2.1 Introductie Chili en Wallmapu en het onderzoek van de discoursen
2.2 Onderzoek in een conflictsituatie
2.3 Positionering in de wetenschapsfilosofie
2.4 Mijn eigen identiteit en mijn relatie met het veld
2.6 Determineren van discoursen
2.8 De analyse en verwerking van het materiaal
In Chili is een conflict aan de gang tussen Mapuches en delen van de Chileense samenleving. Dit conflict wordt aangeduid met verschillende namen: ‘tema indígena’, ‘conflicto Mapuche’, ‘mal-llamado conflicto Mapuche’ en ‘denominado conflicto Mapuche[2]’. Uit deze namen blijkt de voorzichtigheid waarmee over de thematiek wordt gesproken en het debat dat binnen de maatschappij gaande is over wat het conflict nu precies is. In een eerste introducerende beschrijving van dit conflict wil ik er dan ook direct op wijzen dat alles wat ik ter beschrijving aanvoer ter discussie gesteld kan en zal worden in de rest van mijn scriptie. In mijn scriptie zal ik als ik refereer naar ‘het conflict’ telkens de term “Mapuche conflict” hanteren. Het moge duidelijk zijn dat dit een discursieve lading draagt. Toch wordt deze term door alle verschillende actoren gebruikt, alhoewel dit zoals beschreven meestal (ook weer door alle actoren) het adjectief “mal-llamado” of “denominado” krijgt. Andere termen zoals bijvoorbeeld ‘conflicto forestal’ zoals Alfredo Seguel hanteert (2002), dekken niet de lading van de brede problematiek die onder het conflict schuil gaat. Ik heb nagedacht over een naam die geen discursieve lading zou hebben. Dit bleek echter onmogelijk, daarom wil ik volstaan door hier weer te geven dat de discursieve rol in een conflict zich al meteen manifesteert in de naam die het conflict krijgt.
Uitgaande van discours theorie heeft de wereld geen foundations. Daarom kan ik eigenlijk niet een algemene inleiding geven over Chili en de situatie daar, alsof er zoiets zou bestaan als een neutrale, waarden-vrije waarheid naast de verhaalde werkelijkheden. Ik zal een introductie van het conflict presenteren, zoals dat gebeurt aan ieder die de regio bezoekt: je hoort een eerste versie die schijnbaar de waarheid is en vervolgens zul je vallend van het ene discours in het andere, op zoek moeten gaan naar de betekenis van wat er gebeurt, en zul je meerdere keren voor de vraag komen te staan: wie heeft er nu gelijk? En wie spreekt er de waarheid? Ondanks het besef dat er veel verschillende visies mogelijk zijn en dat er verschillende visies bestaan, is het toch noodzakelijk een eerste beschrijving te geven van de context waarin ik mijn onderzoek heb gedaan, waarin ik mensen heb gesproken, documenten verzameld en een conflict tussen groepen mensen heb onderzocht waarin discours een belangrijke rol speelt. Deze context is noodgedwongen arbitrair, onvolledig en subjectief. In de rest van mijn scriptie zal een eventueel gerezen eenzijdig beeld rechtgezet worden. Het gaat nu juist om dat eerste korte en snelle frame waarin ik later gaten kan gaan schieten, een eerste introductie van wat het conflict is, wie de spelers zijn en waar het over gaat. Het is noodgedwongen een generalisatie. Later in de analyse komen de vragen aan de orde.
