn de volgende afspraken gemaakt:
    1. Tijdens de looptijd van de CAO is er elk kwartaal periodiek overleg van de partijen.
    2. De procedures in het kader van de VPB-gedragscode staan open voor de vakbonden.
    3. De omvang van het uitzendwerk binnen de branche wordt jaarlijks gecommuniceerd naar de vakbonden.
    4. Besluiten van de Sociale Commissie met een algemene strekking worden anoniem onder de VPB-leden verspreid.



Hoofdstuk X. Werkgelegenheid en structuurwijziging in de onderneming

Artikel X.1 Uitgangspunten

Het sociaal beleid richt zich op de mens in de onderneming, daarbij vindt een afweging plaats tussen de normen en verwachtingen van de medewerkers, over hun functioneren aan de ene kant en de eisen die de onderneming moet stellen aan een doelgericht functioneren van de organisatie aan de andere kant.

Het sociaal beleid is verbonden met het totale ondernemingsbeleid. Het is gelijkwaardig aan andere beleidsonderdelen en wordt beïnvloed door de strategische ontwikkelingsmogelijkheden in- en van de branche.
Bij het tot stand brengen van een sociaal beleid wordt rekening gehouden met het eigen karakter van een onderneming, voorts met hetgeen hieronder in de volgende artikel van de sociale paragraaf is aangegeven.

Artikel X.2 Werkgelegenheid

De VPB heeft als brancheorganisatie voor de particulier beveiliging een integrale arbeidsmarktbenadering ontwikkeld. Deze benadering richt zich voor de komende jaren op het optimaliseren van de aansluiting van vraag en aanbod van beveiligingsmedewerkers op de arbeidsmarkt.
In nauwe samenwerking met de Sectorraad Commerciële Dienstverlening, Arbeidsvoorziening en andere intermediairs wordt een scala van arbeidsmarktinstrumenten ingezet. De reeds overeengekomen inspanningsverplichting van werkgevers tot plaatsing van 400 personen, behorende tot de groep gedeeltelijk arbeidsongeschikten (inclusief REA), langdurig werklozen en/of allochtonen vormt onderdeel van integrale arbeidsmarktbenadering. Partijen handhaven het meld- en coördinatiepunt op het secretariaat van de VPB. Tijdens de looptijd van deze CAO zullen partijen de arbeidsmarktbenadering evalueren. Bij de uitwerking van de integrale arbeidsmarktbenadering zullen de werknemerspartijen bij deze CAO worden betrokken.

Artikel X.3 Vacature melding

Ten einde de inzichtelijkheid van de arbeidsmarkt te bevorderen zal de werkgever alle daarvoor relevante vacatures kenbaar maken aan desbetreffende Regionaal Bureau voor de Arbeidsvoorziening. Dit geldt als een continu aandachtspunt. Een en ander krijgt dan een bijzonder accent in het kader van reorganisatie en wijzigingen in het personeelsbestand, zoals hieronder verder bedoeld.

Vooraleer vacatures naar buiten toe opengesteld worden zal eerst intern in het bedrijf de mogelijkheid tot sollicitatie geboden worden.

Artikel X.4 Scholing

Er is een Stichting Opleidingsfonds Beveiligingsbranche, hierna te noemen SOBB. De werkgever is een bijdrage verschuldigd van 0,05% van de loonsom t.b.v. SOBB. De grondslag voor de heffing is de loonsom WW. De statuten en het in dit kader vastgesteld reglement van het SOBB worden geacht onverbrekelijk deel uit te maken van deze overeenkomst. CAO-partijen zullen het bestuur van het SOBB-fonds verder stimuleren in het ontwikkelen van initiatieven om scholing en opleiding in te zetten om de kwaliteit van de bedrijven en medewerkers in de branche voortdurend te verhogen.

Artikel X.5 Employability en loopbaanperspectief

  1. CAO-partijen zullen gezamenlijk mogelijkheden onderzoeken om de inzetbaarheid van medewerkers gedurende een langere periode blijvend te stimuleren door scholing en training. Dit op basis van de mogelijkheden binnen het betreffende bedrijf en de doelstellingen van het SOBB.
  2. De werkgever zal verzoeken van de werknemer om in aanmerking te komen voor het vervullen van verschillende functies overwegen, indien dit organisatorisch mogelijk is en past binnen de bedrijfsvoering.
  3. Gedurende de looptijd van deze CAO zal op HBO-niveau een studierichting worden ontwikkeld voor staf- en rayonfuncties binnen de particuliere beveiliging.
  4. Op ondernemingsniveau wordt 0,2% van de bruto loonsom beschikbaar gesteld voor kinderopvang.
Artikel X.6 Periodiek overleg over werkgelegenheidsontwikkelingen tussen CAO-partijen

Elk kwartaal wordt tussen CAO-partijen overleg gevoerd over de economische toestand en de economische vooruitzichten ten aanzien van de sector en in het bijzonder met betrekking tot de werkgelegenheid. Het doel hiervan is vakorganisaties informatie te verstrekken zodat de werkgelegenheidsontwikkelingen nauwgezet gevolgd kunnen worden gevolgd. Onderwerpen die aan de orde kunnen komen zijn zaken die betrekking hebben op de werkgelegenheid in zowel kwantitatieve zin als kwalitatieve zin, zoals:

Artikel X.7 Uitzendkrachten in sector of onderneming
  1. Partijen bij deze overeenkomst melden de overeenkomst aan bij de Stichting Meldingsbureau Uitzendbranche. Voor uitzendkrachten gelden de arbeidsvoorwaarden conform deze overeenkomst.
  2. Ten hoogste 20% van het vaste personeelsbestand (op bedrijfsniveau) mag bestaan uit uitzendkrachten.
  3. De omvang van het uitzendwerk binnen de branche wordt jaarlijks gecommuniceerd naar de vakorganisaties.
  4. Met ingang van loonperiode 1 van 2003 komen de leden 1 tot en met 3 te vervallen en is het volgende van toepassing:
  5. Voor uitzendkrachten gelden de lonen, toeslagen en vergoedingen conform deze overeenkomst. Onder lonen, toeslagen vergoedingen wordt verstaan:
    1. het naar tijdruimte vastgestelde loon met inbegrip van ADV en andere arbeidsduurbepalingen;
    2. toeslagen voor overwerk, arbeid op bijzondere uren, arbeid op eerder vastgesteld roostervrije dagen, arbeid op feestdagen;>/li>
    3. (kosten)vergoedingen.
  6. Voor uitzendkrachten gelde de algemene normen arbeids- en rusttijden en de aanvullende regels met betrekking tot roosters.
  7. Partijen bij deze overeenkomst melden de overeenkomst aan bij de Stichting Meldingsbureau Uitzendbranche.
  8. Ten hoogste 20% van het vaste personeelsbestand (op bedrijfsniveau) mag bestaan uit uitzendkrachten.
  9. De omvang van het uitzendwerk binnen de branche wordt jaarlijks gecommuniceerd naar de vakorganisaties.
Artikel X.8 Werkgelegenheid bij contractswisseling

De Beveiligingsbranche opereert in het kader van privatisering en uitbesteding. Contractswisselingen zijn derhalve een vast kenmerk in de sector. De werkgever zal de betrokkenen inclusief de vakbonden op de hoogte stellen en inzicht geven omtrent de omvang van het contract, in het kader van lid 1.

Ingeval van contractswisseling geldt het volgende:

  1. In de situatie bij contractswisseling ten gevolge van heraanbesteding, respectievelijk hergunning door de cliënt, zal de werkgever continuïteit van de arbeidsverhouding binnen zijn onderneming zoveel mogelijk trachten te waarborgen. Hiertoe zal zoveel mogelijk vervangende werkgelegenheid binnen de onderneming, respectievelijk het concern worden gezocht en aangeboden, terwijl tevens de werkgever bereid is in overleg te treden met de ander in het geding zijnde werkgever, teneinde zoveel mogelijk werkgelegenheid te behouden. De werknemer zal hieraan zijn medewerking verlenen.
  2. De beveiligingsorganisatie, die bij contractswisseling als hier bedoeld, een project verwerft, heeft de plicht bij het (de) andere betrokken bedrijf(ven) informatie in te winnen met betrekking tot de personeelssterkte, -samenstelling en arbeidsvoorwaarden van de betrokken werknemers op het desbetreffende project. Het bedrijf dat het project verliest, heeft zelfstandig de plicht de hierbovenbedoelde informatie met betrekking tot het project te verstrekken. De informatie-opvraag respectievelijk -verstrekking, zal geschieden zodra het (de) betrokken bedrijf(ven) zekerheid over de gunning van de cliënt heeft (hebben) ontvangen. De te verstrekken informatie heeft betrekking op de situatie, 3 maanden voorafgaand aan het moment van de offerteaanvraag, of bij gebreke daarvan, de gunning, en geeft de sindsdien opgetreden mutaties aan.
  3. Indien de beveiligingsorganisatie - die het project verwerft - een werknemer in dienst van de beveiligingsorganisatie die het project verliest, een arbeidsovereenkomst aanbiedt, zijn hierop tenminste de volgende bepalingen van toepassing:
    1. er geldt geen proeftijd, tenzij de werknemer bij het bedrijf dat het project verliest nog in de proeftijd werkzaam was;
    2. het arbeidscontract geldt voor onbepaalde tijd, tenzij de werknemer bij het bedrijf dat het project verliest nog op een contract voor bepaalde tijd werkzaam was;
    3. voor parttime werknemers bij aanvang tenminste een gelijk aantal uren per periode zal gelden;
    4. aan de hand van het niveau van het basissalaris wordt de werknemer in de CAO-functiegropen op een gelijk salarisniveau ingedeeld en worden functiejaren, voor zover nog van toepassing, verder opgebouwd;
    5. het aantal dienstjaren telt mee voor de toepassing van aan de CAO gerelateerde arbeidsvoorwaarden.
Artikel X.9 Werkgelegenheid en de structuurwijziging in de onderneming

In geval van een op handen zijnde nieuwe investering, liquidatie, reorganisatie, inkrimping van activiteiten of andersoortige ingrijpende wijziging in de bestaande organisatie van de ondernemingen, welke gevolgen heeft voor de werkgelegenheid in kwantitatieve en kwalitatieve zin of aantasting van de bestaande rechtspositie van een aantal werknemers betekent, is de werkgever gehouden in een zo vroeg mogelijk stadium melding te doen aan CAO-partijen, aan werkgevers- en werknemerskant, over de beweegredenen voor het besluit en de te verwachten sociale gevolgen voor de werknemers en daarover eveneens overleg te plegen rekening houdend met het hieronder staande.

