Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!
wpba26f8f9_0f.jpg

Harvey Mansfield en de Mannelijke Man

 

Door Don Jia

 

De echte man is dood, maar zijn wederopstanding is nabij, tenminste, als we de filosoof Harvey Mansfield moeten geloven. In zijn recente boek Manliness fulmineert Mansfield tegen de moderne watjescultuur en bepleit hij een herwaardering van echte mannelijkheid, ontdaan van alle softe gedoe waarmee de feministen complete generaties jongens voor het leven zouden hebben gecastreerd. ’s Mans wollige, bijna victoriaanse proza kan zijn alarmistische boodschap niet verhullen: het is met de hedendaagse man helemaal verkeerd; hij ontbeert zelfvertrouwen, durf en doorzettingsvermogen, de oorzaak waarvan volgens Mansfield ligt in een doorgeslagen “genderneutrale” maatschappij. Dat moet en kan anders, denkt Mansfield, vandaar deze lofzang op de mannelijke man.

 

Staat hij hiermee aan het begin van een masculinistisch reveil? Het valt te betwijfelen, vooral omdat er een en ander aan zijn basisaannames ten aanzien van de “gefeminiseerde” moderne maatschappij schort. Hoewel hij zich met zijn conservatieve invalshoek binnen de academische wereld een minderheid weet, is zijn hypothese nauwelijks nieuw te noemen. In de Verenigde Staten vinden opfriscursussen “man zijn,” net als de eindeloos veel variaties op het thema denk-positief-en-word-steenrijk, sinds medio jaren ’80 gretig aftrek binnen het schimmige self help circuit. Schrijvers als John Gray (niet de politiek filosoof, maar die van Mannen Komen van Mars, Vrouwen van Venus) pleiten in hun boeken voor het respecteren van “natuurlijke” sekseverschillen, en zijn met die boodschap inmiddels ook in Europa bestsellers.

 

Het idee van de “gefeminiseerde” – lees: gedomesticeerde - man wordt al zo lang in films, tv series en reclamespots opgevoerd, dat het een nagenoeg uitgemolken cliché mag worden genoemd. Het staat centraal in David Fincher’s Fight Club, maar wat veel bioscoopgangers ontgaan zal zijn is dat die film het idee van de “pure” mannelijke man problematiseert door de “mannelijke” Tyler Durden op te voeren als de gespleten alter ego van het consumptiewatje door Edward Norton gespeeld. De film levert daarmee niet enkel kritiek op een “feminiene” consumptiemaatschappij, maar veel eerder ironisch commentaar op de spektakelmaatschappij, met haar pathologische verwarring van de karikatuur met het authentieke origineel.

 

De vraag die we ons bij Mansfield moeten stellen is of het überhaupt waar is dat de moderne man een zittend plassend doetje is. Wanneer de hedendaagse man zich werkelijk zo gecastreerd zou voelen als Mansfield beweert, dan is dat een kwalijke zaak. Blijkbaar heeft de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de halve bevolking jarenlang geen prioriteit gehad. Hoewel hij zelf als eerste zijn idee van manliness buiten het wetenschappelijke plaatst, is nader onderzoek in zo’n geval meer dan gerechtvaardigd. Net als dat klinisch depressieve patiënten niks zullen hebben aan een positiviteitscursus a la The Secret,  moet deze groep dan niet overgeleverd zijn aan de obscuritistische self help industrie.

 

Maar stel nu dat wij aannemen dat Mansfield wel “iets” signaleert, wat betekent dit voor hoe we zijn boek lezen? Mansfield doelt met zijn kwalificatie “watjes” natuurlijk op de generatie onder hem, of althans dat deel van de mannelijke bevolking die hij als professor aan een gerenoveerde Amerikaanse universiteit dagelijks aan zich voorbij ziet schuifelen. Er is echter één argumentatief probleem dat Mansfield’s betoog, net als Fight Club, verder problematiseert, en dat is het feit dat zijn uiteindelijke verklaring voor al dat door hem gesignaleerde mannenzeer zelf weinig “mannelijk” is: in potsierlijk neoconservatieve stijl suggereert hij dat alle grote maatschappelijke problemen vandaag het gevolg zijn van een “doorgeslagen” vrouwenemancipatie.

