
Het verhaal van: Oem Salamah
Oem Salamah! Wat een bewogen leven had zij! Haar echte naam was Hind. Ze was de
dochter van één van de notabelen van de Makhzum-stam. Haar vader had de bijnaam
“Zad ar-Rakib”, omdat hij bekend stond om zijn vrijgevigheid, vooral voor
reizigers. De echtgenoot Oem Salamah en haar echtgenoot Abdoellah ibn Abdoelasad
(Aboe Salamah) waren één van de eersten die zich tot de Islam bekeerden en
overgaven. Alleen Aboe Bakr en een paar anderen, die je op de vingers van één
hand kon tellen, waren vóór hen moslim geworden.
Zodra het nieuws bekend werd, dat zij moslims geworden waren, reageerden de
Qoeraish woedend. Ze begonnen Oem Salamah en haar echtgenoot na te jagen en te
vervolgen. Maar het echtpaar twijfelde noch wanhoopte en bleven rotsvast bij hun
geloof, de Islam.
De vervolging werd steeds heviger. Voor veel nieuwe moslims werd het leven in
Mekkah ondraaglijk. Toen gaf de Profeet (saws) hen toestemming om naar Abessinië
te emigreren. Oem Salamah en haar echtgenoot zaten in de voorste gelederen van
deze Moehahiroen, ofwel asielzoekers. Het betekende voor Oem Salamah, dat zij
een groot huis, de traditionele familiebanden en de familie eer opgaf voor iets
nieuws hopend op de tevredenheid en de beloning van Allah (swt).
Ondanks de bescherming, die Oem Salamah en de rest van de groep emigranten van
de Abesijnse heerser kreeg, verlangde ze er steeds naar om naar Mekkah terug te
keren om in de nabijheid van de Profeet (saws) en de bron van de openbaring te
zijn.
Uiteindelijk hoorden de Moehajiroen dat het aantal moslims in Mekkah toenam.
Onder deze moslims waren ook Hamzah ibn Abdoelmoettalib en Oemar ibn Al-Khattab.
Hun dien (geloof) had de gemeenschap danig gesterkt, en de Qoeraish, zo vernamen
zij, hadden hun vervolgingen ietwat verminderd. Daarom besloot de groep
Moehajiroen, door een innerlijk verlangen aangespoord, terug te keren naar
Mekkah.
De asielzoekers merkten echter spoedig, dat de afname van de vervolgingen
slechts van korte duur was. De geweldige toename van het aantal moslims die het
voorbeeld van Oemar’s en Hamzah’s bekering volgden, maakte de Qoeraishieten
alleen maar nog kwader. Ze gingen de moslims nog intensiever vervolgen en
martelden hen heviger dan ooit tevoren. Daarom gaf de Profeet (saws) zijn
metgezellen toestemming om naar Medinah te emigreren. Oem Salamah en haar man
waren één van de eersten die Mekkah verlieten.
De hidjrah van Oem Salamah en haar man was echter niet zo makkelijk als ze zich
hadden voorgesteld. Het was eigenlijk een bittere en pijnlijke ervaring, vooral
voor haar.
Laten we nu maar luisteren wat Oem Salamah ons zelf te vertellen heeft.
Toen Aboe Salamah (mijn echtgenoot) besloot om naar Medinah te reizen, maakte
hij een kameel voor mij klaar, tilde me daarop en zette onze zoon Salamah op
mijn schoot. Mijn man nam vervolgens de leiding en vertrok zonder omwegen.
Voordat we Mekkah echter verlieten, hielden een paar mannen van mijn stam ons
tegen en zeiden tot mijn man: ”Hoewel je vrij bent om met jezelf te doen wat je
wil, kan je niet over je vrouw beslissen. Zij is onze dochter. Verwacht je van
ons, dat we je toestemming geven om haar van ons weg te nemen?”
Toen grepen ze mijn echtgenoot en trokken mij van hem weg. De stam van mijn man,
de Banoe-Abdoelasad, zagen dat ze zowel mij als mijn kind meenamen. Zij werden
witheet van woede: ”Nee, bij Allah!” riepen zij, “we zullen die jongen niet
verlaten. Hij is onze zoon en wij hebben een eerste recht op hem.”