  1. Fusies, reorganisaties, sluiting

  2. Overeenkomstig het SER-besluit Fusiegedragsregels (1975) en de Wet op de Ondernemingsraden zullen:
    1. bij voorgenomen fusie, ingrijpende reorganisatie, inkrimping of sluiting van de onderneming, waarbij ontslag of overplaatsing van werknemers naar een andere standplaats het gevolg is, direct de ondernemingsraad en de vakorganisaties tijdig ingelicht en in de gelegenheid gesteld worden advies uit te brengen;
    2. in overleg met de vakorganisaties regelingen getroffen voor eventueel afvloeiing, alsmede garanties voor sociale begeleiding van betrokken werknemers;
    3. de vakorganisaties onmiddellijk door de werkgever in kennis worden gesteld van een aanvrage tot surséance van betaling of van een ingediend verzoek tot faillissement.
  3. Sociaal plan
    1. Inhoud sociaal plan

    2. Het totaal van maatregelen gericht op het in sociaal opzicht in goede banen leiden van de voorgenomen fusie, ingrijpende reorganisatie, inkrimping of al dan niet gehele liquidatie (van afzonderlijke onderdelen) van de onderneming, waaronder de voorzieningen gericht op het voorkomen, verminderen of wegnemen van eventuele nadelige gevolgen voor de werknemers, wordt neergelegd in een sociaal plan. Dit sociaal plan kan van toepassing zijn op de gevolgen hetzij van een bepaald voorgenomen besluit, hetzij van alle binnen een bepaalde periode vallende voorgenomen besluiten als bedoeld in dit artikel.
    3. De werkgever voert overleg met de werknemersorganisaties, indien de werkgever dit wenst in het bijzijn van de werkgeversorganisatie, over de inhoud van het sociaal plan ten minste voor zover het betreft:
    Indien de ondernemingsraad zulks wenst, wordt het overleg uitgebreid tot alle aspecten van het sociaal plan. In dit overleg wordt er naar gestreefd om tot afspraken te komen. Indien deze inderdaad worden gemaakt, zullen zij in het vervolg van de adviesprocedure met de ondernemingsraad, ex artikel 25 WOR, geen verandering meer kunnen ondergaan. Blijkt het niet mogelijk binnen een redelijke termijn tot afspraken te komen dan zal de werkgever in het vervolg van de adviesprocedure zijn voorgenomen besluit ter zake van de onder 7.b.2. genoemde arbeidsvoorwaardelijke regelingen aan de ondernemingsraad kenbaar maken, waarbij het standpunt van de werknemersorganisatie ter zake zal weergeven.


Hoofdstuk XI. Sociale Commissie Beveiligingsorganisaties en naleving CAO

Artikel XI.1 Sociale Commissie beveiligingsorganisaties
  1. Ter bevordering van een juiste en eenvormige toepassing, alsmede naleving van het gestelde in deze overeenkomst hebben partijen een Commissie ingesteld, genaamd Sociale Commissie Beveiligingsorganisaties.
  2. Deze commissie heeft de volgende taken:
    1. Het oordelen over interpretatiegeschillen tussen werkgever en werknemer, voortvloeiende uit de bepalingen van deze overeenkomst.
    2. In een interpretatiegeschil tussen werkgever en werknemer, dan wel tussen een werknemersorganisatie partij bij deze CAO en werkgever, is de commissie pas ontvankelijk als het betreffende geschil tussen werknemers-, dan wel werkgeversorganisatie partij bij deze CAO en werkgever binnen de gebruikelijk omgang aan de orde is geweest. Ieder interpretatiegeschil wordt hier mede verstaan een geschil over de naleving of juiste toepassing van de CAO.

    3. Indien het hiervoren bedoelde geschil voor een of beide partijen niet tot een acceptabele oplossing heeft geleid, dan wel een der partijen niet wenst te overleggen, kan het geschil aan de commissie worden voorgelegd, die daarover een bindend advies uitbrengt.
    4. Initiatief nemen tot onderzoek op naleving van deze overeenkomst door een werkgever, zonder dat een verzoek tot behandeling in een individueel geschil is gedaan.
    5. Het bevorderen van overleg tussen partijen, met name met betrekking tot de uitwerking van het gestelde in het artikel en IV.4 van deze overeenkomst, alsmede desgevraagd geven van advies en voorlichting omtrent betekenis en inhoud van de bepalingen van deze overeenkomst.
Artikel XI.2 Invloed ondernemings-CAO

Indien er in een bedrijfs-CAO niet is afgeweken, heeft de commissie bovengenoemde taken voor zover het de bepalingen betreft van de bedrijfs- CAO die gelijk zijn aan de bepalingen in deze overeenkomst.

Artikel XI.3 Procedure naleving CAO en boeteregeling terzake interpretatieverschillen

  1. De werkgever is gehouden om op schriftelijk verzoek van een individuele werknemer, van een werknemersorganisatie die partij is bij deze CAO, of van de Sociale Commissie binnen 4 weken schriftelijk aan te tonen dat de CAO door hem correct is nageleefd.
  2. Indien de werkgever verzuimt of niet dan wel onvoldoende kan aantonen dat de CAO door hem getrouwelijk is nageleefd, kan de individuele werknemer of werknemersorganisatie de kwestie schriftelijk ter beoordeling voorleggen aan de Sociale Commissie.
  3. De Sociale Commissie zal vervolgens uiterlijk binnen 3 maanden na ontvangst van het in lid 2 bedoelde verzoek een uitspraak doen over het onderliggende geschil. De individuele werknemer of werknemersorganisatie is echter te allen tijde bevoegd zich schriftelijk tot de voorzitter van de Sociale Commissie te wenden met het verzoek, wegens gewichtige redenen, uiterlijk binnen 4 weken na ontvangst van de in lid 2 bedoelde verzoek, een uitspraak te doen over het onderliggende geschil. Gewichtige redenen zullen o.a. aanwezig geacht kunnen worden, indien de werknemer als gevolg van het onderliggende geschil in ernstige (financiële) problemen geraakt dan wel dreigt te geraken dan wel indien het onderliggende geschil op andere gronden geen langer uitstel duldt.
  4. Indien de werkgever, na een zelfstandig verzoek hiertoe van de Sociale Commissie verzuimt of niet dan wel onvoldoende aannemelijk kan maken dat de CAO door hem correct is nageleefd, kan de Sociale Commissie terzake eveneens een uitspraak doen.
  5. De Sociale Commissie is bevoegd de werkgever, die verzuimt of niet dan wel onvoldoende kan aantonen de CAO na te leven, een boete op te leggen
  6. De Sociale Commissie zal bij het opleggen van een boete, naar redelijkheid en billijkheid handelen.
  7. De boete bedraagt maximaal 100% van het behaalde financiële voordeel, met een minimum van 113,45 en wordt betaald aan het fonds Sociale Commissie.

  8. De omvang van het financieel voordeel is gelijk aan de na te betalen CAO-verplichtingen aan de werknemer. Deze bepaling geldt slechts voor de materiële bepalingen.
  9. Het betalen van de boete ontslaat de werkgever niet van de plicht de rechten van de werknemer na te komen.
  10. De door de Sociale Commissie gedane uitspraak, al dan niet met opgelegde boete, heeft de status van een bindend advies.
  11. Besluiten van de Sociale commissie met een algemene strekking worden anoniem onder de VPB-leden verspreid.
  12. De procedures in het kader van de VPB gedragscode staan open voor de vakbonden.
Artikel XI.4 Procedure naleving CAO en boeteregeling terzake klachten over veiligheid
  1. Partijen zullen ernaar streven voor 1 januari 2003 een procedure op te stellen terzake klachten over veiligheid.
  2. Tevens zullen partijen ernaar streven voor die tijd zorg te dragen voor de aanpassing reglement sociale commissie Beveiligingsorganisaties.

Reglement Sociale Commissie Beveiligingsorganisaties ter vastlegging, samenstelling en bevoegdheden van de uitvoering van taken

Artikel 1. Begripsomschrijving

In dit reglement wordt verstaan onder:
a. CAO: de collectieve arbeidsovereenkomst beveiligingsorganisaties
b. commissie: de Sociale Commissie Beveiligingsorganisaties als bedoeld in artikel XI.1 van de CAO
c. werkgeverspartijen: partijen ter ene zijde als genoemd in de aanhef van de CAO;
d. werknemerspartijen: partijen ter andere zijde als genoemd in de aanhef van de CAO;
e. werkgeversleden: door werkgeverspartijen benoemde leden;
f. werknemersleden: door werknemerspartijen benoemde leden;
g. voorzitter: geeft leiding aan de kommissie en heeft de taken en bevoegdheden zoals hieronder beschreven;
h. ambtelijk secretaris: voert onder verantwoordelijkheid van de voorzitter de huishoudelijke en administratieve taken uit, zoals hieronder omschreven;
Artikel 2. Samenstelling

  1. De commissie wordt door werkgevers- en werknemerspartijen benoemd en bestaat uit 3 werkgeversleden en 3 werknemersleden, alsmede een onafhankelijk voorzitter.
  2. De leden der commissie worden benoemd voor onbepaalde tijd.
  3. Bij de benoeming van de leden van de commissie zullen zowel van werkgevers als werknemerszijde tenminste 2 leden worden benoemd, die aan de totstandkoming van de CAO hebben meegewerkt, voor zover de mogelijkheid zich daartoe voordoet.
  4. De 3 werkgeversleden en de 3 werknemersleden wijzen gezamenlijk, niet uit hun midden komende voorzitter aan, telkens voor een periode van 2 jaar. De voorzitter is bij voorkeur een jurist.
Artikel 3. Vergaderingen en besluitvorming
  1.  
    1. De commissie vergadert zo dikwijls als de commissie en/of de voorzitter dit nodig acht. Indien één werkgevers- of werknemerspartijen onder opgaven van redenen een vergadering wenst, wordt deze door de voorzitter uitgeschreven.
    2. De voorzitter heeft tot taak de vergadering te leiden en toe te zien op de voortgang van bij de commissie in behandeling zijnde zaken. Hij heeft geen stemrecht, maar heeft een adviserende stem.
  2. Alle besluiten worden genomen bij gewone meerderheid van stemmen in een vergadering waarbij tenminste 2 werkgevers- als 2 werknemersleden aanwezig zijn. Elk van de aanwezige leden brengt een stem uit, met dien verstande dat bij dispariteit in de aanwezigheid van werkgevers- en werknemersleden elk van de leden zoveel stemmen uitbrengt als van de andere partij leden aanwezig zijn.
  3. Staken de stemmen dan volgt geen uitspraak.
Artikel 4. Bevoegdheden en procedure van behandeling

De commissie zal individuele interpretatieverschillen aangebracht door (één der) betrokkenen in behandeling nemen. Verder kan de commissie zelfstandig besluiten een werkgever te verzoeken aan te tonen, dat hij op de door de commissie genoemde punten de CAO getrouw naleeft.

