
Het verhaal van: Abdoellah ibn Mas’ oed
Toen hij nog jong was, de puberteit nog niet ontgroeit, zwierf hij gewoonlijk
over de paden van het Mekkaanse gebergte, ver van alle mensen vandaan en hoedde
de kudde voor het hoofd van de Qoeraish stam, Oeqbah ibn Moeayt.
De mensen noemden hem ”ibn Oem Abd”- “de zoon van de moeder van een slaaf”. Maar
zijn ware naam was Abdoellah en de naam van zijn vader was Mas’oed.
De jeugd had het nieuws van de Profeet (saws) die onder de mensen was
verschenen, gehoord, maar hij bestede er geen aandacht aan, deels omdat hij nog
erg jong was, en deels omdat hij gewoonlijk ver van de Mekkaanse maatschappij
vandaan zat. Hij was namelijk gewend om ’s ochtends vroeg met de kudde van
Qeqbah weg te trekken en pas na zonsondergang weer terug te komen.
Op een dag, terwijl hij de kudde hoedde, zag Abdoellah twee waardige mannen van
middelbare leeftijd van een afstand op hem toekomen. Ze waren zeer vermoeid. Ze
hadden zo’n dorst, dat hun lippen en keel droog waren. Ze kwamen naar hem toe,
groeten hem en zeiden: ”Jongeman, melk één van deze schapen voor ons, zodat we
onze dorst kunnen lessen en weer wat op krachten kunnen komen.”
”Dat kan ik niet,” antwoordde Abdoellah. ”De schapen zijn niet van mij. Ik moet
alleen maar voor ze zorgen.”
De twee mannen gingen verder niet in discussie met hem hierover. Ze waren,
hoewel ze heel graag wat wilden drinken, eigenlijk heel erg verheugd met dit
eerlijke antwoord, en dit was van hun gezichten af te lezen…… De twee mannen
waren de Profeet (saws) zelf en zijn metgezel Aboe Bakr As-Siddieq, Ze waren die
dag naar het Mekkaanse gebergte gegaan om de geweldige vervolging van de
Qoeraish te ontvluchten.
Abdoellah op zijn beurt was onder de indruk van de Profeet (saws) en diens
metgezel en raakte spoedig aan hen gehecht en het duurde niet lang voordat
Abdoellah Mas’oed Moslim werd en zijn diensten aan de Profeet (saws) aanbood. De
Profeet (saws) stemde toe en de gelukkige Abdoellah ibn Mas’oed gaf het schapen
hoedden op. In laats daarvan zorgde hij voor de noden van de gezegende Profeet (saws).
Abdoellah ibn Mas’oed zeer aan de Profeet (saws) gehecht, verzorgde de Profeet (saws)
zowel binnenshuis als buitenshuis, begeleide hem op reizen en militaire
veldtochten en waakte over hem als hij sliep. Hij droeg zijn stok en zijn Shiwak
(tandenborstel) en schermde de Profeet (saws) af, als hij zich waste. Abdoellah
had ook de zorg voor alle andere persoonlijke noden van de Profeet (saws).
Aboellah ibn Mas’oed ontving in het huishouden van de Profeet (saws) een unieke
training. Hij stond onder de leiding van de Profeet (saws), hij nam zijn
manieren over en volgde hem met alles, tot men van hem zei: ”Hij stond qua
karakter het dichtst bij de Profeet.” Abdoellah werd in de ”School” van de
Profeet (saws) opgeleid. Van alle metgezellen kon hij het beste Qor’aan
reciteren en hij begreep hem beter dan wie dan ook en was daarom ook het beste
op de hoogte van de shari’ah.
Niets zou dit bovenstaande beter kunnen illustreren dan het verhaal van de man,
die naar Oemar ibn Al-Khattab kwam, toen die zich op de vlakte van Arafat
bevond, en zei: ”Ik ben uit Koefah gekomen, O Amir-Al-Moe’minien (leider der
gelovigen), waar ik een man heb achtergelaten, die uit zijn hoofd afschriften
van de Qor’aan vervaardigde.”
Oemar werd erg boos en ijsbeerde naast zijn kameel briesend op en neer.
”Wie is dat?” vroeg hij.
”Abdoellah ibn Mas’oed”, antwoordde de man.