Ze namen hem bij de hand en trokken hem van mij weg. Binnen het tijdsbestek van
een paar seconden, bleef ik alleen en eenzaam achter. Mijn echtgenoot zette
koers naar Medinah en zijn stam had mijn zoon van mij afgenomen. Mijn eigen
stam, de Banoe Makhzum, hadden mij overmand en dwongen mij om bij hen te
blijven.
Vanaf die dag, dat mijn echtgenoot en mijn zoon van mij gescheiden werden, ging
ik elke middag om twaalf uur naar de valei en ging op de plek zitten waar deze
tragische gebeurtenis had plaatsgevonden. Ik dacht aan deze verschrikkelijke
momenten terug en huilde tot de nacht gevallen was.
Een jaar lang ging ik hiermee door tot er op een dag een man van de
Banoe-Oemayyah voorbij kwam en mij in deze toestand zag. Hij ging naar mijn stam
en Zei: ”Waarom laten jullie deze vrouw niet vrij, jullie zijn er de oorzaak van
dat haar man en haar zoon van haar weggenomen zijn.”
Hij ging door en probeerde op hun gemoed in te werken. Tenslotte zeiden ze tegen
mij: “Ga maar en voeg je bij je man, als je dat zo graag wilt.”
Maar hoe kon ik nu naar mijn man in Medinah gaan en mijn zoon, mijn eigen vlees
en bloed, in Mekkah bij de Banoe-Abdoelasad achterlaten? Hoe kon ik mijzelf van
tranen en zorg bevrijden als ik de plaats van de Hidjra zou bereiken zonder te
weten hoe het met mijn kleine zoontje ging, die in Mekkah achterbleef.
Sommige mensen begrepen wat ik allemaal door moest maken en ze hadden medelijden
met mij. Zij pleitten voor mij bij de Banoe-Abdoelasad en slaagden erin om mijn
zoon weer terug bij mij te krijgen.
Ik wou niet langer in Mekkah wachten tot ik iemand gevonden had om met mij samen
te reizen, zo bang was ik, dat er weer iets zou gebeuren wat mij tegen zou
houden om mij bij mijn man te voegen. Daarom maakte ik meteen mijn kameel klaar,
zette mijn zoon op mijn schoot en verliet Mekkah in de richting van Medinah.
Ik was net bij Tan’im (ongeveer drie mijlen buiten Mekkah) aangekomen toen ik
Oethman ibn Talhah ontmoette. (hij was in de pre-islamitische tijd een bewaarder
van de Ka’abah en was nog steeds geen moslim)
“Waar ga jij heen, bint Zad ar-Rakib?” vroeg hij.
“Ik ga naar mijn echtgenoot in Medinah.”
“En gaat er niemand met je mee?”
“Nee, bij Allah. Behalve Allah (swt) en mijn jongen hier.”
“Bij Allah, ik zal je niet verlaten tot je Medinah hebt bereikt.” Zwoer hij me”
Hij nam daarop de leidsels van de kameel en leidde ons. Ik heb, bij Allah, nog
nooit een Arabier ontmoet die zo edelmoedig en nobel was als hij. Als we een
rustplaats bereikt hadden, liet hij mijn kameel knielen, wachtte tot ik
afgestegen was, leidde mijn kameel naar een boom en bond hem dan vast. Daarna
ging hij naar de schaduw van een andere boom, en als de rustpauze voorbij was,
maakte hij de kameel voor mij klaar en leidde ons verder.
Dit deed hij elke dag tot wij Medinah hadden bereikt. Toen we in een dorp
vlakbij Quba (ongeveer twee mijl van Medinah) aankwamen, wat tot de Banoe-Amr
ibn Awf toebehoorde, zei hij: “Jouw man is in dit dorp. Treedt het met God’s
zegening binnen.”
Hij keerde zich om en ging terug naar Mekkah.
Na een lange scheiding kwamen hun wegen van de beide echtlieden weer samen. Oem
Salamah was verrukt om haar echtgenoot weer te zien en hij was heel blij om zijn
vrouw en zoon te verwelkomen.
