Bij dit werpspel tracht men zoveel mogelijk schijven in de opening van de bak te werpen.
·
5 schijven, 1 bakspel (49x41x24)
Vanop een afstand tracht je de balletjes door de openingen van het bord te werpen. Je scoort telkens als je een bal door de opening werpt.
Met de balletjes mik je zorgvuldig naar de blikken die opgestapeld als een toren wachten op omvergeworpen te worden. Hoe meer blikken je omwerpt, hoe hoger je score wordt.
Een speler tracht met de 2 benen gestrekt op het paard, zonder het evenwicht te verliezen of met de voeten de grond te raken, de vier petjes af en daarna weer op de uiteinden van de blinde merrie te wippen.
Bij het doelschieten, dat is uitgegroeid tot een olympische sport, wordt met scherpe pijlen naar een blazoen geschoten. Mik je met je linkeroog, dan neem je de linkse boog, en omgekeerd. Afstand ongeveer 25 meter.
In het midden van het bord brengt men een tolletje aan het draaien zodat de 5 bolletjes weggeschoten worden. Hoe verder de bolletjes van het centrum weggeslingerd worden, zonder terug te rollen, hoe meer punten men behaalt.
Puntentelling : holtes in de binnenste ring = 1 punt
holtes in de middelste ring = 5 punten
holtes in de buitenste ring = 10 punten
wanneer in 1 beurt de 5 kogeltjes geplaatst worden dan verdubbelen de punten.
Vanop 3 meter of meer gooit men de stuivers naar de ‘egge’ en tracht men zoveel mogelijk punten te scoren.
Met het hamertje verdedigt elke speler zijn 2 doelen. Tegelijkertijd tracht hij het knikkertje in het doel van één van de tegenstrevers te stoten. Telkens een speler een doelpunt incasseert, verliest die speler een punt.
De kunst van dit spel bestaat erin om zoveel mogelijk hoefijzers netjes rond het paaltje, dat in de grond steekt, te werpen. De afstand kan willekeurig bepaald worden (min. 3 meter)
Net zoals bij het moderne amerikaanse bowling, komt het er bij het traditionele kegelspel op aan om in één of meerdere beurten zoveel mogelijk kegels te vloeren.
Afstand tussen de kegels = een kegellengte
1 punt per kegel
In 2 beurten tracht elke speler zoveel mogelijk kegels te vloeren. Kegels die tijdens de eerste beurt omver gevallen zijn, blijven liggen tijdens de tweede beurt.
Deze bestaat uit het volgend spelmateriaal : blinde merrie, eggeschieten, kegelen, knikkerhuisje, reeplopen, ringsteken, ringwerpen, sjoelbak, slagwip, steltlopen, zwierbol, bikkelen, bolvangertje, diabolo, hinkelen, jojo, kiskas, koten, klakkebuis, molenspel, muurkaatsen, putteken balleken, pretkrijt, tollen en touwspringen.
Voor de spelbeschrijving van de kleinere spellen verwijzen we naar de in de spelkoffer bijgevoegde brochure.
Door aan de touwtjes te trekken probeer je het houten balletje zo hoog mogelijk te laten klimmen. Hoe hoger je met het balletje geraakt, hoe hoger je score. De opening waar het balletje in terechtkomt bepaalt je score.
Het knikkeren kent vele variante speelwijzen zoals ‘hoopkens zetten’, in d’O schieten,… Bij het knikkerhuisje tracht men zoveel mogelijk knikkers in het huisje te laten verdwijnen, waarbij elk deurtje een andere puntenwaarde heeft.
Man tegen man of in twee ploegen, worden de afgeschuinde bollen zo kort mogelijk bij het paaltje gebold. Elke bol die dichter bij de staak ligt dan die van de tegenpartij levert een punt op. Men speelt naar een vooraf bepaald puntenaantal (normaal is dit naar 9 punten)
Baanlengte = 7 à 8.5 meter
Baanbreedte = 2.2 à 4.2 meter
Met het loden bolletje, dat aan een galg is bevestigd, tracht men zoveel mogelijk mannetjes achterover te slingeren. Elk mannetje dat omver ligt brengt een aantal punten op.
Meestal speelt men 5 beurten.
Eén of meerdere ballen in de lucht werpen en ook opvangen, die van je eigen groep of die van een andere groep, één na één of gelijktijdig.
Het basismateriaal voor new games en coöperatieve spelen biedt heel wat mogelijkheden voor groepsspelen, zij worden best onder begeleiding uitgevoerd.
