Sinds die tijd leefde de prins een religieus leven en maakte geduldig een studie van de verschillende systemen die werden beoefend door de kluizenaars en yogi's. Naar verloop van tijd ging de wijze, op zoek naar een stille plek, wonen aan de oever van de rivier de Nairanjana waarvan de helderheid paste bij zijn eigenwaarde. Vijf bedelmonniken leefden daar al een leven van kastijdingen, in een nauwkeurige naleving van hun religieuze beloften en trots op hun controle over de vijf zintuigen. Toen de monniken hem daar zagen wachten ze op hem in hun verlangen te worden bevrijd zoals de zinnelijke dingen wachten op een machtig man waaraan de resultaten van zijn vorige levens rijkdom hebben gegeven, en de gezondheid om zich in hen te verheugen. Ze groeten hem eerbiedig, bogen voor hem, volgden zijn bevelen op en plaatsten zich als leerlingen onder zijn toezicht, zoals de rusteloze zintuigen de geest dienen. Hij daarentegen zette zijn wil op kastijden en vooral vasten als de manier om geboorte en dood te overwinnen. In zijn verlangen naar rust teerde hij zes jaar in op zijn lichaam en vaste volgens een aantal zeer moeilijk vol te houden methoden. Tijdens de maaltijd had hij genoeg aan een enkele vrucht van de jujube, een enkel sesamzaadje, en een enkele rijstkorrel - zo verlangde hij de onbegrensde kust van Samsara te bereiken. Zijn lichaam was uitgemergeld door deze zelfkastijdingen maar zijn geestkracht was in dezelfde mate toegenomen. Hoewel hij verloren was bleef zijn glorie en majesteitelijkheid ongeëvenaard en zijn figuur bracht blijdschap bij de mensen die hem bekeken. Hij was zo welkom als de volle maan in de herfst aan de witte lotussen die 's nachts bloeien. Zijn vet, vlees en bloed waren verdwenen. Alleen de huid en beenderen waren nog over. Hoewel hij was uitgeput leek zijn inhoud onuitputtelijk zoals die van de oceaan.
Naar verloop van tijd, echter, werd het hem duidelijk dat deze vorm van excessieve kastijding alleen zijn lichaam uitputte zonder enig bruikbaar resultaat. Door zijn angst voor het tijdelijke en zijn wil om Boeddha te worden redeneerde hij als volgt: "Dit is niet de Dharma die lijdt naar nuchterheid, naar verlichting, naar emancipatie. Die methode die ik ooit vond onder de appelboom was zekerder in zijn resultaten. Maar die meditatie kan niet worden uitgevoerd door dit verzwakte lichaam; daarom moet ik me weer inspannen om mijn kracht terug te vinden in dit lichaam. Als dat is uitgeleefd door honger en dorst, moet de geest op zijn beurt de beperking voelen, dat mentale orgaan dat de vrucht moet binnenhalen. Nee, innerlijke kalmte is nodig voor succes! Innerlijke kalmte kan niet worden behouden zonder dat lichamelijke kracht constant en op intelligente wijze wordt ververst. Alleen als het lichaam redelijk wordt gevoed kan mentale spanning worden voorkomen. Als de geest vrij is van spanning en sereen, dan kan de Trancisiche concentratie erin ontstaan. Waarneer gedachte gecombineerd wordt met Trancische concentratie dan kan het doorgaan door de verschillende stadia van trance. Dan kunnen we de Dharmas winnen die het ons toestaan om de hoogste staat te bereiken, moeilijk om te bereiken, die rustig is, zonder leeftijd en dood. En zonder goede voeding gaat dit niet."