  1. Individuele interpretatiegeschillen:

  2. Het behandelen van een interpretatiegeschil zal uitsluitend plaatsvinden indien het verzoek door betrokkenen schriftelijk en met redenen omkleed is ingediend.
    Alvorens een geschil in behandeling wordt genomen dient ten genoege van de commissie vast te staan, dat geschil binnen de gebruikelijke omgang tussen werkgever en werknemer dan wel direct betrokkenen en werknemer- of werkgeversorganisaties bij deze CAO aan de orde is gesteld en niet tot een oplossing is gekomen.
    1. De commissie zal ingeval van een individueel geschil binnen 3 maanden na ontvangst van het hierboven bedoelde verzoek, en in geval van een zelfstandig verzoek van de Sociale Commissie, binnen 3 maanden na ontvangst van de reactie van de werkgever, dan wel 4 weken na verzending van het verzoek, de behandelingsprocedure afronden. Dat wil zeggen, in geval van een individueel geschil een bindend-adviesuitspraak doen en ingeval van een zelfstandig verzoek van de commissie zelf een uitspraak, zoals hieronder bedoeld.
    2. Indien betrokken partij(en) zulks nodig acht(en), kunnen zij het verzoek doen tot een speciale spoedbehandeling waarbij de uitspraak op een zo kort mogelijk termijn wordt gedaan. De voorzitter heeft het recht te bepalen of er termen voor spoedbehandeling aanwezig zijn. De spoedbehandeling zal er toe leiden, dat zo mogelijk binnen 4 weken, in plaats van 3 maanden, uitspraak wordt gedaan.

    3. De redenen die kunnen worden aangevoerd, zullen onder andere aanwezig geacht kunnen worden indien de werknemer als gevolg van het onderling geschil in ernstige financiële problemen is geraakt dan wel dreigt te geraken, alsmede als het onderliggende geschil om andere gewichtige redenen geen langer uitstel duldt.
  3. Bij behandeling van geschillen over de niet-naleving van de CAO zal de procedure omschreven in artikel XI.3 lid 3 worden gevolgd.
Artikel 5. Algemeen secretaris

De commissie benoemt een algemeen secretaris. De commissie en/of voorzitter kan bepaalde, met name huishoudelijke en ondersteunende werkzaamheden, opdragen aan de algemeen secretaris. Deze is ambtshalve secretaris van deze commissie.

Artikel 6. Bevoegdheden

  1. De commissie is bevoegd alvorens een beslissing te nemen, nader inlichtingen in te winnen zowel van direct betrokkenen als van derden. Zij is bevoegd direct betrokkenen, getuigen of deskundigen tot nadere toelichting op te roepen om op haar vergadering te verschijnen. Een dergelijke oproep dient te geschieden met inachtname van een termijn van 14 dagen.
  2. Beslissingen van de commissie zijn bindend en worden gemotiveerd en schriftelijk aan betrokkenen medegedeeld. De voorzitter tekent namens de vaste commissie de beslissingen.
Artikel 7. Kosten

De commissie bepaalt bij het geven van haar bindende uitspraak respectievelijk haar conclusie dat ze zich van een uitspraak onthoudt, de kosten van haarzelve en die van partijen bij het vraagstuk, alsmede door welke partijen of in welke verhouding door partijen die kosten zullen worden gedragen.

Artikel 8. Algemeen

Voor zover in dit reglement niet is voorzien bepaalt de commissie zelf haar werkwijze.

Artikel 9. Wijziging reglement

Het reglement kan door werkgevers- en werknemerspartijen te allen tijde in gezamenlijk overleg worden gewijzigd.
 


Hoofdstuk XII. Diverse bepalingen

Artikel XII.1 Antidiscriminatie
  1. Met inachtneming van objectieve functie-eisen wijzen partijen discriminatie bij tewerkstelling op grond van factoren als leeftijd, sekse, seksuele geaardheid, burgelijke staat, samenlevingsvorm, levens- of geloofsovertuiging, huidskleur, ras of etnische afkomst, nationaliteit en politieke keuze af en verklaren gelijke kansen voor mannen en vrouwen in het arbeidsproces te willen bevorderen. In dat verband zullen partijen nadere voorzieningen nastreven ten aanzien van werving en selectie, opleiding en loopbaanbegeleiding.
  2. Ten aanzien van klachten voorziet de Sociale Commissie in behandeling daarvan en doet hierover uitspraak.
Artikel XII.2 Ongevallenverzekering
  1. De werkgever is verplicht een collectieve ongevallenverzekering met een 24-uursdekking af te sluiten voor alle werknemers in dienst bij de werkgever. Deze verzekering geeft minimaal recht op een éénmalige uitkering aan de werknemer in geval van een ongeval van:
    1. 1x het jaarloon in geval van overlijden;
    2. 1½x het jaarloon (maximaal), in geval van algehele blijvende invaliditeit.
  2. De voorwaarden en de begunstiging zijn opgenomen in de verzekeringspolis welke voor een ieder ter inzage ligt op het kantoor van werkgever.
Artikel XII.3 Jaarverslagen

De wettelijke voorgeschreven jaarverslagen voor ondernemingen in het kader van financiële verslaggeving, Arbo en het sociaal jaarverslag worden, indien de vakorganisaties hierom verzoeken, verstrekt.

Artikel XII.4 Vakbondswerk in de onderneming

  1. Vakbondskaderleden genieten een rechtsbescherming krachtens deze CAO, overeenkomstig de leden van ondernemingsraad krachtens de Wet op de Ondernemingsraden.
  2. Op brancheniveau wordt tussen partijen voor de ondernemingen afhankelijk van de omvang van de personele bezetting een volume bepaald en geregeld wie als kaderlid, zoals bedoeld in de CAO, wordt aangemerkt.

Artikel XII.5 Tussentijdse wijzigingen

  1. In geval van buitengewoon ingrijpende veranderingen in het algemene sociaal-economische verhoudingen, zijn partijen gerechtigd tijdens de duur van de overeenkomst wijzigingen in deze overeenkomst aan de orde te stellen, welke met deze veranderingen in direct verband staan.
  2. Partijen zijn in dit geval verplicht de aan de orde gestelde voorstellen in behandelingen te nemen.
Artikel XII.6 Duur van de overeenkomst en opzegging
  1. Deze overeenkomst is aangegaan voor de periode van 1 april 2002 tot en met 31 maart 2004.
  2. Partijen zullen ruimschoots voor het einde van deze overeenkomst in overleg treden of en in hoeverre de overeenkomst dient te worden gewijzigd.
  3. Indien het overleg wordt beëindigd zonder dat de partijen tot overeenstemming zijn gekomen, kan de overeenkomst door beide partijen worden opgezegd. Deze opzegging dient schriftelijk te gebeuren bij aangetekend schrijven.
Artikel XII.7 Financiering activiteiten op branche-niveau

Er is een sociaal fonds opgericht waaruit activiteiten op branche-niveau ten behoeve van het CAO-overleg worden bekostigd. Voor de looptijd van deze overeenkomst betreft dit:

Met ingang van 1 april 2002 wordt de werkgeversbijdrage aan het Sociaal Fonds wordt vastgesteld op 0,03% van de loonsom per jaar. De grondslag voor de heffing is de loonsom WW. Het Sociaal Fonds wordt beheerd door CAO-partijen.

Hoofdstuk XIII. Protocollaire bepalingen

Artikel XIII.1 Ouderenbeleid

De haalbaarheid van een breder op te zetten ouderenbeleid wordt onderzocht en besproken. Onderdeel daarvan zijn de huidige CAO-bepaling en de VUT- regeling. Tijdens de looptijd van de huidige CAO zal overleg plaatsvinden tussen CAO-partijen conform het gestelde in bijlage 6.

Artikel XIII.2 Harmonisatie CAO's

Met ingang van 1 januari 1999 dienen de verschillende CAO's die op ondernemingsniveau thans nog in de branche gelden en de branche-CAO te zijn geharmoniseerd en geldt de laatste als minimum-CAO voor de gehele branche. Een en ander met dien verstande, dat, indien en voorzover de vakorganisaties en de betrokken onderneming(en) per 1 januari 1999 geen volledige overeenstemming hebben bereikt over de aanpassing van de betreffende CAO('s), de betreffende onderneming(en) van deze bepaling is/zijn gedispenseerd, totdat volledige overeenstemming is bereikt over de aanpassing van de betreffende CAO('s).

Artikel XIII.3 Onderzoek functieraster

Werkgevers en werknemers zullen gedurende de looptijd van de CAO, naar aanleiding van het opleidingsmodel, een studie verrichten naar eventuele aanpassingen van het huidige functieraster.

Artikel XIII.4 Protocol overwerk

  1. Werkgevers en vakbonden zullen gedurende de looptijd van deze CAO een studie verrichten naar het overwerk binnen de sector. Daartoe zal een paritaire begeleidingscommissie in het leven geroepen worden. Sociale partners kunnen ertoe besluiten externe (advies-) organisaties aan deze commissie toe te voegen.
  2. In het kader van deze studie zullen partijen o.a. de volgende activiteiten uitwerken:
  3. Om de voortgang te waarborgen, spreken partijen af om vanaf september 2002 de begeleidingscommissie bijeen te roepen. Deze commissie zal minimaal 2 maandelijks vergaderen. De resultaten van het onderzoek worden vóór 1 juli 2003 aan sociale partners gepresenteerd.

Artikel XIII.5 Studie naar verdere vereenvoudiging

  1. In aanmerking nemende de wens van sociale partners om de CAO te vereenvoudigen, zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd in hoofdstuk IV van de CAO.
  2. Onderzocht zal dienen te worden op welke wijze een verder vereenvoudiging van de CAO gerealiseerd kan worden, De looptijd van dit onderzoek zal in een tijdspad vastgelegd worden, opdat verdere stappen in de vereenvoudiging, indien de resultaten van de studie daartoe aanleiding geven, bij het afspreken van de volgende CAO gerealiseerd kunnen worden. De resultaten van deze studie kunnen door sociale partners worden gebruikt als input voor het volgende CAO-overleg.

