Na enige tijd zag de Profeet de stad van Kashi die eruit zag als het binnenste van een schatkist. Het ligt waar de twee rivieren Bhagirathi en de Varanasi elkaar ontmoeten en waar ze, zoals een minnares, hem gevangen houden in een omarming. Schitterend met majestijtelijke kracht en stralend als de zon bereikte hij het Hertenkamp. Groepjes bomen weerkaatsten de geluiden van de koekkoek en grote zieners bezochten het kamp. De vijf bedelmonniken, een van de Kaundinya clan, Mahanaman, Vashp, Ashvajit, Bhadrajit, zagen hem al van verre aankomen, en zeiden tot elkaar: "Daar is onze grappenmaker, de bedelmonnik Gautama, die zijn kastijdingen opgaf! Als hij naar ons komt zullen we geen contact met hem maken, en hij is het zeker niet waard om te groeten. Mensen die hun belofte breken behoeven geen respect. Natuurlijk, als hij wil praten laten we dan met hem spreken. Want het is niet wijs van heiligen om anders om te gaan met bezoekers, wie ze dan ook zijn." Omdat ze aldus hadden besloten gingen de bedelmonniken snel verder met hun plannen terwijl de Boeddha naar hen toe kwam. De weerstand nam af naarmate hij dichter naderde. Een van hen nam zijn gewaad aan, een andere strekte zijn gevouwen handen naar zijn aalmoezen schaaltje, een derde bood hem een stoel aan en de overige twee kwamen met water voor zijn voeten. Met deze veelvuldige tekenen van respect zagen zij hem allemaal als hun leraar. Maar omdat ze hem bleven noemen bij zijn familienaam zei de Heer in zijn medelijden: "Tot een eerbiedwaardige Archat moet je niet op dezelfde manier blijven spreken, O Bedelmonniken, zonder de gepaste eerbiedwaardigheid! Voor mij zijn lof en verachting hetzelfde. Maar voor je eigen bestwil zou je gewaarschuwd moeten worden voor gedrag dat je zal schaden. Het is voor de grauwe wereld dat een Boeddha de verlichting heeft gevonden en het welzijn van alles dat leeft was daarbij zijn doel. Maar de Dharma is geblokkeerd voor degene die hun leeraar beledigen door hem bij zijn familienaam te blijven noemen, want dat is als het tonen van minachting voor de ouders van iemand." Zo sprak de grote ziener, de beste van alle sprekers, vol medelijden. Maar, afgeleid door teleurstelling en een tekort in spirituele stabiliteit, antwoordden ze hem met een glimlach op de lippen: "Gautama, tot zover hebben de ergste wreedaardigheden je niet geleid tot inzicht in de echte realiteit! Alleen door hen kan het doel worden bereikt, maar jij omringt je met zinnelijk comfort! Op grond waarvan moeten we je geloven dat je de waarheid hebt gezien?