De kruistochten waren het gevolg van een mengsel van middeleeuwse
godsdienstige bezieling en brute gewelddadigheid. Beide hartstochten
vonden in een 'Heilige Oorlog' hun uitlaat. Religie en vechtlust waren
echter niet de enige redenen: in de loop van de 7e eeuw veroorzaakte de
ondergang van de internationale handel en ook het definitieve einde van
het vroegere Romeinse Rijk. Het opleven van de handel zou alleen kunnen na
de herovering van dit gebied. Met het geleidelijk verval van de
islamitische macht en de toenemende macht van het westen en ook van de
katholieke kerk werd zo'n herstel mogelijk. In 1088 werd een Fransman, Odo
van Lagery, tot paus benoemd: paus Urbanus II. Hij zette het werk van zijn
voorganger Gregorius VII voort en ook hij veroordeelde simoni en
lekeninvestituur. Hij verdedigde het celibaat en hij leverde strijd met
Hendrik IV en de tegenpaus.
Urbanus oproep op het Concilie van Clermont
(het huidige Clermont-Ferrand) in 1095 om heilige plaatsen te bevrijden,
vond onverwacht veel gehoor. Urbanus II inspireerde allen door de
leuze 'God wil het' (Deus lo volt).

De oproep tot een ‘Kruistocht’ was ook bedoeld om hulp te bieden aan
het Oost-Romeinse ofwel Byzantijnse Rijk. Constantijn de Grote had in
het jaar 330 de stad Byzantium tot hoofdstad gemaakt van zijn rijk onder
de naam Constantinopel. Ongeveer 100 jaar later waren de stadsmuren
gebouwd, die de stad vanaf landzijde meer dan 1000 jaar zouden beschermen
(tot het jaar 1453).
Het Byzantijnse rijk kende perioden van voor- en
van tegenspoed. In 1071 hadden de Seldsjoeken de Byzantijnen een
vernietigende nederlaag bezorgd en sindsdien ging steeds meer grondgebied
verloren. Dit was de belangrijkste reden dat de Byzantijnse keizer,
Alexius Comnenus aan paus Urbanus II om hulp had gevraagd, met als
argument het beschermen en bevrijden van de heilige plaatsen.
Oproep tot een kruistocht
Paus Urbanus II hoopte door deze hulp te bieden de oostelijke christenen
terug te brengen tot het Rooms-katholieke geloof.
De naam kruisvaarder
komt van het kruis dat de kruisvaarders zich op de kleding lieten naaien
na het afleggen van de kruisvaartgelofte (crucesignatus). De kerk maakte
het de kruisvaarder zo aantrekkelijk mogelijk: zijn persoon en goederen
stonden voor de duur van de kruistocht onder de bescherming van de kerk;
iedere deelnemer kreeg een algemene aflaat vrijstelling van belasting,
opschorting van betaling van schulden en bevrijding van lijfeigenschap.
Het gevolg van de oproep te Clermont was een ongeorganiseerde
'Volkskruistocht'. De kruistocht stond onder leiding van Peter de
Kluizenaar, een monnik die zich op een ezel verplaatste. Hij werd
bijgestaan door een aantal roofridders. De Volkskruistocht leidde tot veel
plunderingen en moordpartijen, met name op joden, onder andere in de
Duitse steden: Spier, Worms en Mainz, maar ook op christenen in Hongarije
en Byzantium. Keizer Alexius haaste zich deze kruisvaarders over de
Bosporus te zetten. Deze kruistocht had verder geen positief resultaat. De
meeste deelnemers sneuvelden of werden als slaven verkocht. Peter de
Kluizenaar vluchtte naar Constantinopel.
Nu volgde een grote en beter georganiseerde kruistocht, de eerste ‘Ridder-kruistocht’ of ‘Baronnen-kruistocht’. Vier legergroepen trokken naar Constantinopel. Een van de legers stond onder leiding van Godfried IV van Bouillon. Hij was een zoon van de graaf van Boulogne en werd door zijn oom geadopteerd en als erfgenaam aangewezen, hij kreeg daardoor het hertogdom Bouillon. Om deel te kunnen nemen aan de Eerste Kruistocht had hij zijn bezittingen verkocht, bovendien had hij veel joden weten te “overtuigen” hem financieel te steunen. Hij werd vergezeld door zijn broers Boudewijn en Eustachius van Boulogne. Boudewijn van Boulogne nam zijn vrouw en kinderen mee op deze reis, wat er op duidt dat hij niet van plan was terug te keren naar Frankrijk. Andere deelnemers aan deze eerste kruistocht waren: Robert van Normandië (oudste zoon van Willem de Veroveraar) en zijn neef Robert van Vlaanderen en zijn zwager Steven van Blois (getrouwd met Adela dochter van Willem de Veroveraar) verder bischop Odo van Bayeux (degene die het Tapijt van Bayeux had laten maken?) Raymond IV van Toulouse, ook bekend als Raymond de Saint-Gilles. Hij was graaf van Toulouse sinds 1093. Raymond was een vroom man en aanhanger van Paus Urbanus Voordat het ridderleger Jeruzalem had bereikt, had Godfried van Bouillon zich ontpopt als leider van de kruistocht. Eind 1096 was men te Constantinopel. Een van de eerste wapenfeiten was de belegering van Nicaea.
De stad gaf zich na enige tijd over aan de Byzantijnen, niet aan de
kruisvaarders. Enige tijd later werd Antiochië belegerd. De Franse ridder
Bohemund I van Tarente (zoon van Robert Guiscard) vestigde zich in
Antiochië. Bohemund was een fraaie man: lang, slank, met brede schouders
en een gespierde nek.
Bohemund wist een Armeniër over te halen de
vrijwel onneembare stad te verraden. Via een open raam in een van de
torens van de stadsmuur drongen de kruisvaarders binnen. Het Turkse deel
van de bevolking werd uitgemoord, daarbij sneuvelden ook enkele Armeniërs
en Byzantijnen.Bohemund wist vervolgens een tegenaanval van de Turken af
te slaan.
Hij nam de stad en het gelijknamige gebied in bezit, hoewel
hij beloofd had alle veroveringen aan de Keizer van Byzantium terug te
geven. Bohemund kreeg hierover ruzie met Raymond van Toulouse, die ook al
ruzie had met Godfried van Bouillon.
Boudewijn van Boulogne (de broer van
Godfried) werd medeheerser over Edessa. Hij liet zich daarvoor "adopteren"
door de kinderloze Thoros, die heerser over Edessa was. De impopulaire
Thoros werd door de bevolking van Edessa vermoord en Boudewijn nam een
gebied in bezit dat lag ten westen van Antiochië, rond Edessa op ca. 250
km ten oosten van de Middellandse Zee en 600 km ten noorden van Jeruzalem.
Boudewijns doel was bereikt en zijn kruistocht was voorlopig voltooid.