Oemar’ woede verdween als sneeuw voor de zon en hij vond zijn houding terug,
”Abdoellah ibn Mas’oed, wee over u,” zei Oemar tegen de man.” Bij Allah, ik ken
niemand die hier beter toe in staat is, dan hij. Laat mij jou iets vertellen.”
Oemar vervolgde zijn verhaal: ”Op een nacht had de boodschapper van Allah (saws)
een gesprek met Aboe Bakr over de situatie van de moslims. Ik was daarbij. Toen
de Profeet (saws) vertrok, gingen wij niet met hem mee. Terwijl we door de
moskee liepen, stond daar een man in gebed die wij niet herkenden. De Profeet (saws)
stond stil te luisteren naar hem. Daarna keerde hij zich naar ons toe en
zei:”Iedereen die de Qor’aan wil lezen op de manier waarop hij geopenbaard is,
moet hem net zo reciteren als ibn Oem Abd.”
Na het gebed, toen Abdoellah was gaan zitten om ad’ijah (mv van smeekbeden) te
maken, zei de Profeet (saws): ”Vraag, en het zal je gegeven worden, vraag, en
het zal je gegeven worden.”
Oemar vervolgde:
”Ik zei tegen mezelf: ”Ik zal zo meteen naar Abdoellah ibn Mas’oed toegaan en
hem het goede nieuws vertellen dat zijn Ad’ijah (smeekbeden) geaccepteerd zijn.”
Dit ging ik inderdaad doen maar ik merkte dat Aboe Bakr mij voor was geweest en
hem het goede nieuws al had medegedeeld. Bij Allah, ik heb Aboe Bakr nooit
kunnen verslaan in het doen van een goede daad.”
Abdoellah ibn Mas’oed had zo’n grondige kennis van de Qor’aan verkregen dat hij
zei:”Bij Hem naast Wie geen andere god is, er is geen aya van het boek van Allah
geopenbaard, waar ik niet van weet waar het geopenbaard is en onder welke
omstandigheden. Bij Allah, als ik iemand kende, die meer van Het Boek van Allah
afwist, dan zou ik al het mogelijke doen om bij diegene in nabijheid te zijn.”
Abdoellah ibn Mas’oed overdreef niet met wat hij over zichzelf zei. Op een keer
ontmoete Oemar ibn Al-Khattab een karavaan, op één van zijn reizen als khalief.
Het was pikkedonker en de aankomende karavaan kon niet duidelijk worden
waargenomen. Oemar gaf het bevel om de karavaan aan te roepen. En nu wilde het
geval dat Abdoellah ibn Mas’oed bij deze karavaan aanwezig was!!
”Waar komen jullie vandaan?” riep Oemar
”Uit een diepe vallei”, kwam het antwoord. (de uitdrukking die gebruikt werd was
“Fajj amiq”-diepe vallei- deze komt uit de Qor’aan)
”En waar gaan jullie naartoe?” riep Oemar.
”Naar het oude huis”, werd er als antwoord gegeven. (de uitdrukking hier
gebruikt was ”Al-Bayt Al-Atiq” eveneens uit de Qor’aan).
”Er is een alim (geleerde) bij hen”, zei Oemar en hij beval iemand die persoon
te vragen:
”Welk gedeelte van de Qor’aan is het grootste?”
”Allah! Er is geen god behalve Hij, de Levende, de Zelfgenoegzame. Noch sluimer
noch slaap overmant Hem”, antwoordde de ander, Aya-t-oel-Koersi (het troonvers)
citerend.
“Welk onderdeel van de Qor’aan is het duidelijkst over de rechtvaardigheid?”
Abdoellah ibn Mas’oed riep:”Allah beveelt wat juist en goed is, het voeden van
verwanten….”
“Wat is de bondigste uitdrukking uit de Qor’aan?”
“Wie ter grootte van een atoom goed deed, zal dit aanschouwen, en wie ter
grootte van een atoom kwaad deed, zal dat aanschouwen.”
“Welk gedeelte van de Qor’aan geeft de meeste hoop?”
“Zeg: O Mijn dienaren die hun bronnen verspild hebben, wanhoop niet over de
Genade van Allah. Waarlijk, Allah vergeeft alle zonden. Hij is de
Vergevingsgezinde, de Erbarmer.”
Toen vroeg Oemar: ”Is Abdoellah ibn Mas’oed daar bij jullie?”
“Ja, bij Allah”, Abdoellah ibn Mas’oed is hier bij ons”, antwoordde de mannen
van de karavaan.