 

Aldus overeengekomen en getekend ter respectievelijke woonplaatsen:

Partij ter ene zijde:
 
Vereniging van particuliere beveiligingsorganisaties
W.G. van Hassel W.A.H. van de Ven
(voorzitter) (voorzitter CAO-delegatie)

Partijen ter andere zijde:
 
De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening
J.P.H. Teuwen S. Koetloe
(voorzitter) (voorzitter beroepsgroep beveiliging)
FNV Bondgenoten
K.Y. Reus A. Jongbloed
(bestuurder) (CAO-coördinator)
Dienstenbond CNV
G.F. van der Linden D. Swagerman
(CAO-coördinator) (voorzitter)


Bijlage 1A

Model-arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor onbepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . .
De functie is ingedeeld in functiegroep . . . . . . en salarisschaal . . . . . met . . . . periodieken en een basissalaris van . . . . . per 4 weken/uur*

Artikel 2
Het dienstverband tussen werkgever en werknemer betreft:

  1. * een fulltime contract;
  2. * een parttime contract voor gemiddeld ...... uur per week volgens vast model/groeimodel* (zie artikel III.1 lid 5 CAO)

  3. met een proeftijd van twee maanden.
Artikel 3
De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1B

Model-arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor bepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . . Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van .... weken/maanden/jaren* en eindigt derhalve, zonder dat opzegging vereist is, van rechtswege op ...........
De functie is ingedeeld in functiegroep . . . . . . en salarisschaal . . . . . met . . . . periodieken en een basissalaris van . . . . . per 4 weken/uur*

Artikel 2
Het dienstverband tussen werkgever en werknemer betreft:

  1. een fulltime contract;
  2. een parttime contract voor gemiddeld ...... uur per week volgens vast model/groeimodel* (zie artikel III.1 lid 5 CAO)

  3. met een proeftijd van twee maanden.
Artikel 3
De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1C

Model-arbeidsovereenkomst voor het verrichten van een bepaald geheel van werkzaamheden

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor bepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . . voor . . . . . . . . . . (duidelijke omschrijving van de werkzaamheden). Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van de hierboven omschreven werkzaamheden en eindigt derhalve zodra de hierboven omschreven werkzaamheden zijn voltooid zonder dat opzegging vereist is. De werkgever zal bij het bekend worden van het einde van de werkzaamheden de werknemer hiervan zo spoedig mogelijk mededeling doen.
De functie is ingedeeld in functiegroep . . . . . . en salarisschaal . . . . . met . . . . periodieken en een basissalaris van . . . . . per 4 weken/uur*

Artikel 2
Het dienstverband tussen werkgever en werknemer betreft:

  1. een fulltime contract;
  2. een parttime contract voor gemiddeld ...... uur per week volgens vast model/groeimodel* (zie artikel III.1 lid 5 CAO)

  3. met een proeftijd van twee maanden.
Artikel 3
De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1D

Model-arbeidsovereenkomst met een uitgestelde prestatieplicht voor onbepaalde tijd

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor onbepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . . De eerste twee maanden van deze overeenkomst gelden als proeftijd.

Artikel 2
De arbeidsduur bedraagt (eventueel gemiddeld) minimaal ... uren per week/loonperiode * (eventueel: en maximaal ... uren per week/loonperiode*.
De functie is ingedeeld in functiegroep . . . . . . en salarisschaal . . . . . met . . . . periodieken en een basissalaris van . . . . . per 4 weken/uur*. Per loonperiode wordt een minimumsalaris gegarandeerd, uitgaande van het overeengekomen minimaal aantal uren. Het minimumsalaris wordt na aftrek van de wettelijke inhoudingen per loonperiode uitbetaald. De meer gewerkte uren worden op basis van nacalculatie per loonperiode verrekend.

Artikel 3
De werknemer is verplicht om, indien hij/zij* door de werkgever wordt opgeroepen, aan deze oproep gehoor te geven. De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1E

Model-arbeidsovereenkomst met een uitgestelde prestatieplicht voor bepaalde tijd

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor bepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . . Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van .... weken/maanden/jaren* en eindigt derhalve van rechtswege op ........... zonder dat opzegging vereist is. De eerste twee maanden van deze overeenkomst gelden als proeftijd.

Artikel 2
De arbeidsduur bedraagt (eventueel gemiddeld) minimaal ... uren per week/loonperiode * (eventueel: en maximaal ... uren per week/loonperiode*.
De functie is ingedeeld in functiegroep . . . . . . en salarisschaal . . . . . met . . . . periodieken en een basissalaris van . . . . . per 4 weken/uur*. Per loonperiode wordt een minimumsalaris gegarandeerd, uitgaande van het overeengekomen minimaal aantal uren. Het minimumsalaris wordt na aftrek van de wettelijke inhoudingen per loonperiode uitbetaald. De meer gewerkte uren worden op basis van nacalculatie per loonperiode verrekend.

Artikel 3
De werknemer is verplicht om, indien hij/zij* door de werkgever wordt opgeroepen, aan deze oproep gehoor te geven. De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1F

Model flexibele jaarovereenkomst voor onbepaalde tijd

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor onbepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . . weken/uur* De eerste twee maanden van deze overeenkomst gelden als proeftijd.

Artikel 2
Het aantal te werken uren per jaar bedraagt .... uren, ingedeeld in dal- en piekperioden. De werktijden worden door de werkgever per loonperiode/kwartaal* vastgesteld en uiterlijk een week bij vaststelling per loonperiode of kwartaal aan de werknemer bekendgemaakt.
De functie is ingedeeld in functiegroep . . . . . . en salarisschaal . . . . . met . . . . periodieken en een basissalaris van . . . . . per 4 weken/uur*. Het salaris bedraagt per jaar . . . . en wordt onder aftrek van de wettelijke inhoudingen per loonperiode in gelijke delen uitbetaald.

Artikel 3
De werknemer is verplicht om, indien hij/zij* door de werkgever wordt opgeroepen, aan deze oproep gehoor te geven. De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1G

Model flexibele jaarovereenkomst voor bepaalde tijd

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor bepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . . weken/uur* Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de tijd van .... weken/maanden/jaren* en eindigt derhalve van rechtswege op . . . . . . zonder dat opzegging vereist is. De eerste twee maanden van deze overeenkomst gelden als proeftijd.

Artikel 2
Het aantal te werken uren per jaar bedraagt .... uren, ingedeeld in dal- en piekperioden. De werktijden worden door de werkgever per loonperiode/kwartaal* vastgesteld en uiterlijk een week bij vaststelling per loonperiode of kwartaal aan de werknemer bekendgemaakt.
De functie is ingedeeld in functiegroep . . . . . . en salarisschaal . . . . . met . . . . periodieken en een basissalaris van . . . . . per 4 weken/uur*. Het salaris bedraagt per jaar . . . . en wordt onder aftrek van de wettelijke inhoudingen per loonperiode in gelijke delen uitbetaald.

Artikel 3
De werknemer is verplicht om, indien hij/zij* door de werkgever wordt opgeroepen, aan deze oproep gehoor te geven. De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1 H 1

Model voorovereenkomst voor bepaalde tijd voor een afroepsituatie

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren de navolgende arbeidsovereenkomst te zijn overeengekomen:

Werknemer verklaart in beginsel beschikbaar te zijn op afroepbasis voor werkgever werkzaamheden te verrichten als beveiligingsbeambte in de functie van . . . . . . ., telkenmale indien werkgever dit wenselijk acht. Werknemer is echter niet verplicht omgehoor te geven aan een oproep tot het verrichten van werkzaamheden, indien deze werkzaamheden hem/haar* op het moment van de oproep door de werkgever, om persoonlijke betreffende reden, niet mocht passen.

Artikel 1
Deze voorovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd (maximaal 48 maanden) van ... maanden/jaren* en eindigt derhalve van rechtswege op ......... zonder dat opzegging vereist is. De eerste twee maanden van deze overeenkomst gelden als proeftijd.

Artikel 2
Indien werkgever oproept en werknemer aan deze oproep gehoor geeft zullen werknemer en werkgever telkenmale voor de duur van de te verrichten werkzaamheden een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (zie bijlage 1H2) sluiten, met inachtneming van de voorwaarden in deze overeenkomst.

Artikel 3
De functie is ingedeeld in functiegroep ....... en salarisschaal ..... met .... periodieken en een basissalaris van . . . .( . . . . . ) per 4 weken/uur*.

Artikel 4
De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

Artikel 5
Indien een werknemer met een voorovereenkomst in een aaneengesloten periode van vier loonperioden een gemiddelde arbeidstijd heeft gekend van minimaal 5 uur per week, zal deze op schriftelijk verzoek van de werknemer vanaf de volgende loonperiode worden omgezet in een parttime contract. Bij de telling worden de loonperioden 7,8,9 en 13 uitgesloten; wel vindt doortelling plaats, d.w.z. na loonperiode 6 volgt periode 10 en na periode 12 volgt periode 1.

Artikel 6
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.
Hiermede vervallen eventuele vorige arbeidsovereenkomsten.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 1 H 2

Model arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd behorend bij de voorovereenkomst voor een afroepsituatie

De ondergetekenden:

naam: .................................................
adres: ................................................
plaats: ...............................................
hierna te noemen 'de werkgever'.

en

naam: ..........................................................
adres: ..........................................................
woonplaats: ..................................................
geboortedatum en -plaats: ............................
hierna te noemen: 'de werknemer'.

verklaren, in aansluiting op het bepaalde in de voorovereenkomst die tussen partijen is gesloten op ......., de navolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd te zijn overeengekomen:

Artikel 1
De werknemer treedt met ingang van .......................... voor bepaalde tijd in dienst van de werkgever als beveiligingsbeambte in de functie in de functie van . . . . . . . . . . . .
De arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor ... uren/dagen/weken/maanden* en eindigt derhalve van rechtswege op . . . . . zonder dat opzegging vereist is.

Artikel 2
De werknemer verbindt zich om de instructies, welke door de werkgever zijn uitgevaardigd in verband met een juiste uitoefening van het bedrijf, te zullen naleven. Voormelde instructies zijn aan de werknemer bekend en worden geacht geen deel uit te maken van deze arbeidsovereenkomst. De werknemer zal de hem toevertrouwde bedrijfsmiddelen zorgvuldig gebruiken.

Artikel 3
De voorwaarden genoemd in de voorovereenkomst tussen partijen zijn ook van toepassing op deze arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd.

Artikel 4
Op deze arbeidsovereenkomst is van toepassing de CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties en de VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals deze thans geldt en zal gaan gelden.

Aldus overeengekomen en in tweevoud opgemaakt te ........... datum ........

de werkgever,                        de werknemer
 
 

* doorhalen wat niet van toepassing is.


Bijlage 2

VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties

VUT-CAO Particuliere Beveiligingsorganisaties 2002-2004
 

Tussen ondergetekenden:
Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties te Gorinchem,
als partij ter ene zijde,
en
De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening te Houten,
FNV Bondgenoten te Amsterdam,
Dienstenbond CNV te Hoofddorp
als partij ter andere zijde, ieder voor zich en tezamen vormend partij ter andere zijde,

Collectieve Arbeidsovereenkomst voor vervroegd uittreden uit Particuliere Beveiligingsorganisaties

Artikel 1 Definities
  1. Werkgever: de organisatie als bedoeld in artikel 3, sub a. (particuliere beveiligingsbedrijven), sub c, (particuliere alarmcentrales) en sub d. (particuliere geld en waardetransportbedrijven) van de Wet Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Stb. 1997,500), waaraan een vergunning als bedoeld in artikel 2 jo. artikel 4 van genoemde wet.
  2. Werknemer: werknemer in de zin van de sociale werknemersverzekeringen, die krachtens een arbeidsovereenkomst met een werkgever is aangegaan, met uitzondering van degen die krachtens een afroepcontract kan worden opgeroepen voor het verrichten van losse, ongeregelde diensten.
  3. Stichting: De Stichting Vrijwillig Vervroegd Uittreden voor Particuliere Beveiligingsorganisaties.
  4. Regeling: de regeling vrijwillig vervroegd uittreden uit de Particuliere Beveiligingsorganisaties, zoals neergelegd in deze CAO, alsmede in de statuten en het uitvoeringsreglement van de Stichting. De statuten en reglementen hier genoemd worden geacht onderdeel uit te maken van deze CAO.
  5. Deelnemer: de werknemer op wie de regeling van toepassing is en wiens verzoek om aan de regeling te mogen deelnemen door de stichting is ingewilligd.
Artikel 2 Werkingssfeer

Deze overeenkomst is van toepassing op arbeidsovereenkomsten tussen de werknemer als bedoeld in artikel 1 lid 2 en de werkgever als bedoeld in artikel 1 lid 1.

