
Het verhaal van: Aboe-d Dardâ
Vroeg opgestaan,
ging Aboe-d Dardâ meteen naar zijn afgodbeeldje dat hij op de beste plaats in
zijn huis had neergezet. Hij groette het en boog zich voorover ter verering en
aanbidding. Daarna smeerde hij het beeldje met olie in, parfumeerde het met de
beste parfum en vervolgens kleedde hij het beeldje met een zijden gewaad uit
zijn luxe winkel. Eindelijk klaar, maakte Aboe-d Dardâ zich klaar om naar zijn
winkel te gaan op de markt. Die dag waren de straten van Yathrib volgelopen met
de volgelingen van Mohammed (saws) die waren terugkeert van Ghazwat Badr (de
Slag bij Badr). Tussen hen waren veel oorlogsgevangenen. Aboe-d Dardâ onderzocht
met zijn blik de menigte en liep toen naar de jeugd van Khazradj (een stam in
Medina) en vroeg hen naar het lot van Abdoellah Ibn Rawâh'ah.
"Hij ging door de moeilijkste beproeving in het gevecht, maar kwam daar
ongedeerd uit" :antwoordde het groepje jeugd hem. Aboe-d Dardâ was merkbaar
ongerust over zijn beste vriend, Abdoellah Ibn Rawâh’ah. Iedereen in Medina
kende de sterke band van broederschap tussen Aboe-d Dardâ en Abdoellah al vóór
dat de Islam naar Yathrib kwam. Toen de Islam eenmaal verspreid was, werd
Abdoellah Ibn Rawâh’ah meteen moslim, maar Aboe-d Dardâ verwierp het idee. Dit
grote verschil tussen de twee zorgde echter niet voor een verwijdering in hun
vriendschap. Abdoellah bleef juist Aboe-d Dardâ bezoeken en probeerde hem keer
op keer te overtuigen te bekeren! Dit zijn nou de deugden, het profijt en de
excellentie van Islam! Maar iedere dag die voorbij ging en Aboe-d Dardâ een
moeshrik (ketter) bleef, maakte zijn vriend Abdoellah zich meer bezorgd en
verdrietiger.
Abdoellah heeft zelfs keer de kans gegrepen toen Aboe-d Dardâ druk bezig was met
zijn handel op de markt, en ging naar het huis van zijn vriend, waar hij de
vrouw en kinderen van Aboe-d Dardâ aantrof. Hij vroeg hen om binnen te mogen
komen en werd vriendelijk verwelkomd. Daarna ging hij naar de plaats waar Aboe-d
Dardâ zijn afgodbeeld had staan, nam een bijl en begon het beeld af te tuigen en
zei: "Er is geen grotere zonde dan het nemen van een afgod naast Allah". Toen
hij klaar was kwam de vrouw van Aboe-d Dardâ binnen en schrok van wat zij zag en
vervloekte Abdoellah. Ze nam de resten van het beeldje en zat voor haar voordeur
te huilen wachtend op haar man.
Toen Aboe-d Dardâ thuis kwam en zijn vrouw zag met het kapotte beeld schreeuwde
hij van woede: "Wie heeft dit gedaan?" Zei ze huilend: " Dat heeft je beste
vriend en broeder Abdoellah gedaan." Aboe-d Dardâ raakte vervuld met woede, haat
en de wil naar wraak. Maar toen hij even naar het hopeloze beeld keek en het in
handen nam, dacht hij: "Als er maar iets goeds aan dit beeldje was zou het op
zijn minst zich verdedigen tegen zo’n vernedering." Hij zag plotseling in hoe
dom zijn idee was om een nutteloos beeldje te aanbidden dat zelfs voor zichzelf
niets kon betekenen laat staan voor iemand anders. En keerde zich af van dit
heidense gebruik.
Hij ging meteen naar zijn vriend Abdoellah en samen gingen ze naar de Profeet Mohammed (saws). Daar verklaarde hij zijn bevinden aan Mohammed (saws) en bekeerde zich tot de Islam. Hij was de laatste uit zijn district die moslim was geworden.