Man tegen man of in twee ploegen worden een aantal knotsen naar het doel geworpen. De kunst bestaat erin de knotsen tussen de palen te doen belanden. Lukt dit niet, dan telt de dichtstbij liggende knots.
De palen staan 16 à 20 meter uiteen.
Puntentelling : tussen de palen = 2 punten per knots, anders levert elke knots die dichter ligt dan die van de tegenstander 1 punt op.
Het Provencaals bolspel wordt man tegen man of in twee ploegen gespeeld waarbij de bollen zo dicht mogelijk bij de ‘cochonet’ geworpen of gerold worden. Elke bol dichter bij het kleine balletje dan een bol van de tegenpartij levert een punt op.
In twee beurten tracht men zoveel mogelijk kegels te vloeren. Opgelet : de bol moet wel eerst achter de uiterste kegel of "zot" en de omgevallen kegels blijven liggen bij de tweede beurt.
1 punt per omgevallen kegel. Wie tijdens de eerste beurt een "bos" bolt, krijgt 10 punten en de punten voor de kegels die bij de tweede slag omver gebold worden.
9 punten krijgt de speler die bij de tweede beurt alleen de "negenman" of de middelste kegel omkegelt.
Terrein en materiaal :
De pietjesbak is een achthoekige, houten speelbak met een diameter van ongeveer 38 cm. De binnenzijde is gewoonlijk bekleed met vilt of een andere stof zodat de dobbelstenen niet al te veel lawaai maken.
Spelbeschrijving en reglementen :
Van het teerlingen- of dobbelspel, dat in een pietjesbak kan gespeeld worden, bestaan tientallen varianten, zowel wat de puntentelling als wat het aantal dobbelstenen betreft. Eén ervan, dat in onze streken dikwijls en met in principe onbeperkt aantal deelnemers wordt beoefend, verloopt als volgt :
elke speler zet op zijn gedeelte van de rand van de pietjesbak negen verticale krijtstreepjes. Nu werpt ieder om beurt met één teerling en wie het hoogst aantal ogen gooit, begint.
Daarna wordt in de wijzerrichting van de klok gespeeld tot elk aan de beurt is geweest. De speler die opgaat kan naar believen één-, twee- of driemaal werpen, telkens met de drie dobbelstenen. De beste worp telt. Het aantal keren dat hij geworpen heeft, bepaalt het aantal worpen dat iedere speler krijgt. Is zijn eerste worp goed, dan heeft hij er alle belang bij geen tweede maal te werpen.
Hij gunt op die manier zijn tegenstrevers zo min mogelijk kansen om zijn worp te verbeteren. De waarde van een worp wordt als volgt bepaald :
1 oog = 100 punten
6 ogen = 60 punten
2,3,4 en 5 ogen = respectievelijk 2,3,4 en 5 punten.
Enkele mogelijke combinaties zijn :
(3,4,5) = 3+4+5=12 punten
(1,4,5) = 100+4+5=109 punten
(1,1,2) = 100+100+2=202 punten
(6,3,2) = 60+3+2=65 punten
(1,6,5) = 100+60+5=165 punten
(1,1,6) = 100+100+60=260 punten
De winnaar van een beurt mag in principe een streepje wegvegen. In sommige gevallen echter twee, drie of zelfs alle streepjes :
- liggen de drie teerlingen met hetzelfde vlak naar boven gekeerd, dan scoort men zand of sant, bijvoorbeeld zand van twee (2,2,2). Zand van zes is meer waard dan zand van vijf, deze is op zijn beurt meer waard dan zand van vier enzovoort. Zand is in waarde net boven 260 en is goed voor het uitvegen van twee streepjes;
- de combinatie (6,5,4), samen 69 of soixante-neuf, overtreft zand in waarde en laat toe drie streepjes weg te vegen;
- werpt men zand van enen (1,1,1) of drie apen en is men minstens al één streepje kwijt, dan mag men alle resterende streepjes uitvegen en is men dus uit. Er zit echter een addertje onder het gras : werpt men drie apen terwijl men nog alle streepjes heeft staan, dan is men onmiddellijk verloren en moet men een rondje bewaren;
- bij gelijk spel tussen twee of meerdere spelers moeten zij een barrage spelen. Elke speler werpt beurtelings één teerling. Nu telt men gewoon het aantal ogen, dus zes punten voor zes ogen, één punt voor één oog. De winnaar van de barrage mag echter slechts één streepje wegvegen, ongeacht de waarde van de worp waarmee hij het gelijkspel behaalde. Met andere woorden : ook al gooiden twee spelers in dezelfde beurt drie apen, dan nog mag de winnaar van het gelijke spel slechts één (en niet alle) streepjes wegvegen;
- nog een 'plaagregel' : de pechvogel die de combinatie (2,2,3) werpt, de laagst mogelijk score, zet een streepje bij. Hetzelfde geldt voor wie bij zijn worp een teerling buiten de pietjesbak ziet belanden.