Artikel 3 Uitvoering

De uitvoering van deze overeenkomst geschiedt volgens de bepalingen van het uitvoeringsreglement en de statuten van de Stichting. De uitvoering is aan de Stichting opgedragen. De Stichting kan de uitvoering delegeren aan een administrateur onder verantwoordelijkheid van het bestuur van de Stichting.

Artikel 4 Financiering en premieheffing

  1. De financiering van de regeling geschiedt door:
    1. een door de werkgever aan de Stichting te betalen bijdrage, welke geheel ten laste komt van de werkgever;
    2. eventuele overige bijdragen van derden in de vorm van subsidies en donaties en dergelijke.
  2. De hoogte van de in lid 1. onder a. genoemde bijdrage wordt jaarlijks door partijen vastgesteld, nadat hierover advies is ingewonnen bij het bestuur van de Stichting. Met ingang van 1 januari 1995 is de jaarlijkse bijdrage 0,68% van de voor de onderneming van de werkgever voor zijn werknemers geldende premieloonsom ingevolge de Werkloosheidwet.
  3. De wijze van vaststelling en betaling van de bijdrage geschiedt volgens de bepalingen van het uitvoeringsreglement van de Stichting.
Artikel 5 Rechten van de werknemer

Onder nader bij reglement te stellen voorwaarden kan de werknemer die bij uittreden op of na 1 oktober 1993 de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt, dan wel in de met ingang waarvan hij uittreedt, recht op een uitkering krachtens deze regeling maken.
Deze voorwaarden houden onder meer het volgende in:

  1. De aanspraak op een uitkering bestaat indien:
    1. de werknemer gedurende de laatste 10 jaar ononderbroken bij één of meerder werkgevers vallen onder de werkingssfeer van deze CAO, als werknemer werkzaam is geweest niet in aanmerking nemend:
      1. een onderbreking wegens arbeidsongeschiktheid
      2. andere onderbrekingen van beperkte duur buiten de schuld van de werknemer zulks ter beoordeling van het bestuur van de Stichting.
    2. het dienstverband geëindigd is.
  2. Geen aanspraak op uitkering krachtens deze regeling bestaat indien:
    1. betrokken werknemer in aanmerking komt voor een volledige uitkering krachtens ziektewet, de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering, Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de Werkloosheidswet en de wet Werkloosheidsvoorziening of de Wet Inkomensvoorziening voor ouderen en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze werknemers dan wel een combinatie van genoemde uitkeringen;
    2. betrokken werknemer onder een afvloeiingsregeling of non-activiteitsregeling valt;
    3. niet voldoet aan de overige in het reglement van de Stichting opgenomen voorwaarden.
Artikel 6 Uitkering
  1. Als grondslag voor de uitkering geldt het laatst genoten brutoloon, per vier weken dan wel maandelijks, op jaarbasis, vermeerderd met de onregelmatigheidstoeslag(en) en vakantietoeslag(en), maar exclusief incidentele overwerktoeslagen.
  2. De bruto uitkering bedraagt 80% van de grondslag als bedoeld in het eerste lid, herleid tot het maandbedrag. Het maximum van de uitkeringsgrondslag is gelijk aan het maximum dagloon in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of Ziektewet.
Artikel 7 Aanmelden voor deelneming
  1. De werknemer die vervroegd wil uittreden dient zich daartoe tenminste drie maanden voor de gevraagde uittredingsdatum bij de werkgever aan te melden. Met de aanvang van de deelneming aan de regeling eindigt het dienstverband. Indien zijn verzoek tot deelneming niet door Stichting word ingewilligd zal het dienstverband ongewijzigd worden voortgezet. De werknemer dient ervoor te zorgen dat het aanvraagformulier betreffende het verzoek om deelneming uiterlijk twee maanden voor de gewenste uittredingsdatum bij de administrateur wordt ingediend. Een afschrift van het aanvraagformulier dient door de werkgever aan de werknemer te worden uitgereikt.
  2. De deelneming kan uitsluitend aanvangen aan het begin van een kalender- maand.
Artikel 8 Afwijking en dispensatie

Het bestuur van de Stichting is gerechtigd tot het geven van een vergunning tot afwijking, dan wel dispensatie, van één, meer of alle bepalingen van deze CAO.

Artikel 9 Inlichtingen

De werkgever en werknemer zijn verplicht de inlichtingen te verschaffen, die de Stichting noodzakelijk acht voor een goede uitvoering van deze regeling. Indien de werkgever of de werknemer ook na aanmaning niet voldoet aan deze verplichting, is de Stichting bevoegd deze gegevens naar beste weten vast te stellen.

Artikel 10 Ziektekosten- en pensioenverzekeringen

  1. De op het moment van uittreding bestaande, door de werkgever ten behoeve van de werknemer afgesloten ziektekostenverzekering(en) c.q. pensioenverzekering(en) worden door de werkgever tot de pensioendatum onverkort voortgezet, alsof de betrokkene nog in dienst van de werkgever zou zijn gebleven. Daarbij geldt als voorwaarde dat de werknemer zijn eventuele bijdrage in premiebetaling voortzet alsof hij in dienst van de werkgever zou zijn gebleven. Indien de werkgever op het moment van uittreding bijdraagt in een door de werknemer afgesloten ziektekostenverzekering c.q. pensioenverzekering, dan zet hij betaling van deze bijdrage voort alsof betrokkene in dienst van de werkgever zou zijn gebleven.
  2. In het uitvoeringsreglement van de Stichting is opgenomen welk deel van de werkgeversbijdragen voor rekening van de Stichting komen.
Artikel 11 Protocol prepensionering
  1. In de loop van 2003 zal een paritaire werkgroep ingesteld worden die een onderzoek zal (doen laten) verrichten naar het moment waarop overgang van VUT naar prepensioen g gerealiseerd kan worden. In het onderzoek zal de verdeling van de bijbehorende kosten betrokken worden. Tevens zal deze werkgroep een voorstel formuleren voor de inhoud van de nieuwe prepensioenregeling en de daarbij behorende overgangsmaatregelen. De werkgroep zal tevens onderzoeken of wijzigingen in de pensioengrondslag doorgevoerd dienen te worden.
  2. De werkgroep zal haar onderzoeksresultaten presenteren aan sociale partners.
  3. Sociale partners zullen zich inzake het bovenstaande verstaan met de besturen van het VUT-Fonds en het Pensioenfonds
Artikel 12 Duur van de overeenkomst

Na het verstrijken van de vorige overeenkomst op 31 december 2002, zal de overeenkomst verlengd worden met 2 jaar. De looptijd is derhalve van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004.
Het recht op tussentijdse wijzigingen blijft voorbehouden.
 

Aldus overeengekomen en getekend ter respectievelijke woonplaatsen:

Partij ter ene zijde:
 
Vereniging van particuliere beveiligingsorganisaties
W.G. van Hassel W.A.H. van de Ven
(voorzitter) (voorzitter CAO-delegatie)

Partijen ter andere zijde:
 
De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening
J.P.H. Teuwen S. Koetloe
(voorzitter) (voorzitter beroepsgroep beveiliging)
FNV Bondgenoten
K.Y. Reus A. Jongbloed
(bestuurder) (CAO-coördinator)
Dienstenbond CNV
G.F. van der Linden D. Swagerman
(CAO-coördinator) (voorzitter)


Bijlage 3

Loonopgave

Bij elke loonbetaling is de werkgever de werknemer verplicht een schriftelijke opgave te verstrekken waarop minimaal de volgende gegevens dienen te worden vermeld:
Bijlage 4

Functiegroepen en voorwaarden

I. Functiegroepen

Het vak van beveiligingsbeambte wordt uitgeoefend binnen zes functiegroepen, welke gebaseerd zijn op zogenaamde beroepsprofielen. Deze functiegroepen (of beroepsprofielen) zijn:

  1. Objectbeveiliger/receptionist

  2. Deze beveiligingsbeambte verricht beveiligings-, portiers- en/of receptiediensten op een bepaald object. Door het verrichten van controles en het signaleren van onregelmatigheden oefent de beambte preventief toezicht uit, waarbij het kunnen omgaan met of het optreden tegen personen een vereiste is. Toegangscontrole, sleutelbeheer, het ontvangen van en registreren van bezoekers, het beantwoorden van de telefoon, etc. behoort tot de taken.
  3. Mobiel surveillant

  4. Deze beveiligingsbeambte voert in een rayon controleronden uit bij diverse objecten, zowel binnen als buiten. Sluit- en openrondes in de avond en ochtend zijn tevens mogelijke taken. De beambte verplaatst zich overwegend per auto, voorzien van communicatie-apparatuur. Ook alarmopvolging en het uitrukken na een alarmmelding behoort tot de taken.
  5. Winkelsurveillant

  6. Deze beveiligingsbeambte loopt controleronden in winkelcentra en/of door winkels waarbij met alert is op winkeldiefstal en ordeverstoringen. Het kunnen omgaan met en actief optreden tegen personen zijn belangrijke vereisten. Het publiek is men zonodig van dienst voor het beantwoorden van vragen en het geven van informatie. De beambte kan ook controlerende taken hebben ten opzichte van het winkelpersoneel, zoals bijvoorbeeld visitatie. Burgersurveillance kan tot de taken behoren.
  7. Brandwacht

  8. Deze beveiligingsbeambte bewaakt objecten waar speciale eisen worden gestelde omtrent kennis van brandpreventie en brandbestrijding, gevaarlijke stoffen, ontploffingsgevaar, etc. De beambte moet gekwalificeerd zij om bij calamiteiten als brandwacht dan wel brandweerman repressief op te kunnen treden.
  9. Geld- en waardetransporteur

  10. Deze beveiligingsbeambte wordt als chauffeur en/of bijrijder ingezet op geld- en waardetransporten. Het transport vindt plaats met gepantserde voertuigen, welke voorzien zijn van moderne communicatie-apparatuur. De overdracht van waarden geschiedt zowel vanuit de auto via kluizen, als door het overlopen van waarden door de beambte.
  11. Centralist

  12. Deze beveiligingsbeambte neemt meldingen aan van o.a. mobiele surveillanten en coördineert de alarmopvolging bij binnenkomende signalen van het stil alarm. de werkzaamheden worden verricht in een PAC-alarmcentrale of daarmee verbonden satelliet meldkamer en/of in een centrale meldkamer. Goede kennis van en omgang met moderne communicatie- en computerapparatuur zijn vereist.
Toelichting:
De werkgever deelt de werknemer in één van de bovenstaand functiegroepen in bepalend daarbij is de aard van de werkzaamheden die de werknemer verricht. Indien de werkzaamheden voor 50% of meer van de overeengekomen arbeidstijd overeenkomen met de beschrijving van één van de hierboven genoemde functiegroepen, zal aanstelling in deze functiegroep plaatsvinden.
 