Belangrijke en gedenkwaardige tijden braken nu aan. Aboe Salamah vocht in de
slag van Badr. De moslims keerden als overwinnaar en gesterkt van het slagveld
terug. Toen kwam de slag bij Oehoed waar de moslims zwaar getest werden, en Aboe
Salamah raakte bij deze slag zwaar gewond. Eerst leek het of hij goed op de
behandeling reageerde, maar zijn wonden genazen nooit volledig en hij bleef
bedlegerig.
Op een keer, toen Oem Salamah hem verpleegde, zei hij tegen haar: “Ik hoorde de
Boodschapper van Allah zeggen: “Als iemand een ramp overkomt dan moet hij:
“Waarlijk wij zijn van Allah, en tot Hem zullen wij zeker terugkeren,” zeggen.
En toen bad hij: “O Heer, geef mij in ruil hiervoor iets goeds, iets goeds wat
U, de Hoge en Machtige alleen kan geven.”
Aboe Salamah bleef nog enkele dagen ziek in bed. Op een ochtend kwam de Profeet
(saws) hem opzoeken. Het bezoek duurde langer dan gewoonlijk. Terwijl de Profeet
(saws) nog aan zijn bed zat, overleed Aboe Salamah. De Profeet (saws) sloot met
zijn gezegende handen de ogen van zijn gestorven metgezel. Vervolgens verhief
hij zijn handen naar de hemel en bad: “O Heer, vergeef Aboe Salamah. Verhef hem
tot hen, die in Uw nabijheid zijn. Zorg ten alle tijden voor zijn familie.
Vergeef ons en vergeef hem. O Heer der Werelden, verwijd zijn graf en maak het
gemakkelijk voor hem.”
Oem Salamah herinnerde zich de bede van de Profeet (saws), die haar man op zijn
sterfbed had geciteerd en ze begon het te herhalen: “O Heer in Uw handen leg ik
de belofte van vergoeding….” Maar ze kon zichzelf er niet toe zetten het te
vervolgen met: “O Heer geef me hiervoor iets goeds in ruil”, want ze bleef
zichzelf maar steeds afvragen: “Wie kan er nu beter zijn dan Aboe Salamah?” Maar
het duurde niet lang voordat zij de doe’a (smeekbede) kon afmaken.
De moslims waren diep bedroefd over de toestand waarin Oem Salamah verkeerde. Ze
werd: “Ayyin al-Arab” genoemd, degene die haar man verloren heeft. Ze had in
Medinah niemand anders dan haar kleine kinderen, en was als een kip zonder
veren.
Zowel de Moehajiroen als de Ansar voelden zich veel aan Oem Salamah verplicht.
Toen ze de Iddah (drie maanden en tien dagen) voltooid had, vroeg Aboe Bakr haar
ten huwelijk, maar ze weigerde. Oemar deed haar ook een aanzoek, maar ook dat
sloeg ze af.
Toen de Profeet (saws) haar benaderde antwoordde ze: “O Boodschapper van Allah,
ik heb drie eigenschappen, Ik ben een verschrikkelijk jaloerse vrouw en ik ben
bang dat u in mij iets zal vinden wat u boos maakt en dat Allah mij daarvoor zal
straffen. Ik ben al op leeftijd en ik heb jonge kinderen.”
De Profeet (saws) antwoordde: “Wat je jaloersheid betreft, zal ik Allah bidden
jou daarvan weg te leiden. Wat je leeftijd betreft, ik heb hetzelfde probleem
als jij. En wat je familie betreft, jouw familie is mijn familie.”
Ze trouwden en op die manier beantwoordde Allah (swt) het gebed van Oem Salamah
en gaf haar iemand, die beter was dan Aboe Salamah. Van die dag af was Hind
al-Makhzumiyah niet alleen meer de moeder van Salamah (haar zoon), want nu werd
ze de moeder van alle gelovigen - Oem al-Moe’minien.
Wa alaikoem salaam wa Rahmatoellahi wa Barakatoeh
Bron: ”The compagnons of the Profhet”, Abdelwahid Hamid.

©
2003 copyright.
Alle Rechten Voorbehouden. All Rights Reserved.
De informatie op de website is bedoeld voor persoonlijk, niet-commercieel
gebruik. Elke vorm van herpublicatie van de inhoud zonder voorafgaande,
schriftelijke, toestemming is niet toegestaan.
![]()