 

Wanneer wij Mansfield moeten geloven zou het de moderne man verboden zijn zich nog als man te gedragen. Maar hoe is dit nu mogelijk wanneer de mannelijke man, volgens Mansfield’s common sense gendermodel, een wezen is dat zich door niemand, en zeker niet door vrouwen, de wet laat voorschrijven? Hoe verklaart hij dat niet de “sterken” hun wet oplagen aan de zwakkeren? Een evenzeer common sense verklaring hiervoor zou luiden dat vrouwen blijkbaar slimmer zijn dan mannen, en dat mannelijke mannelijkheid op dit punt in de evolutie/technologische ontwikkeling domweg minder lonend is dan “vrouwelijkheid.” Die conclusie zal Mansfield echter niet geneigd zijn te trekken, verwijzen naar de meest recente ondervindingen van neurowetenschappers. Zijn uiterst mannelijke vrolijkheid hierover kan niet verhullen dat Mansfield het soort neoconservatief dat de verklaring voor het heden zoekt in een diffuse samenzwering van feministen en politiek correcte liberals. Zijn betoog getuigt in het beste geval van een schromelijk overschatte, ahistorische kijk op de rol van vrouwenemancipatiebewegingen op de moderne sekseverhouding, en in het ergste geval ondermijnt het zijn eigen aannames over wie het vrouwelijke geslacht is.

 

Het is verleidelijk Mansfield’s betoog te psychologiseren en te lezen, niet als een traktaat over postmoderne watjes, maar in de eerste plaats over zijn eigen onvermogen een manly man te zijn. Hoezo zouden mannen niet meer mogen grommen, jagen, voetballen, of bier drinken, als dit is waar zij plezier in scheppen? Van wie zouden al die mannenrituelen plotsklaps niet meer mogen? Net als mensen die in een wereldwijd zionistisch complot geloven, en hun gelijk bevestigd zien in het feit dat reguliere media geen aandacht aan hun zaak besteden – het “bewijs” dat de media geheel in handen zijn van joodse producenten – hoeft Mansfield het bestaan van zijn totalitaire feministenstaat niet te bewijzen. Die bestaat gewoon, want anders zouden mannen immers continu alleen maar mannelijke dingen doen, en vrouwen zich op hun beurt enkel met vrouwenzaken bezig houden.

 

Is Mansfield’s relaas uiteindelijk de regressivistische wens uit velen in het tijdperk van de globalisering de klok enkele decennia terug te draaien naar een vooroorlogse rolverdeling tussen de seksen? Het appelleert in elk geval wel aan een wederom in zwang rakende voorliefde voor mooi en overzichtelijk onder blanke,  middenklasse intellectuelen. Mansfield miskent daarbij echter volledig de historische ontwikkelingen die aan de moderne “genderneutrale” maatschappij vooraf gingen. Vrouwenparticipatie op de arbeidsmarkt kwam niet door “het feminisme” noch door “politiek correct denken,” maar werd noodzakelijk toen tijdens de oorlog een aanzienlijk deel van de mannelijke beroepsbevolking in militaire dienst zat, en de oorlogsproductie opgeschroefd moest worden.

 

Opmerkelijk genoeg hoor je neoconservatieve pleitbezorgers van de “traditionele” verhoudingen tussen de seksen nooit over de economische gevolgen die een daadwerkelijke terugkeer naar het verlangde “gendernatuurlijke” Paradijs zou hebben: er is geen masters graad in de economie nodig om te bedenken dat het met de uitval van de halve beroepsbevolking snel gedaan zal zijn met de welvaart. Nu kan het zijn dat een mannelijke man over zulke platvloerse economische details het hoofd niet breekt, feit is wel dat hier de werkelijke achtergrond van de “genderneutrale” maatschappij ligt. De laat moderne maatschappij kan het zich niet permitteren “natuurlijke” sociale relaties op de werkplaats te reproduceren.