II. Functies
Iedere functiegroep is onderverdeeld in functies, gebaseerd op kennis, ervaring en leidinggevende aspecten. Per functiegroep ziet deze onderverdeling en de daarbij behorende voorwaarden tot aanstelling in een functie er als volgt uit:
 

  1. Objectbeveiliger/receptionist
  2. 1.1: Aspirantbeveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die geen beroepservaring heeft en niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte.

    1.2: Aspirantbeveiligingsbeambte B
    De beveiligingsbeambte die (nog) niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte. daarvoor aanwijsbaar studeert en 8 maanden ervaring heeft in beveiligingswerk.

    1.3: Beveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte of terzake van dit diploma een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit.

    1.4: Beveiligingsbeambte B
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte, een geldig EHBO-diploma en 24 maanden ervaring heeft als objectbeveiliger/receptionist.

    1.5: Beveiligingsbeambte C
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 1.4 of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om op één object coördinerende werkzaamheden te verrichten, waarbij de beambte beperkte organisatorische bevoegdheden en verantwoordelijkheden heeft gekregen. Voorbeelden o.a. objecthoofd en adjunct-groepsleider.

    1.6: Beveiligingsbeambte D
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 1.4 of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om op één of meerder objecten coördinerende werkzaamheden te verrichten, waarbij de beambte een aantal leidinggevende en organisatorische bevoegdheden en verantwoordelijkheden krijgt en beperkt van zijn directe uitvoerende beveiligingstaak ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. objectcoördinator en groepsleider.

    1.7: Beveiligingsbeambte E
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 1.4 en in het bezit is van het kaderdiploma beveiligingsbeambte of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om op één of meerder objecten of een groot aantal beveiligingsbeambten leiding te geven, waarbij de beambte voor een aanzienlijk deel wordt ontheven van zijn directe beveiligingstaak ontheven. Voorbeelden o.a. hoofd en (adjunct)inspecteur.

  3. Mobiel surveillant
  4. 2.1: Aspirantbeveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die geen beroepservaring heeft en niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte.

    2.2: Aspirantbeveiligingsbeambte B
    De beveiligingsbeambte die (nog) niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte. daarvoor aanwijsbaar studeert en 8 maanden ervaring heeft in beveiligingswerk.

    2.3: Mobiel beveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte of terzake van dit diploma een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit.

    2.4: Mobiel beveiligingsbeambte B
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte, een geldig EHBO-diploma en 24 maanden ervaring heeft als mobiel surveillant.

    2.5: Mobiel beveiligingsbeambte C
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring en een geldig EHBO-diploma, aangewezen kan worden om collega mobiel surveillanten in te werken en te begeleiden bij hun werkzaamheden, alsmede de groepsleider of rayon coördinator te vervangen. Voorbeelden o.a. adjunct-groepsleider en adjunct rayoncoördinator.

    2.6: Mobiel beveiligingsbeambte D
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 2.5 of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om in een rayon coördinerende werkzaamheden te verrichten, waarbij de beambte een aantal leidinggevende en organisatorische bevoegdheden en verantwoordelijkheden krijgt en beperkt van zijn directe uitvoerende beveiligingstaken ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. rayoncoördinator en groepsleider.

    2.7: Mobiel beveiligingsbeambte E
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 2.5 en in het bezit is van het kaderdiploma beveiligingsbeambte of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om op één of meerder rayons leiding te geven aan een groot aantal mobiel surveillanten, waarbij de beambte voor een aanzienlijk deel van zijn directe uitvoerende beveiligingstaak ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. hoofd en (adjunct)inspecteur.

  5. Winkelsurveillant
  6. 3.1: Aspirantbeveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die geen beroepservaring heeft en niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte.

    3.2: Aspirant winkelsurveillant B
    De beveiligingsbeambte die (nog) niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte. daarvoor aanwijsbaar studeert en 8 maanden ervaring heeft in beveiligingswerk.

    3.3: Winkelsurveillant A
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte of terzake van dit diploma een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit.

    3.4: Winkelsurveillant B
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte (of ter zake een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit), het certificaat detailhandel en een geldig EHBO-diploma en 12 maanden ervaring heeft als winkelsurveillant.

    3.5: Winkelsurveillant C
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde in 3.4 en die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, aangewezen kan worden om collega winkelsurveillanten in te werken en te begeleiden bij hun werkzaamheden, alsmede de groepsleider of rayoncoördinator te vervangen. Voorbeelden o.a. adjunct- groepsleider en adjunct-objectcoördinator.

    3.6: Winkelsurveillant D
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 3.5 of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om coördinerende werkzaamheden te verrichten, waarbij de beambte een aantal leidinggevende en organisatorische bevoegdheden en verantwoordelijkheden krijgt en beperkt van zijn directe uitvoerende beveiligingstaken ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. objectcoördinator en groepsleider.

    3.7: Winkelsurveillant E
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 3.5 en in het bezit is van het kaderdiploma beveiligingsbeambte of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om leiding te geven aan een groot aantal winkelsurveillanten, waarbij de beambte voor een aanzienlijk deel van zijn directe uitvoerende beveiligingstaak ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. hoofd en (adjunct)inspecteur.

  7. Brandwacht
  8. 4.1: Aspirantbeveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die geen beroepservaring heeft en niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte.

    4.2: Aspirant brandwacht B
    De beveiligingsbeambte die niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte maar wel het rijksdiploma brandwacht en 8 maanden ervaring heeft in beveiligingswerk.

    4.3: Brandwacht A
    De beveiligingsbeambte die (nog) niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte maar daarvoor aanwijsbaar studeert en in het bezit is van het rijksdiploma brandwacht en een geldig EHBO-diploma.

    4.4: Brandwacht B
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte (of ter zake een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit), het rijksdiploma brandwacht en een geldig EHBO-diploma.

    4.5: Brandwacht C
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte, het rijksdiploma brandwacht en een geldig EHBO-diploma en 36 maanden ervaring heeft als brandwacht.
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte (of ter zake een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit), het rijksdiploma brandwacht en een geldig EHBO-diploma en 36 maanden ervaring heeft als brandwacht.

    4.6: Brandwacht D
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 4.5 of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring en in het bezit is van het rijksdiploma hoofdbrandwacht, wordt aangewezen om coördinerende werkzaamheden te verrichten, waarbij de beambte een aantal leidinggevende en organisatorische bevoegdheden en verantwoordelijkheden krijgt en beperkt van zijn directe uitvoerende beveiligingstaken ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. hoofdbrandwacht en bevelvoerder.

    4.7: Brandwacht E
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 4.6 en in het bezit is van het kaderdiploma beveiligingsbeambte daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om leiding te geven aan een groep brandwachten, waarbij de beambte voor een aanzienlijk deel van zijn directe uitvoerende beveiligingstaak ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. (onder)brandmeester.

  9. Transporteur
  10. 5.1: Aspirantbeveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die geen beroepservaring heeft en niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte.

    5.2: Aspirant Transporteur B
    De beveiligingsbeambte die niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte en 8 maanden ervaring heeft in beveiligingswerk.

    5.3: Transporteur A
    De beveiligingsbeambte die (nog) niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte maar daarvoor aanwijsbaar studeert.

    5.4: Transporteur B
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte of ter zake van dit diploma een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit.

    5.5: Transporteur C
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte (of ter zake een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit), over een groot rijbewijs beschikt en 36 maanden ervaring heeft als geld- en waardentransporteur.

    5.6: Transporteur D
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 5.5 of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, aangewezen wordt om collega geld- en waardetransporteurs in te werken en te begeleiden bij hun werkzaamheden, alsmede de adjunct-inspecteur te vervangen. Voorbeeld o.a. senior-transporteur.

    5.7: Transporteur E
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 5.6 of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen coördinerende werkzaamheden te verrichten, waarbij de beambte een aantal leidinggevende en organisatorische bevoegdheden en verantwoordelijkheden krijgt, waarbij de beambte voor een aanzienlijk deel van zijn directe uitvoerende beveiligingstaak ontheven kan zijn. Voorbeelden o.a. (adjunct)inspecteur.

  11. Centralist
  12. 6.1: Aspirantbeveiligingsbeambte A
    De beveiligingsbeambte die geen beroepservaring heeft en niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte.

    6.2: Aspirant centralist B
    De beveiligingsbeambte die (nog) niet in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte maar daarvoor aanwijsbaar studeert en 8 maanden ervaring heeft in beveiligingswerk.

    6.3: Centralist A
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte of ter zake van dit diploma een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit.

    6.4: Centralist B
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte.
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het basisdiploma beveiligingsbeambte of ter zake van dit diploma een permanente ontheffing van de Minister van Justitie bezit en 24 maanden ervaring heeft als centralist.

    6.5: Centralist C
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte en 12 maanden ervaring heeft als centralist.

    6.6: Centralist D
    De beveiligingsbeambte die in het bezit is van het vakdiploma beveiligingsbeambte en 24 maanden ervaring heeft als centralist.

    6.7: Centralist E
    Een keuzebevordering door de werkgever waarbij de beveiligingsbeambte, mits die voldoet aan het gestelde onder 6.6 en in het bezit is van het kaderdiploma beveiligingsbeambte of daarmee gelijk te stellen kennis en/of ervaring, wordt aangewezen om leiding te geven aan een groep centralisten, waarbij de beambte voor een gedeeltelijk ontheven kan zijn van zijn directe uitvoerende beveiligingstaak. Voorbeeld o.a. hoofdcentralist.


Toelichting:
De eerste functies in iedere functiegroep bevinden zich op het uitvoerende niveau. Afhankelijk van kennis en ervaring bereikt iedere werknemer indien aan alle bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan een hogere functie. Met het toenemen van die kennis en ervaring wordt van de werknemer verwacht dat aan zijn dienstuitvoering bijzondere eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van de dienstverlening en de te verrichten organisatorische en administratieve taken.
De laatste functies in iedere functiegroep bevatten naast direct uitvoerende taken extra leidinggevende en organisatorische taken. De functies zijn dan ook keuzebevorderingen door de werkgever, welke bepaald worden door de organisatorische ruimte binnen een onderneming. Met de toename van de verantwoordelijkheid van de functie kan het zijn dat de werknemer minder direct in de uitvoerende dienst zijn werkzaamheden verricht. De hieruit voortvloeiende indirecte taken zullen omschreven worden. De benamingen van bovengenoemde functies zijn voorkeursbenamingen. Indien van deze voorkeursbenamingen wordt afgeweken, zal de werkgever duidelijk aangeven met welk functieniveau deze afwijkende benaming moet worden vergeleken.