* uit HET GROTE VOLKSSPORTEN BOEK door Erik De Vroede, uitgave
van het Davidsfonds/Leuven ISBN 906152931X 1996.
Op de holle boltra rollen de bollen zig-zag naar het doel. Men speelt man tegen man of in 2 ploegen. Elke bol die dichter bij het doel ligt dan die van de tegenpartij levert een punt op.
Er wordt gespeeld naar een vooraf bepaald puntenaantal (12 tot 21 punten)
Baanlengte = 12 à 20 meter
Baanbreedte = 1.5 à 3 meter
Uitholling = 5 à 20 cm
Staak aan weerszijden 1.5 meter van de rand
Pudebak/Juego
de la rana (A19/C20)
Met koperen stuivers wordt er naar de gapende kikvors, een rad, twee bruggetjes en gaten gegooid. De schijven belanden in de bakjes met hoge en lage puntenwaarde.
Afstand 2 tot 3 meter.
Elke speler schiet met de rekker zo vlug mogelijk zijn schijven door het poortje naar de andere helft van de bak. Wie als eerste al zijn schijven op de speelhelft van zijn tegenstander krijgt, wint.
De reep of hoepel wordt met de hand aan het rollen gebracht, met het stokje kan je de hoepel van richting doen veranderen en verder in beweging houden.
Dit is een Waals tafelkegelspel waarbij je een kegelbol in het spel moet rollen. Met wat geluk bolt hij heel wat kegeltjes om. Zo niet, heb je nog een tweede kans ! Bij de tweede poging blijven de omgevallen kegels liggen.
Puntentelling : 1 punt per kegel.
Er wordt gespeeld naar een vooraf bepaald aantal streepjes.
Al fietsend tracht je zoveel mogelijk ringetjes aan de speer te rijgen, dit zonder te stoppen of met je voeten aan de grond te komen.
Ringwerpen & ringwerpen
plat(B09/D05)
Vanop een afstand, klein of groot, mik je de vijf ringetjes naar het ringwerpbord. Met de ringetjes die blijven hangen scoor je of met de ringen die je rond een paaltje werpt.
Met de schijven tracht elke speler zoveel mogelijk ‘gaaien’ of houten blokjes van de kleine wip te gooien. Elke gaai heeft zijn eigen puntenwaarde.
· 6 schijven, 11 gaaien, een ijzeren wip, dit alles zit in een handige koffer (68x66x10)
Man tegen man of in twee ploegen tracht men zoveel mogelijk schijven bij de achterste pin te stoten. Voor elke schijf die dichter bij deze pin ligt dan die van de tegenpartij krijgt men een punt. Men speelt om de beurt waarbij de ‘verliezer’ aan de beurt blijft tot hij erin slaagt om een schijf dichter bij het doel te stoten dan zijn tegenstander.
Er wordt gespeeld tot 12 punten.
Shove ha’penny
(C03)
leg elke munt voorzichtig half op de rand, stoot dan met de muis van de hand om ter vlugst 3 munten in elk vak. Bij elke beurt 5 munten !
Munten die tegen de opstaande rand achteraan het bord ketsen zijn ‘dood’. Alleen muntjes die volledig tussen 2 lijnen liggen scoren.
De houten schijven worden naar de poortjes achteraan de sjoelbak gemikt. De schijven die niet in een vakje belanden, mogen een 2de en een 3de maal weggeschoven worden.
Wie zijn schijven gelijkmatig over de vier vakjes kan verdelen, verdubbelt zijn score voor die reeks.
! de schijven moeten volledig binnen zijn
De houten schijven worden naar de poortjes achteraan de sjoelbak gemikt. De schijven die niet in een vakje belanden, mogen een 2de en een 3de maal weggeschoven worden.
Wie zijn schijven gelijkmatig over de vier vakjes kan verdelen, verdubbelt zijn score voor die reeks.