Vanaf dat moment, wijdde Aboe-d Dardâ zichzelf helemaal aan de Islam. Het geloof in Allah (swt) en zijn Profeet (saws) stond in elke vezel van zijn lichaam gegraveerd. Hij had een diepe spijt voor elk moment dat hij doorbracht had als moeshrik, terwijl al zijn broeders al moslim waren en hem nu voor waren met de leer van de Qor’aan en de deugdelijkheden van de Islam. Maar hij was zeer gedreven en streefde er naar om alles wat hij had gemist in te halen in een zeer zeer korte periode. Zijn zoektocht naar kennis was bijna rustloos te noemen en oneindig, zijn 'iebâdah (aanbidding) zette hij voort dag en nacht. Zelfs toen hij bemerkte dat zijn handel hem belemmerde om zich volledig in te zetten voor de 'iebâdah, waardoor hij soms bijeenkomsten voor kennis verzuimde, besloot zijn werk in die mate te minderen dat hij nog maar net in zijn primaire levensbehoeften voorzien was.
Iemand vroeg hem waarom hij zo weinig was gaan werken terwijl de handel toch halal en gezegend was door Allah (swt). Hij antwoordde: "Ik zeg niet dat Allah (swt) de handel heeft verboden, maar ik wil vooral zijn tussen degenen waar Allah (swt) in de Qor’aan over zegt:
”Mensen die noch door handel noch door zaken achteloos worden om Allah te gedenken, het gebed te houden en de Zakât te betalen, zij vrezen de Dag waarop harten en ogen zich zullen afwenden."
Tijdens het khalifât van Omar, wilde Omar Aboe-d Dardâ als gouverneur van Syrië aanstellen. Maar Aboe-d Dardâ weigerde. Omar volhardde en Aboe-d Dardâ zei toen: "Als jij tevreden bent dat ik naar Syrië ga en hun het Boek van hun Schepper onderwijs en de Soenna van hun Profeet en met ze bidt, dan zal ik gaan." Omar ging akkoord en Aboe-d Dardâ vertrok richting Damascus. Toen hij daar aankwam zag hij hoe de mensen daar zich meer bezighielden met wereldse luxe dan met 'iebâdah (aanbidding), waar hij zich nogal aan ergerde. Hij riep de mensen samen in de moskee en sprak ze toe met de volgende woorden:
"O mensen van Damascus! Jullie zijn mijn broeders in het geloof, buren die zij aan zij leven en elkaar helpen tegen vijanden. O mensen van Damascus! Wat is het dat jullie tegen houdt om openhartigheid jegens mij te zijn als ik jullie een advies geef waar ik niets van jullie voor terug wil en vraag. Is het goed dat ik de kennisdragers zie vertrekken (overlijden) terwijl de onwetenden onder jullie geen kennis zoeken. Ik zie dat jullie neigen naar zaken waar Allah Soebhâna wa Ta’ale jullie over zal ondervragen en dat jullie hebben verlaten wat Hij jullie heeft bevolen. Is het redelijk dat ik jullie zie verzamelen wat jullie niet eten, en gebouwen bouwen waarin jullie niet wonen, en hoop vestigen in wat jullie niet kunnen behouden? Mensen vóór jullie hebben welvaart vergaard, maakten plannen en hadden hoge wensen. Maar het duurde niet lang voor dat alles wat ze hebben vergaard, vernietigd werd, hun hoop verging en hun huizen veranderden in graven. Zo was het lot van de mensen van 'Âd, O mensen van Damascus. Zij vulden de aarde met bezittingen en kinderen. Wie van jullie zou nu de hele legende van het volk van ' Âd voor twee dirhams willen kopen?"
De mensen huilden
en hun gesnik was zelfs buiten de moskee hoorbaar. Vanaf die dag begon Aboe-d
Dardâ vaker bijeenkomsten bij te wonen in Damascus. Hij verplaatste zich rond
markten en overal waar hij mensen tegenkwam maakte hij van de gelegenheid
gebruik om ze wakker te schudden en hun geloof te versterken.
Op een dag passeerde Aboe-d Dardâ een menigte die zich verzamelde rondom een man
en hem begonnen uit te schelden en te slaan. Hij vroeg ze wat er aan de hand
was. "Deze man heeft een grafzonde begaan," antwoordden ze. "Wat zouden jullie
doen als deze man in een put was gevallen?" Vroeg hij hun "Zouden jullie hem dan
niet redden?" Ze zeiden: " Ja zeker."