III. Functies en salarisschalen

Iedere functie in een functiegroep is direct gekoppeld aan een salarisschaal uit de salarisstructuur van bijlage 5. In het onderstaande schema is direct af te lezen welke functie in welke salarisschaal beloond moet worden:

Salarisschalen / Functiegroepen
objectbeveiliger/receptionist mobiel surveillant winkelsurveillant brandwacht geld- en waardetransporteur centralist
1 aspirant beveiligingsbeambte A
2 aspirant beveiligingsbeambte B aspirant mobiel beveiligingsbeambte B aspirant winkelsurveillant B aspirant brandwacht B aspirant transporteur B aspirant centralist B
3 beveiligingsbeambte A mobiel beveiligingsbeambte A winkel surveillant A brandwacht A transporteur A centralist A
4 beveiligingsbeambte B mobiel beveiligingsbeambte B winkel surveillant B brandwacht B transporteur B centralist B
5 beveiligingsbeambte C mobiel beveiligings- beambte C winkel surveillant C brandwacht C transporteur C centralist C
6 beveiligingsbeambte D mobiel beveiligingsbeambte D winkel surveillant D brandwacht D transporteur D centralist D
7 beveiligingsbeambte E  mobiel beveiligingsbeambte E winkel surveillant E brandwacht E transporteur E centralist E

Toelichting:

Het bovenstaande schema geeft in de bovenste rij de functiegroep aan en in de linkerkolom de van toepassing zijnde salarisschaal. Door in de kolom van de voor de werknemer geldende functiegroep diens functiebenaming op te zoeken, kan er direct op diezelfde rij de van toepassing zijnde salarisschaal worden afgelezen.


Bijlage 5

Salarisschalen


Salarisschaal per 1e periode 2003 per uur en per 4 weken (160 uur)
(inclusief een verhoging van 4,0%)



 
Schaal in Euro's
1
2
3
4
5
6
7
18 jaar
 
970,49
1013,60
       
 
 
6,06
6,33
       
19 jaar
 
1109,13
1158,41
1207,70
     
 
 
6,93
7,24
7,55
     
20 jaar
 
1247,76
1303,21
1358,68
1441,87
   
 
 
7,79
8,14
8,49
9,01
   
0 periodieken
 
1386,39
         
 
 
8,66
         
1 periodieken
 
1417,22
1448,01
       
   
8,85
9,05
       
2 periodieken
   
1478,83
1509,64
     
     
9,24
9,43
     
3 periodieken
   
1509,64
1540,46
     
     
9,43
9,62
     
4 periodieken
   
1540,46
1571,25
1602,07
   
     
9,62
9,82
10,01
   
5 periodieken
   
1571,25
1602,07
1632,87
1663,68
 
     
9,82
10,01
10,20
10,39
 
6 periodieken
   
1602,07
1632,87
1663,68
1694,48
1756,12
     
10,01
10,20
10,39
10,59
10,97
7 periodieken
   
1632,87
1663,68
1694,48
1725,30
1786,92
     
10,20
10,39
10,59
10,78
11,16
8 periodieken
   
1663,68
1694,48
1725,30
1756,12
1817,73
     
10,39
10,59
10,78
10,97
11,36
9 periodieken
    1694,48;
1725,30
1756,12
1786,92
1848,54
     
10,59
10,78
10,97
11,16
11,55
10 periodieken
   
1725,30
1756,12
1786,92
1817,73
1879,34
     
10,78
10,97
11,16
11,36
11,74
11 periodieken
     
1786,92
1817,73
1848,54
1910,16
       
11,16
11,36
11,55
11,93
12 periodieken
     
1817,73
1848,54
1879,34
1940,96
       
11,36
11,55
11,74
12,13
13 periodieken
       
1879,34
1910,16
1971,78
         
11,74
11,93
12,32
14 periodieken
         
1940,96
2002,57
           
12,13
12,51
15 periodieken
           
2034,61
             
12,71
16 periodieken
           
2067,17
             
12,911


Bijlage 6

Protocol inzake voorschriften bij ziekte

Inleiding

Partijen, betrokken bij de totstandkoming van de CAO voor de Particuliere Beveiliging besluiten het volgende:

Wet verbetering Poortwachter

Het doel van de Wet Verbetering Poortwachter is het voorkomen dat werknemers onnodig in de WAO terechtkomen. Er wordt geprobeerd te voorkomen dat een zieke werknemer langdurig ziek wordt. En dat kan alleen door snel na de eerste ziekmelding actie te ondernemen. De nieuwe wet biedt een vast kader om uw zieke werknemer zo spoedig mogelijk te reïntegreren naar werk. Overigens komen de acties niet alleen van uw kant, ook de werknemer en de arbodienst spelen een rol.

Spelregels Wet Verbetering Poortwachter

Door deze manier van werken blijven u en uw werknemer continu in contact over de kansen om de werknemer weer aan het werk te helpen. Als werkgever wordt u in feite verantwoordelijk voor het hele traject terug naar werk: preventie, verzuimbegeleiding en het (be)geleiden van de zieke of arbeidsongeschikte werknemer nar betaald werk.
Opdrachtgeverschap Per 1 januari 2003 bent u overigens niet alleen verplicht om uw zieke werknemer te reïntegreren in uw eigen bedrijf, maar ook om zo nodig te proberen om deze bij een andere werkgever onder te brengen. Hiervoor dient u een overeenkomst te sluiten met een reïntegratiebedrijf. In de meeste gevallen kan uw arbodienst u daarbij behulpzaam zijn. De verplichting om werknemer ook te reïntegreren bij een andere werkgever (per 1 januari 2003) heeft een werkgever minimaal zolang het dienstverband duurt (meestal tot 2 jaar nadat iemand ziek is geworden). Een werkgever kan er ook voor kiezen langer verantwoordelijk te blijven voor de reïntegratie van een zieke werknemer (maximaal 6 jaar). Voor reïntegratie bij een andere werkgever kan een reïntegratie bedrijf ingeschakeld worden.


Sancties

De nieuwe regels in de Wet Verbetering Poortwachter zijn niet vrijblijvend. Voor zowel werkgever als werknemer kan het UWV sancties opleggen voor het niet nakomen van de regels.

Voor de werkgever:

Loondoorbetalingsverplichting kan met maximaal 1 jaar verlengd worden (de WAO-aanvraag wordt dan afgewezen), afhankelijk van de aard en de ernst van het verzuim en de periode die nodig is om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten;

Voor de werknemer:

Wanneer de werknemer zonder goede reden niet voldoende meewerkt aan een snelle reïntegratie richting werk, dan kan het loon ingehouden worden of -in het uiterste geval- kan de arbeidsovereenkomst met de werknemer opgelegd worden. Het ontslagverbod tijdens ziekte is dus niet meer geldig. De werkgever moet aannemelijk maken dat de werknemer zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan reïntegratie. Het oordeel van de arbodienst en eventueel van het UWV (deskundigenoordeel) moet overlegd worden in de ontslag aanvraag bij het CWI. Maar niet alleen u en de werknemer hebben plichten. U mag van de arbodienst ook het nodige verwachten. Deze moet u zo goed mogelijk bijstaan, u informeren en adviseren. Overigens was dat al een taak van de arbodienst. Uit het voorafgaande blijkt echter, dat het goed uitvoeren van die taak voor u erg belangrijk is. Maak hierover daarom goede afspraken met uw arbodienst. U kunt echter ook in zee gaan met andere professionals, zoals verzekeraars en reïntegratiebedrijven. Tenslotte mag u ook het een en ander van het UWV verwachten, zoals bijvoorbeeld het geven van een deskundigenoordeel ('oude second opinion').

Voorbeeld Verzuimprotocol

  1. Ziekmelding

  2. De ziekmelding dient zo snel mogelijk plaats te vinden, bij de direct leidinggevende (via de afdeling planning) tijdens kantooruren, buiten kantooruren via de meldkamer. De werknemer dient zich in ieder geval uiterlijk 2 uur voor aanvang van de dagdienst en uiterlijk 4 uur voor aanvang van de avond- of nachtdienst ziek te melden. Hierbij dient de werknemer de ernst van de klacht en de geschatte duur van het verzuim op te geven. Dit geldt ook voor diegene die parttime werkt of een ADV- cq vakantiedag heeft als hij/zij ziek wordt.
    Wanneer de werknemer tijdens de ziekte op een adres verblijft dat een andere is dan bekend bij de werkgever, dan dient de werknemer dit bij de ziekmelding door te geven.
    Ook als de werknemer in het buitenland verblijft en ziek wordt dient dit op dezelfde wijze gemeld te worden en tevens dienen adres en telefoonnummer(s) doorgegeven te worden waar men bereikbaar is. Bij terugkomst dienen een doktersattest en andere relevante documenten, zoals rekeningen, adviezen en kopieën van recepten, te kunnen worden overlegd aan de Arbodienst.
  3. Inzenden eigen verklaring

  4. De werkgever zal de ziekmelding per fax doorgeven aan de Arbodienst. De Arbodienst stuurt de werknemer vervolgens een Eigen Verklaring, die voorzien is van een portvrije enveloppe. Indien een verpleegadres aan de werkgever is doorgegeven, dan ontvangt de werknemer de Eigen Verklaring op dit opgegeven adressen.
    Deze Eigen Verklaring dient de werknemer volledig in te vullen en per omgaande te retourneren aan de Arbodienst.
    De gegevens voor deze verklaring worden op grond van het medisch beroepsgeheim uitsluitend door de bedrijfsverpleegkundige of bedrijfsarts van de Arbodienst ingezien. Mede op basis van deze verklaring beslist de bedrijfsverpleegkundige of de bedrijfsarts of de werknemer het spreekuur dient te bezoeken.
  5. Telefonisch gesprek met de bedrijfsverpleegkundige

  6. De bedrijfsverpleegkundige van de Arbodienst kan op de eerste dag van de ziekmelding de werknemer telefonisch benaderen. De bedrijfsverpleegkundige zal vragen naar de klachten. De aard van het ziekteverzuim en de mogelijk verwachte hervattingsdatum zijn bepalend of de bedrijfsverpleegkundige de werknemer nogmaals een keer telefonisch zal benaderen en/of op korte termijn de bedrijfsarts dient te bezoeken.
  7. Telefonisch gesprek met de bedrijfsarts

  8. Indien de bedrijfsverpleegkundige constateert dat de werknemer niet in staat is om te reizen en het noodzakelijk is contact te hebben met de bedrijfsarts, dan ontvangt de werknemer een brief waarin de datum en het tijdstip vermeld staan dat de arts contact opneemt. De werknemer dient op dat tijdstip thuis te blijven (ook al valt dit buiten de thuisblijftijden).
  9. Raadpleeg de huisarts

  10. De werknemer dient zich in geval van ziekte binnen redelijke termijn onder behandeling van de huisarts te stellen en de voorschriften van de huisarts op te volgen.
  11. Thuisblijven

  12. Om het recht op salaris of uitkering te kunnen beoordelen en om nadere gegevens te kunnen verzamelen dient de werknemer thuis te blijven tijdens de volgende uren:
    's avonds van 18.00 tot 's morgens 10.00 uur en 's middags van 12.00 tot 15.00 uur
    Tijdens genoemde uren mag de werknemer alleen van huis gaan voor een bezoek aan de behandelend arts of om het werk te hervatten. de werknemer dient tijdens de eerste twee weken van de ziekte gedurende deze uren thuis te blijven, ook als er reeds een bezoek van een rapporteur cq verpleegkundige of bedrijfsarts is geweest. Dit geldt niet als de bedrijfsarts of werkgever anders beslist.
  13. Bezoek mogelijk maken