Abdoellah ibn Mas’oed was niet alleen een vertolker van de Qor’aan, een geleerde
of een vroom aanbidder. Hij was ook een sterk en moedig strijder, iemand die
bloedserieus werd als de situatie daartoe aanleiding gaf. De metgezellen van de
Profeet (saws) waren op een dag samengekomen in Mekkah. Ze waren nog maar met
weinigen, zwak en onderdrukt. Ze zeiden: ”De Qoeraishieten hebben nog nooit de
Qor’aan openlijk en luid horen reciteren. Wie is degene, die dat voor hen kan
doen?”
“Ik zal voor hen reciteren,” zei Abdoellah ibn Mas’oed en gaf zich vrijwillig
op.
“We zijn bezorgd om je” zeiden ze. “We willen alleen iemand, die door zijn clan
tegen het kwaad beschermd kan worden,”
“Laat mij maar gaan”, hield Abdoellah ibn Mas’oed vol. “Allah zal mij beschermen
en het kwaad van mij weghouden.” Hij ging naar buiten, naar de moskee en ging op
de maqâm Ibrâhîm (een paar meter van de Ka’abah) staan. Het was in de
ochtendschemering en de Qoeraish zaten rond de Ka’abah. Op de Maqâm Ibrâhîm
begon Abdoellah te reciteren:
Bismillah-ir-Rahmân-ir-Rahîm. Ar-Rahmân. Alla-l Qor’aan. Galaqa-l insan.
Allamahoe-l bayan….. (In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. De
Barmhartige heeft de Qor’aan onderwezen. Hij heeft de mens geschapen en heeft
hem de uiteenzetting (ervan) geleerd.
Hij ging door met reciteren. De Qoeraish keken aandachtig naar hem en iemand
vroeg: ”Wat heeft ibn Oem Abd allemaal te zeggen?”
“Vervloekt!” Hij reciteert ons iets van wat Mohammed (saws) heeft gebracht!”
realiseerden zij zich.
Toen stonden ze op en begonnen in zijn gezicht te slaan, terwijl hij met
reciteren door ging. Toen Abdoellah naar zijn metgezellen terugkeerde, zat zijn
hele gezicht onder het bloed.
“Dit is waar we al bang voor waren”, zeiden ze.
“Bij Allah”, antwoordde Abdoellah, “Allah’s vijanden hebben het op dit moment
niet gemakkelijker dan ik. Als jullie het willen, doe ik het morgen weer.”
“Jij hebt genoeg gedaan “, zeiden ze. “Je hebt ervoor gezorgd dat ze naar iets
luisterden wat hen helemaal niet aanstond.”
Abdoellah ibn Mas’oed leefde tot de tijd van het Khalifât van Oethman. Toen hij
ziek was en op zijn sterfbed lag, kwam Oethman bij hem op bezoek en zei:”Aan
welke kwaal lijd je?”
“Aan mijn zonden.” Zei Abdoellah.
Oethman vroeg: “Wat zijn je wensen?”
Abdoellah antwoordde: “De Genade van mijn Heer.”
Oethman zei: “Zal ik je je salaris niet eens geven dat je nu al jaren lang
weigert?”
“Ik heb het niet nodig” Zei Abdoellah.
Oethman zei toen: “Laat het dan voor jouw dochters na jou zijn.”
Maar Abdoellah ibn Mas’oed antwoordde met: “Ben je bang dat mijn dochters armoe
lijden? Ik heb hen bevolen om elke nacht Soerah Al-Wâqi’ah te lezen, want ik heb
de Profeet (saws) horen zeggen: ”Iedereen die elke avond Al-Wâqi’ah leest, zal
nooit met armoede te maken hebben.”
Die nacht kwam Abdoellah ibn Mas’oed bij zijn Heer, zijn tong stroomde over van
de gedenkingen aan Allah (swt) en van de recitaties van de Ayât uit Allah’s
Boek.
Wa alikoem salaam wa Rahmatoellahi wa Barakatoeh

©
2003 copyright.
Alle Rechten Voorbehouden. All Rights Reserved.
De informatie op de website is bedoeld voor persoonlijk, niet-commercieel
gebruik. Elke vorm van herpublicatie van de inhoud zonder voorafgaande,
schriftelijke, toestemming is niet toegestaan.
![]()