
Het verhaal van:
Abdoellah ibn Oem Maktoem
Abdoellah ibn Oem Maktoem was een neef van Khadijah bint Khuwaylid. De moeder
der gelovigen. Moge Allah tevreden met haar zijn. Zijn vader was Qays ibn Za’id
en zijn moeder Aatikah bint Abdoellah. Zij werd ook wel Oem Maktoem (moeder van
de verborgene) genoemd omdat ze een blind kind had gebaard.
Abdoellah zag hoe de Islam in Mekkah opkwam. Hij was een van de eerste moslims.
Hij maakte de vervolging van de moslims mee en onderging hetzelfde leed als de
andere metgezellen van de Profeet (saws). Zijn houding was net als die van de
anderen ferm, rotsvast en opofferingsgezind. Noch zijn geloof, noch zijn
toewijding verzwakte onder het geweld van de Qoeraish. Integendeel, dit
versterkte juist zijn toewijding aan Allah’s (swt) religie en Zijn Profeet (saws).
Abdoellah was de Profeet (saws) zeer toegewijd. Hij was er zozeer op gespitst om
de Qor’aan uit zijn hoofd te leren, dat hij geen gelegenheid voorbij liet gaan
om zijn hartenwens in vervulling te laten gaan. Zijn gedrevenheid en
vasthoudendheid was soms zelfs wel eens een beetje irritant als hij onbedoeld,
de aandacht van de Profeet (saws) voor zichzelf opeiste.
In deze periode concentreerde de Profeet (saws) zich vooral op de notabelen van
de Qoeraish. Hij deed erg zijn best om hen moslim te maken. Op een dag ontmoette
hij Oetbah ibn Rabiah, zijn Broer Shaybah, Amr ibn Hisham, beter bekend als Aboe
Jahl, Oemayyah ibn Khalaf en Wahid ibn Mughirah, de vader van Khalid ibn Walid,
die later beter bekend zou staan als Sayf Allah (Allah’s zwaard). De Profeet (saws)
begon met hen te praten en te discussiëren en vertelde hen over de Islam. Hij (saws)
wilde erg graag, dat zij positief zouden reageren en moslims zouden worden of op
zijn minst zouden stoppen met de vervolgingen van zijn metgezellen.
Terwijl hij (saws) zo bezig was, kwam Abdoellah ibn Oem Maktoem naar hem toe en
vroeg hem een aya uit de Qor’aan voor te zeggen.
”O Boodschapper van Allah”, zei hij, ”onderwijs mij van hetgeen Allah jou
geleerd heeft.”
De Profeet (saws) fronste zijn wenkbrauwen en keerde zich van hem af. Hij (saws)
verlegde zijn aandacht naar de groep belangrijke Qoeraishieten, in de hoop dat
zij moslim zouden worden en hun bekering verhevenheid aan Allah’s (swt) religie
zou verlenen en zijn missie verstrekt zou worden.
Zodra hij (saws) klaar was met dit gesprek en hun gezelschap verliet, voelde hij
(saws) zijn hoofd hevig kloppen en werd hij (saws) gedeeltelijk verblind. Op dat
moment ontving hij (saws) de volgende openbaring:
1. Hij (Mohammed) fronste en wendde zich af.
2. Omdat de blinde tot hem kwam.
3. En wat doet het jou weten, misschien wilde hij zich reinigen (van zonden).
4. Of zich laten onderrichten en zou het onderricht hem baten.
5. Wat betreft degene die zich behoefteloos waant.
6. Aan hem schenk jij alle aandacht,
7. terwijl jij niet verantwoordelijk bent als hij zich niet reinigt.
8. Maar wat betreft degene die haastig tot jou kwam.
9. En hij vreest (Allah)
10. Aan hem schenk jij geen aandacht.
11. Nee! Voorwaar, het is een Vermaning.
12. Laat wie het wil er lering uit trekken.
13. (Geschreven) op de edele bladen.
14. Verheven en gereinigd.
15. Door de handen van schrijvers (engelen).
16. Edel, deugdzaam.
(Soerah ‘Abasa 80 ayât 1-16)
Dit zijn zestien ayât (verzen) die aan de nobele Profeet (saws) geopenbaard
werden over Abdoellah ibn Oem Maktoem, zestien Ayât (verzen) die vanaf die tijd
tot op de dag van vandaag gereciteerd zijn en in de toekomst nog vaker
gereciteerd zullen worden.
Vanaf die dag aarzelde de Profeet (saws) niet om welwillend tegen Abdoellah ibn
Oem Maktoem te zijn, hij vroeg hoe het met hem ging, vervulde zijn noden en gaf
hem raad als hij bij hem kwam. Dit is niet vreemd, had Allah (swt) hem niet op
de strengst mogelijke manier tot de orde geroepen om aan Abdoellah’s wensen
gehoor te geven? Het ging zelfs zo ver, dat de Profeet (saws) Oem Maktoem in de
latere jaren vaak begroette met de nederige bewoording: ”Welkom is degene,
waarvoor mijn Onderhouder mij berispt heeft.”
Toen de vervolgingen van de Profeet (saws) en degenen, die in hem geloofden
steeds heftiger werden, gaf Allah (swt) hen toestemming om te emigreren.
Abdoellah reageerde hier meteen op. Hij en Moes’ab ibn Oemaiyr waren de eerste
metgezellen, die Medinah bereikten.