! de schijven moeten volledig binnen zijn
Op de latten tracht je in groep om ter eerst een afstand of parcours af te leggen.
Met een trap op het uiteinde van de slagwip katapulteert een speler het balletje in de lucht en tracht het zelf op te vangen, met de hand of in het petje.
Met z’n allen rond de parachute en een reuzenpaddestoel, berg of tent maken, of er zomaar onder verdwijnen. Dat zijn maar enkele mogelijkheden met de speelparachute.
De biljartbol wordt bij het Hollands tafelbolspel door het naar buiten bewegen van twee stangen zover mogelijk naar voren gebracht. Valt de bol door beide stokken heen, tellen de punten waarin hij terechtkomt.
Op de stelten tracht men ofwel zolang mogelijk in evenwicht te blijven, ofwel om het snelst een afstand af te leggen. Of een duwgevecht organiseren. Of een parcours dat opdrachten omvat afleggen.
Op de stelten tracht men ofwel zolang mogelijk in evenwicht te blijven, ofwel om het snelst een afstand af te leggen. Of een duwgevecht organiseren. Of een parcours dat opdrachten omvat afleggen. Voor beginnelingen zijn er de loopblokjes en de blokstelten.
De spelers werpen om de beurt een schijf naar de stop met de geldinzet van de deelnemers. Valt de stop, dan wordt gemeten wie het dichtst bij het geld ligt en dus ook de inzet krijgt.
Afstand 4 tot 8 meter.
Struifvogel (klein model) (A28)
Met de pin in de bek wordt de struifvogel zorgvuldig naar de roos gelanceerd. Hoe dichter bij de roos, hoe meer punten men scoort.
Opgelet : het is zeer belangrijk dat de vogel rustig en in evenwicht naar het doel vliegt.
Na één oefenbeurt krijgt elke speler 6 beurten.
Puntentelling : 25/20/15/10/5
De houten bol wordt recht naar voor gezwaaid zodat hij in zijn terugkerende baan in het kegelbos terechtkomt. Wie in één of meerdere beurten het hoogst aantal kegels vloerde, wint.
Elke kegel is 1 punt. Meestal wordt gespeeld naar een vooraf bepaald aantal streepjes.
! de bol mag slechts 1 slingerbeweging maken.
De koperen schijven worden naar de gaten in de ton gemikt. Elke schijf die in een holte verdwijnt, levert de aangeduide punten op. In de slip is voor de besten weggelegd.
Afstand : 2.75 meter.
Met een krachtige ruk aan het touwtje lanceert men een tolletje dat in zijn gang kris-kras over de toptafel de kegeltjes omkeilt.
Puntentelling : middelste kegel = 100 punten
hoekkegel = 50 punten
overige kegels = 10 punten
Bij dit spel worden de mouwen opgestroopt… De twee ploegen plaatsen zich tegenover elkaar langs het touw. Met man en macht wordt er getrokken, waarbij de sterkste ploeg winnen mag. Touwtrekken wordt vooral in Nederland en Groot-Brittannië in competitieverband beoefend.
Trou-madame
(A09)
De poortjes vormen het doelwit van de bakbolletjes. Bolletjes die in de poortjes verdwijnen leveren de aangeduide puntenwaarde op.
Man tegen man of in twee ploegen tracht men de bolletjes zo dicht mogelijk bij het doel te bollen. Voor elk bolletje dat korter bij het doel ligt dan de bollen van de tegenstander(s) krijgt men een punt.
Er wordt gespeeld naar een afgesproken puntenaantal (normaal speelt men naar 11 punten).
Meestal speelt men met 4 bollen per speler.
Bij dit alom bekende spel, worden pijltjes naar de roos gemikt. Hoe dichter de pijltjes bij de middelste cirkel terecht-komen, hoe meer punten men verdient.
Afstand 1.5 à 2 meter.
De roos van het doelblok hangt 1.5 meter boven de grond.
Puntentelling : 50/25/20/15/10/5
Een reuzenbal die uitnodigt tot ‘wereldvolleybal’, inhaalbal, …
Beide voeten in de zak en springen maar ! Om ter vlugst een bepaalde afstand afleggen, daar komt het op aan.
Lopen mag niet, springen moet. Kijk uit, of je valt op je snoet.
De stoffen bol wordt naar de kegels geslingerd. Alleen de kegels die in de heengaande beweging van de bol omver vallen scoren punten.