  14. De bedrijfsarts en de bedrijfsverpleegkundige van de Arbodienst moeten de werknemer kunnen bereiken. Daartoe is het nodig dat zij in de gelegenheid gesteld worden om de werknemer thuis of op het verpleegadres te bezoeken. Wanneer er iets bijzonders aan de hand is terwijl de werknemer thuis is (bijvoorbeeld bel defect), dan treft de werknemer zodanige maatregelen, waardoor men toch toegang tot de woning kan verkrijgen.
  15. Het juiste adres

  16. Indien de werknemer tijdens ziekte verhuist, tijdelijk elders verblijft of van verpleegadres verandert, (bijvoorbeeld ten gevolge van opname in, of ontslag uit, het ziekenhuis) dan dient de werknemer dit direct aan de werkgever door te geven.
  17. De genezing niet belemmeren

  18. Indien de werknemer zich tijdens de ziekte zodanig gedraagt dat genezing wordt belemmerd, dan is de werkgever en/of het UWV gerechtigd het salaris of de uitkering niet uit te betalen.
  19. Het verrichten van werkzaamheden

  20. De werknemer mag tijdens ziekte geen arbeid verrichten. Uitzonderingen hierop zijn werkzaamheden waarvoor schriftelijke toestemming is verkregen van de bedrijfsarts van de Arbodienst.
  21. Op het spreekuur komen

  22. De werknemer moet gevolg geven aan een oproep om te verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts. Dat moet ook nog als de werknemer van plan zou zijn de dag nadien of kort erna het werk weer te hervatten.
    Als de werknemer een geldige reden heeft om niet naar het spreekuur te gaan (bijvoorbeeld door bedlegerigheid) dan behoort de werknemer dit direct aan de Arbocentrale telefonisch mede te delen. Het spreekt voor zich dat de werknemer de woning niet kan verlaten. De werknemer dient thuis te blijven om naar de bedrijfsverpleegkundige of de bedrijfsarts de gelegenheid te geven hem/haar thuis te bezoeken.
  23. Specialistisch onderzoek

  24. De werknemer is gehouden mee te werken aan een specialistisch onderzoek in opdracht van de bedrijfsarts, indien deze in overleg met de huisarts een dergelijk onderzoek nodig acht.
  25. Werkhervatting bij herstel

  26. Zodra de werknemer weet wanneer hij/zij instaat is weer aan het werk te gaan, moet de werknemer dit direct melden bij de werkgever.
  27. Bezwaren tegen de hersteldverklaring

  28. Heeft de bedrijfsarts verklaard dat de werknemer in staat is het werk geheel of gedeeltelijk te hervatten, maar is de werknemer het daar niet mee eens, dan moet de werknemer de bezwaren terstond mededelen aan de werkgever. Handhaaft de bedrijfsarts zijn beslissing, dan kan de werknemer bij het UWV een zogenaamde second-opinion aanvragen. De bedrijfsarts geeft aan hoe en waar men het UWV kan bereiken. Als het UWV de werknemer in het gelijk stelt, zal het UWV de werkgever verzoeken het verschuldigde ziekengeld alsnog uit te betalen.
    Ook de werkgever kan een second-opinion aanvragen bij het UWV. Vrijwel zeker komen de kosten van genoemde second-opinion voor rekening van de werkgever, tenzij de werknemer zelf om een second opinion verzocht heeft en in het ongelijk wordt gesteld.
  29. Sancties

  30. Als de Arbodienst een overtreding van bovengenoemde controlevoorschriften constateerd, wordt de werkgever hiervan direct op de hoogte gebracht. In geval van overtreding is de werkgever gerechtvaardigd tot het heffen van sancties tegen de werknemer. Beroep tegen een opgelegde sanctie staat open bij de burgerlijk rechter

Bijlage 7

Criteria aanbesteding reïntegratiecontracten

Met ingang van 1 januari 2003 zijn in het kader van SUWI, werkgevers volledig verantwoordelijk voor de reïntegratie van zijn zieke en arbeidsongeschikte werknemers. Dit geldt voor reïntegratie bij de huidige werkgever (1e spoor) als de reïntegratie bij een andere werkgever (2e spoor). Werkgevers zijn (wettelijk) verplicht om hiervoor een contract te sluiten met een particulier reïntegratiebedrijf. Dit opdrachtgeverschap in overeenstemming met de OR, de personeelsvertegenwoordiging of de vakbonden te zijn.
De CAO-partijen stellen de volgende eisen aan de contracten met reïntegratiebedrijven:


Bijlage 8

De wet arbeid en zorg in kort bestek

  1. Zwangerschap- en bevallingsverlof
    Minimaal 16 weken en minimaal 10 weken bevallingsverlof. Uitkering 100% via UWV. Pensioen- en opbouw vakantiedagen gaan door.
  2. Adoptie- en bindingsverlof
    Beide ouders 4 weken, Uitkering via UWV, 100% dagloon. Pensioen- en opbouw vakantiedagen gaan door. Het adoptie- en bindingsverlof wordt zo nodig in overleg met de werkgevers uitgebreid met 2 weken.
  3. Kraamverlof
    3 dagen betaald verlof binnen 4 weken na thuiskomst kind. Tevens heeft de werknemer het recht aansluitend vakantie op te nemen, tenzij een zwaarwegend bedrijfsbelang zich hier tegen verzet
  4. Ouderschapsverlof
    Beide ouders recht op 13 keer arbeidsduur per week voor kinderen tot 8 jaar met behoud van pensioenopbouw. Het recht geldt voor ouders met kinderen op de basisschool.
  5. Calamiteitenverlof
    Calamiteitenverlof wordt volledig doorbetaald en kan overgaan in kort zorgverlof.
  6. Kort verlof
    Gedurende kort zorgverlof wordt het loon volledig doorbetaald voor 2 maal de wekelijkse arbeidstijd per jaar.
  7. Wet Financiering Loopbaanonderbreking
    De werknemer heeft de mogelijkheid om voor de begeleiding van een naaste in zijn of haar laatste levensfase of voor maximaal een jaar zijn loopbaan onderbreken onde de voorwaarden in de wet Finlo. Gedurende het verlof kan de pensioenregeling op verzoek en onder de gebruikelijke premieverdeling worden voortgezet.
  8. Rouwverlof
    De werknemer heeft de mogelijkheid tot verlof met behoud van loon om het verlies van een naaste te kunnen verwerken. De duur en omvang van het verlof worden vastgesteld in overleg tussen werkgever en werknemer.

Bijlage 9

Adressen

De Unie, vakbond voor industrie en dienstverlening
hoofdkantoor:
Randhoeve 221, 3995 GA Houten
telefoon 030-6345000
fax 030-6379811
e-mail: info@unie.nl

regiokantoren:
Noorden:Assen, Stationsstraat 25, telefoon 0592-332000
Oosten:Duiven, Parallelweg 36, telefoon 0316-251200
Midden:Houten, De Molen 30, telefoon 030-6345200
Noord West:Hoofddorp, Hoofdweg Oostzijde 616, telefoon 023-5563100
West:Capelle aan den IJssel, Voltairetuin 4, telefoon 010-2846600
Zuid Oost:Eindhoven, Noord Brabantlaan 66, telefoon 040-2924400
Zuid West:Bergen op Zoom, Zuid Oostsingel 35, telefoon 0164-217100
Zuid:Sittard, Poststraat 12, telefoon 046-4208400

FNV Bondgenoten

hoofdkantoor:
Goeman Borgesiuslaan 77, Postbus 9208, 3506 GE Utrecht
telefoon 030-2738222
fax 030-2738225
e-mail: info@bg.fnv.nl

Regiokantoren:
Weert, Graafschap Hornelaan 182, telefoon 0495-433000
Groningen, Engelse Kamp 6, telefoon 050-3631000
Deventer, Diepenveenseweg 159, telefoon 0570-512000
Bunnik, Regulierenring 6, telefoon 030-2637000
Amsterdam, Slotermeerlaan 80, telefoon 020-5856000
Rotterdam, Prins Alexanderlaan 41, telefoon 010-2335000
Bergen op Zoom, Sint Jozephstraat 65, telefoon 0164-264000
Weert, Graafschap Hornelaan 182, telefoon 0495-433000
 

Dienstenbond CNV

hoofdkantoor:
Polaris Avenue 175
2132 JJ Hoofddorp
telefoon 023-5651052
fax 023-5650150
e-mail: cnvdienstenbond@cnvdibo.nl

Districtskantoren:
Drachten, Zonnedauw 30, 9202 PA, telefoon 0512-583440
Apeldoorn, Pr. Willem Alexanderlaan 360, 7311 SZ, telefoon 055-5772640
Hilversum, Ampèrestraat 10, 1221 GJ, telefoon 035-6773907
Rotterdam, Bentincklaan 21, 3039 KG, telefoon 010-2651111
Eindhoven, Bomansplaats 14-18, 5611 NT, telefoon 040-2116674
 
 

Vereniging van Particuliere Beveiligingsorganisaties

Stephensonweg 14
Postbus 693, 4200 AR Gorinchem
telefoon 0183-646670
fax 0183-621161
e-mail: vpb@zpg.nl
www.vpb.nl
www.platformbeveiliging.nl

PVF Achmea
Postbus 9251, 1006 AG Amsterdam
telefoon 020-6074050


Bijlage 10

Index

volgt nog (24-1-2003)
ADV-dag
Afroepcontract
Afroepkracht
Algemeen reserverooster
Arbeid in nachtdienst
Arbeidsduur
Arbeidsduurverkorting
Arbeidsovereenkomst
Arbeidsuren
Avonddienst
Basissalaris
Basisuurloon
BHV-diploma
Bijzondere uren
Bloktijd
Bloktijden
Dag
Dagdienst
Dringende reden
EHBO
EHBO-toeslag
EHBO-vergoeding
Feestdagen
Fulltimecontract
Gebroken dienst
Geheimhouding
Invulrooster
Leegloopuren
Loonperiode
Medewerker algemeen reserve
Meeruren
Mobiele surveillance
Nachtdienst
Ondernemingsraad
Onregelmatigheidstoeslag
Opzegtermijn
Overwerk
Parttime
Parttime contract
Pauze
Proeftijd
Reserverooster
Roosterperiode
Roostervrij weekend
Roostervrije dag
Rusttijd
S.E.R.-besluit Fusieregels
Sociaal plan
Transporturen
Vakantie-uren
Vakantiedag
Vakantiejaar
Vakantieloon
Vakantietoeslag
Vakorganisaties
Vakvolwassen leeftijd
Vast rooster
Vervroegd uittreden
VUT
WAO-hiaat
Week
Werkgever
Werknemer
Werkoverleg
Wet Aanpassing Arbeidsduur
Zondagsarbeid