 

Als overtuigd conservatief kan Mansfield deze historische relatie tussen de Tweede Wereldoorlog, het naoorlogse consumptie kapitalisme en de vrouwenparticipatie op de arbeidsmark nooit onderkennen, dus gooit hij het op een samenzwering van politiek correct links, en beperkt hij zich tot voorspelbare verhandelingen en uiteenzettingen die soms meer op hun plaats lijken in motivatietraining lectuur dan een academische publicatie. Wat is de status van een bewering dat een mannelijke man optimisme, kracht en zelfvertrouwen uitstraalt? Wat betekent het überhaupt? Toch niet dat een mannelijke man het minder van zijn analytische vermogens moet hebben? Is het werkelijk mannelijk om niet te denken maar gewoon te doen?

 

“Ja,” is Mansfield’s antwoord op die vraag. In een uitzonderlijke falsificatie van wat de meeste mensen toch al dachten, verklaart Mansfield de man tot de irrationele sekse. Het mag een voor een conservatief filosofieprofessor tamelijk mal standpunt genoemd worden. Volgens Mansfield ontbeert het de vrouwelijke man aan de durf risico’s te nemen. Een echte man daarentegen leeft voor het avontuur, en neemt risico’s, waaronder de mogelijkheid dat hij met zijn enthousiaste handelen een slechte situatie slecht gemaakt, voor lief. Dit is allemaal leuk en aardig voor die echte mannen natuurlijk, maar in een maatschappij waarin economisch rationalisme de toon slaat, moet het niet verbazen dat onbesuisde mannelijke mannen vaker onderaan de maatschappelijke ladder staan dan aan de top.

 

Daarbij komt dat verreweg de meeste bedrijven hiërarchisch gestructureerd zijn met een kleine delegerende leiding enerzijds en een bataljon uitvoerende krachten dat zich tot haar van tevoren vastgestelde taak beperkt anderzijds. Het is in het bedrijfsleven niet anders dan in het leger – de mannelijke beroepsgroep bij uitstek – in die zin dat men achteraf graag verhalen vertelt over leeuwenmoed en genomen risico’s, maar in de praktijk toch een voorkeur vertoont voor minder mannelijke mannen, om een voor niet totaal wereldvreemde mannen en vrouwen voorspelbare reden. Je zult maar een internationale beleggingsbank zijn met de gebruikelijke gevoeligheden, maar een echte man in dienst hebben die op een dag besluit op eigen houtje allerlei riskante investeringen te doen. Het is vragen om moeilijkheden.

 

Nee, Mansfield’s lofzang op de man-die-durft is vooral tekenend voor zijn eigen klassebepaalde fascinatie met nobele wilden, die zij gelijktijdig verafschuwen als bewonderen. Het is een volstrekt gemystificeerde, vrijblijvende bewondering, want wie beweert dat de “mannelijke” eigenschappen die Mansfield de sleutel tot maatschappelijk succes vormen, moet maar eens een kijkje nemen in de gemiddelde achterstandswijk. Aan testosteron, agressie en risicogedrag heeft waarschijnlijk geen enkel getto op deze planeet ooit een gebrek gehad.

 

Mansfield’s jagende, grommende, bomen omzagende, blokhutten timmerende, steevast aan vrouwen “nee” verkopende superman is er één die enkel in zijn eigen fantasiewereld bestaat: een karikatuur van mannelijkheid ontdaan van alle eigenschappen die een man een mens zouden kunnen maken. Misschien staan intelligentie en emotionele diepgang binnen Mansfield’s schema inderdaad wel niet boven aan de lijst mannelijke deugden, maar sinds wanneer is slaafs conformisme aan welke consensus dan ook mannelijk? Mansfield is zelf geen ruige avonturier, maar een bijzonder gemiddelde, burgerlijke consument van reclamebeelden die droomt van het avontuur, boeken en films verslindt over Grote Mannen in de geschiedenis, maar daarbij te allen tijde binnen de veilige enclave van zijn faculteit blijft.

 

De beste kwalificatie van zijn boek geeft Mansfield in de inleiding: “My book aims to comprehend the whole of manliness but not to cover everything. One aspect omitted is homosexuality, a topic I leave to others.”