"Beledig hem dan niet en sla hem niet! Waarschuw hem en maak hem bewust van de consequenties van zijn daad. En dank Allah Soebhâna wa Ta’ale daarna dat hij jullie beschermd heeft voor de val van dezelfde of soortgelijke daad."
"Haat je hem dan niet?" vroegen de mensen Aboe-d Dardâ.
"Neen, ik haat alleen zijn wandaad en als hij afziet van deze daad, dan is hij mijn broeder."
De gezondigde man barste los in tranen en toonde publiekelijk zijn berouw.
Een jongeling kwam
een keer naar Aboe-d Dardâ en zei: "Geef me advies, O metgezel van de Profeet",
en Aboe-d Dardâ zei tegen hem: "O mijn zoon, gedenk Allah in goede tijden en
Allah zal je gedenken in slechte tijden. O mijn zoon, draag kennis, zoek kennis,
wees een goed luisteraar en wees geen onwetende want dat is de oorzaak van
verderf. O mijn zoon, laat de moskee je huis zijn voorwaar ik de profeet (moge
Allah tevreden met hem zijn) heb horen zeggen: "De moskee is het huis van ieder
Godbewuste en Allah de Almachtige garantie van verhevenheid, comfort, genade en
standvastigheid op het rechte pad. Voor de mensen die van de moskee hun huizen
maken."
Op een andere gelegenheid kwam hij een aantal mensen tegen op straat, die aan
het kletsen waren en keken naar voorbijgangers. Aboe-d Dardâ kwam naar ze en
zei: " Mijn zonen, het klooster van de moslim is zijn huis waar hij controle
heeft over zichzelf en zijn blik kan afhouden. Wees gewaarschuwd over het zitten
in marktplaatsen want het vreet je tijd weg in arrogantie en ijdelheid."
Toen Aboe-d Dardâ nog in Damascus was, vroeg Moe'âwieyah Ibn Abi Soefyan (de gouverneur) hem om de hand van zijn dochter Ad-Dardâ, voor zijn zoon Yazied, maar Aboe-d Dardâ weigerde echter. Hij gaf zijn dochter aan een arme jongeman, waarover hij tevreden was vanwege zijn Islamitische karakter. Mensen hoorden wat er gebeurde en vroegen waarom Aboe-d Dardâ weigerde zijn dochter te geven aan Yazied? Aboe-d Dardâ zei: "Ik heb alleen maar gedaan wat ik dacht goed te doen voor mijn dochter." Iemand vroeg: "Hoezo dat?" Aboe-d dardâ antwoordde: "Wat zouden jullie denken van mijn dochter, als er bedienden om haar heen waren en zij zich bevond in een prachtige paleis, waarvan de ogen duizelden? Wat zal er van haar geloof worden?"
Omar kwam een keer Aboe-d Dardâ bezoeken en zag hoe weinig bezittingen hij had. Toen wilde Omar hem geld aan bieden om zijn levenssituatie te verbeteren. Maar Aboe-d Dardâ schudde weigerend zijn hoofd en zei: "O Omar Kun jij je nog de hadith van onze Profeet herinneren?" "Welke hadith?" vroeg Omar. Aboe-d Dardâ zei: "Zei onze profeet niet, Laat wat voldoende is in deze doenya (wereld) voor iedereen van jullie zijn als de bagage van een rijdende reiziger?" Omar zei: "Ja." En toen vroeg Aboe-d Dardâ: "En wat hebben we er hiervan gemaakt, O Omar?"
Beide mannen huilden en huilden denkend aan de ontelbare rijkdommen die vele moslims hadden vergaard en aan hun bezigheid met wereldlijke bezittingen en waarbij ze hun 'iebâdahat (aanbiddingen) vergaten
Wa alaikoem salaam wa Rahamatoellahi wa Barakatoeh
Bron: ”The compagnons of the Profhet”, Abdelwahid Hamid Deel 2

©
2003 copyright.
Alle Rechten Voorbehouden. All Rights Reserved.
De informatie op de website is bedoeld voor persoonlijk, niet-commercieel
gebruik. Elke vorm van herpublicatie van de inhoud zonder voorafgaande,
schriftelijke, toestemming is niet toegestaan.
![]()