Er leefde eens een koning van de Shakyas, een afstammeling van het ras van de zon, en zijn naam was Shuddhodana. Hij gedroeg zich uitmuntend en was geliefd onder de Shakyas zoals de maan in de herfst. Hij had een schitterende, mooie en getrouwe vrouw, genaamd de Grote Maya vanwege haar overeenkomst met de Godin Maya. Deze twee proefden het genot van de liefde en op een dag ontving zij de vrucht in haar schoot, zonder enige besmetting en op dezelfde manier zoals kennis verenigd met trance vrucht draagt. Vlak voor de verwekking had zij een droom. Een witte koningsolifant leek haar lichaam binnen te dringen, echter zonder haar enige pijn te veroorzaken. Zodoende droeg Maya, koningin van deze godgelijke koning, de glorie van zijn huis zonder moe te worden of teneergeslagen of last te hebben van eigenaardigheden die vaak gepaard gaan met de zwangerschap. Geheel haarzelf wilde ze zich terugtrekken in het dichte woud en de eenzaamheid gebruiken om zich te bekwamen in de trance. Ze richtte haar wil op een reis naar Lumbini, een mooi bos met bomen van alle soorten zoals het bos van Citraratha in Indra's Paradijs. Ze vroeg de koning haar te vergezellen en ze verlieten de stad en gingen naar dat prachtige bos.
Toen de koningin bemerkte dat de tijd van haar bevalling nabij was, ging ze naar een bankje dat was overhangen door duizenden bedienden die haar met vreugde in het hart aankeken. Het gelukkige sterrenbeeld Pushya scheen helder aan de hemel toen de koningin geboorte gaf aan een zoon, voor het welzijn van de wereld. Hij kwam uit de zij van zijn moeder zonder haar enige pijn of lidteken te bezorgen. Zijn geboorte was zo wonderlijk als die van Aurva, Prithu, Mandhatri en Kakshivat, helden uit een oud verleden die respectievelijk werden geboren uit de dij, uit de hand, het hoofd en de oksel. Hij kwam dus uit de schoot zoals het een Boeddha betaamt. Hij kwam niet in de wereld op de gewone manier en hij leek op een gevallene uit de lucht. Omdat hij zich aeonen lang had geoefend in meditatie werd hij geboren bij bewustzijn en niet zonder gedachten en verward zoals andere mensen. Na zijn geboorte was hij zo mooi en ferm dat het leek alsof de jonge zon zelf neergedaald was op aarde. Als mensen hem bewonderden in zijn schoonheid, hield hij hun ogen voor de maan. Zijn dijen straalden met de stralende krans van het duurste goud en verlichten de ruimte om hem heen. Gelijk liep hij zeven stappen, stevig en met grote passen. Daarin was hij als het sterrenbeeld van de Zeven Profeten. Met de gedaante van een leeuw onderzocht hij de vier windrichtingen en sprak deze woorden vol van betekenis voor de toekomst: "Voor de verlichting ben ik geboren, voor het goede voor alles dat leeft. Dit is de laatste keer dat ik in dit tranendal ben geboren."