8. Het wegsturen van Chandaka

Ze reden weg tot ze bij een groepje kluizenaars kwamen waar de prins zich ontdeed van zijn juwelen die hij Chandaka schonk. Hij stuurde hem weg met een boodschap voor zijn vader, koning Shuddhodana: "Opdat het verdriet van mijn vader verdwijnt, vertel hem dat ik naar dit bos ben gegaan om boete te doen teneinde een halt te roepen aan ouderdom en dood, en zeker niet omdat ik het paradijs verlang, of omdat ik geen gevoelens voor hem heb of uit balorigheid. Omdat ik met dit doel het dakloze leven heb verkozen moet hij niet over me inzitten. Op een dag komt aan alle verenigingen een eind, hoe lang ze ook geduurd moge hebben. We moeten omgaan met eeuwige onverenigbaarheid, daarom ben ik van plan om verlossing te vinden, want dan ben ik niet meer weggerukt van mijn geliefden. Er is geen reden om verdrietig te zijn voor mij die juist dakloos werd om aan het verdriet een einde te maken. Men zou juist verdrietig moeten zijn met hen die, inhalig als ze zijn, vast blijven houden aan de zinnelijke geneugten waarin alle verdriet is geworteld. Mijn vader zal misschien zeggen dat het te vroeg was voor mij om naar het bos te gaan. Maar er is geen verkeerd seizoen voor Dharma terwijl onze greep op het leven zo vluchtig is. Vandaag is daarom de dag dat ik begin met het verkrijgen van het hoogste goed - dat is mijn vaste overtuiging! De dood zie ik overal om me heen - hoe zou ik kunnen weten hoe lang ik nog te leven heb?"

De wagenmenner probeerde nog eens om de prins te overhalen en kreeg dit antwoord: "Chandaka, houd op met dit verdriet over ons afscheid! Alle mensen wiens geboorte hen vervreemden van de eenheid van Dharma moeten eens hun eigen weg gaan. Zelfs als mijn gevoel me ervan zou weerhouden om uit eigen beweging mijn volk te verlaten dan zou de dood ons spoedig scheiden, en daarin zouden we niets te zeggen hebben. Denk maar aan mijn moeder die me in haar buik droeg met groot verlangen en veel pijn. Zonder resultaat is haar werk nu. Wat ben ik nu voor haar, wat zij voor mij? Vogels zitten op een tak en gaan dan weer hun eigen weg. Het samenkomen van alles wat leeft moet noodzakelijkerwijs eindigen in het scheiden. Wolken ontmoeten elkaar en vliegen daarna weer weg, in hetzelfde licht zie ik alle eenheid van levende wezens en het scheiden. Deze wereld vergaat en frustreert alle hoop op blijvende verbondenheid. Daarom is het niet wijs om te denken dat mensen bezit zijn terwijl ze met ons verenigd zijn in een droom - voor een korte tijd slechts en niet in werkelijkheid. Het verkleuren van de bladeren doen de bomen, en toch moeten ze ze laten vallen; hoeveel meer zou dit moeten gelden voor het uit elkaar gaan van dingen die ongelijk zijn! Omdat dit zo is zou je beter weg kunnen gaan nu, en houd op met je verdriet! Maar als je liefde voor mij je nog doet aarzelen, ga dan naar de koning en kom terug bij mij. En geef alsjeblieft deze boodschap aan de mensen van Kapilavastu die me in het oog houden: "Houd op met liefde voor hem te voelen en hoor zijn uitkomst: ' Of hij verslaat hoge leeftijd en dood en jullie zien hem spoedig weer of hij gaat verloren omdat hij zijn kracht verloor en hij zijn doel niet kon bereiken'.""

Verder