Zodra ze Yathrip (zo heette Medinah in de pré -Islamitische tijd) bereikten
begonnen ze met de mensen te discussiëren, lazen de Qor’aan met hen en
onderwezen hen in Allah’s (swt) religie. Toen de Profeet (saws) Medinah
bereikte, wees hij Abdoellah en Bilal ibn Rabah als moe’addzin voor de moslims
aan. Zij verkondigden de éénheid van Allah (swt) vijf keer per dag, riepen de
mensen op tot de best mogelijke daad en spoorden hen tot het succes aan. Bilal
zou de adzân roepen en Abdoellah zou voor het gebed de Iqamah doen. Soms
wisselden ze van taak. Tijdens de Ramadhân hadden ze een speciale werkwijze. Eén
van hen riep de adzân om de mensen wakker te maken opdat ze nog voor het begin
van de vasten konden eten. De andere riep de adzân om bij het begin van de
ochtendschemering en gaf daarmee de vastentijd aan. Bilal maakte de mensen
wakker en Abdoellah riep met zijn adzân het begin van de ochtendschemering om.
De Profeet (saws) belastte Abdoellah met de leiding van Medinah als hij afwezig
was. Dit is vaker dan tien keer gebeurd, waaronder de keer dat de Profeet (saws)
Medinah verliet om Mekkah te bevrijden.
Kort na de slag bij Badr ontving de Profeet (saws) een openbaring, waarin Allah
(swt) de status van de Moejahidien hoger stelde dan die van de Qa’idien (degenen
die passief thuis bleven zitten). Dit om de Moejahidien nog verder aan te sporen
en de qa’id zijn passieve houding op te laten geven. Deze openbaring maakte
grote indruk op Abdoellah ibn Oem Maktoem. Het deed hem pijn, dat hij niet voor
de hogere status in aanmerking kon komen en hij zei: ”O Boodschapper van Allah,
als ik op djihâd kon gaan, dan zou ik dat zeker doen.” Zeer bewogen vroeg hij
Allah (swt) in smeekbeden, om voor hem en anderen, die net als hij in een
bijzondere situatie verkeerden, aangezien zij door hun handicap niet in staat
waren om met militaire campagnes mee te doen, een openbaring neer te zenden.
Zijn gebed werd verhoord, SoebhânaAllah. Aan de Profeet (saws) werd een
aanvullende aya (vers) geopenbaard, waarin de gehandicapten op de voorgaande aya
(vers) een uitzondering vormden. De volgende aya (vers) werd geopenbaard:
”Niet gelijk zijn de (thuis-) zittenden van de gelovigen, behalve gebrekkigen…..”
(Soerah An-Nisâ’ 4 aya 95)
Ondanks het feit dat hij een excuus had om niet met de djihâd mee te doen, kon
Abdoellah ibn Oem Maktoem toch geen vrede hebben met het feit dat hij moest
achterblijven als er een expeditie gaande was. Hij besloot, dat er geen
militaire campagne zonder hem voorbij mocht gaan. Daarom bedacht hij welke rol
hij op het slagveld kon gaan uitvoeren. Hij zei: ”Zet mij tussen twee rijen in
en geef mij de vlag. Ik zal hem voor jullie dragen en beschermen, want ik ben
blind en kan niet wegrennen.”
In het veertiende jaar na de hidjrah was de Perzische bedreiging zo sterk
geworden, Dat Omar besloot hun staat voor de moslimkrachten open te breken. Hij
schreef de gouverneurs: ”Stuur iedereen naar mij toe, die een paard of wapen
heeft of mij op enige manier kan bijstaan. En doe dit met spoed.”
De moslims stroomden van alle kanten toe om aan Omar’s oproep gehoor te geven en
verzamelden zich in Medinah. Onder hen was ook de blinde moejahid, Abdoellah ibn
Oem Maktoem.
Omar wees Sa’d ibn Abi Waqqas als leider van de troepen aan, gaf hem
aanwijzingen en nam afscheid van hem.
Toen het leger Qadisiyyah bereikte, was Abdoellah ibn Oem Maktoem een opvallende
verschijning. Hij droeg een wapenkleed en was volledig voorbereid. Hij had
gezworen de vlag van de moslims te dragen en hem met zijn leven te beschermen.
De twee legers troffen elkaar en vochten gedurende drie dagen. Dit waren de
heftigste en bitterste gevechten uit de Islamitische geschiedenis. Op de derde
dag bereikten de moslims een grootse overwinning, want één van de grootste
wereldrijk en één van de standvastigste tronen viel en ging ten onder. De
tawheedvlag werd in het land van afgodendienaars gehesen. Deze grote overwinning
kostte de moslims honderden martelaren. Onder hen was ook Abdoellah ibn Oem
Maktoem. Hij werd dood op het slagveld aangetroffen, terwijl hij de vlag van de
moslims nog omklemde.
Wa alaikoem salaam wa Rahmatoellahi wa Barakatoeh
Bron: ”The compagnons of the Profhet”, Abdelwahid Hamid.
©
2003 copyright.
Alle Rechten Voorbehouden. All Rights Reserved.
De informatie op de website is bedoeld voor persoonlijk, niet-commercieel
gebruik. Elke vorm van herpublicatie van de inhoud zonder voorafgaande,
schriftelijke, toestemming is niet toegestaan.
![]()