De Mapuches zijn nooit overwonnen door de Spanjaarden. Na de onafhankelijkheidsstrijd van Chili tegen de Spaanse kroon bleef het gebied beneden de Bio Bio rivier in handen van de Mapuches (Schaepman 1989:12)[3]. In 1866 werd dit onaanvaardbaar gevonden en zijn de Mapuches na 15 jaar strijd in 1881 overwonnen door de Chileense staat (Bengoa 2002:45). Deze oorlog is de “Pacificacion de la Araucanía”[4] genoemd. Mapuches zijn toen in reservaten samengebracht. Deze reservaten of reducciones kregen als wettelijke basis een título de merced. Dit zijn titels enkel en alleen uitgegeven in die tijd voor het eigendom over reservaten. Het was verboden het eigendom van deze titels te verkopen (Bengoa 2002:164). Toch is dit vaak gebeurd, al dan niet met behulp van alcohol of bedreiging (Bengoa 2002, Barrera 1999). Vaak zijn de begrenzingen van de stukken grond vaag omschreven. Een medewerker van CONAF zei me: “je moet je voorstellen dat er in zo’n titel stond ‘van die boom tot dat hek’, nu is die boom weg, en is het hek verplaatst en is er ruzie over het eigendom”. Later is overgegaan op het reguliere civiele stelsel waarin titulos de dominio gangbaar zijn. In deze chaotische regelingen met verschillende soorten vaag omschreven titels is de administratie van eigendom niet altijd netjes verlopen. De vrijgekomen grond is na de ‘pacificatie’ verkocht aan immigranten uit Europa, de zogenaamde colonos. Deze immigranten bestonden vooral uit Italianen en Duitsers. Ook nu nog is er in het zuiden van Chili een grote Duitse gemeenschap en zijn er bijvoorbeeld Duitse scholen. De immigranten gingen de grond bewerken en zo ontstond intensieve landbouw. Veelal werkten Mapuches voor een patrón op een stuk grond. Tot 1929 zijn er verschillende wetten geweest die trachtten de chaos in de titels te regelen. In dat jaar werd de wet over de ‘Propiedad Austral’ uitgevaardigd. In deze wet worden de colonos gecategoriseerd als ‘particulares’. Hiermee wordt verwezen naar mensen die recht hebben op land op een andere grond dan een titulo de merced (Bengoa 2002:167).
Al sinds de zogenaamde reductie in reservaten is er weerstand van Mapuches. Bijvoorbeeld werd in 1910 la Sociedad Caupolicán Defensora de la Araucanía opgericht. Zij streed bijvoorbeeld voor onderwijs. De Federacion Araucana was tegen assimilatie, eiste ‘ingepikt’ land terug en wilde een onafhankelijke republiek (Singer Swords 2002:24). Gedurende de socialistische regering van Salvador Allende (1970-1973) zijn ook daadwerkelijk landhervormingen doorgevoerd, die echter met de staatsgreep van Pinochet in 1973 weer zijn teruggedraaid. Onder de nationale veiligheidsdoctrine bestreed hij de communisten. Veel mensen zijn opgepakt, vermoord en verdwenen. Zijn regime had van een belangrijk gedeelte van de bevolking veel steun: hij had volgens hen het land op orde gebracht na de chaos ten tijde van socialist Allende (Kievid 1993). Nog steeds is er een verdeling onder de bevolking merkbaar op grond van het onderscheid voor en tegen Pinochet.
Pinochet heeft een extreem neoliberaal beleid gevoerd gebaseerd op de theorie van de Chicago Boys (onder leiding van Milton Freedman) om de economische situatie in het land te verbeteren. In de eerste helft van de twintigste eeuw werd in de 8e, 9e en 10e regio intensieve landbouw bedreven en hout gebruikt ten koste van oorspronkelijk bos, bosque nativo. De landbouw zorgde voor erosie van de grond. Deze uitgedroogde landbouwgronden leidden Pinochet tot de uitvaardiging van een gunstige wet, Decreto Ley 701, om grond op te kopen en er bosbouw te bedrijven. De Decreto Ley 701 is een middel van de overheid waarmee ze bosbouw stimuleert door veel subsidie te geven. Een foldertje van CONAF plaatst in een tekstballon de volgende tekst: “Así pues amigo campesino, gracias a los beneficios del D.L. 701, la plantación de su predio casi le sale gratis” (CONAF 2002). Verschillende bedrijven hebben hier gebruik van gemaakt en grond opgekocht en beplant met eucalyptus en naaldbomen. Zo kwamen in de tweede helft van de twintigste eeuw de plantages die het interne houtverbruik verzorgen en zorgen voor export naar vele landen in de wereld (CORMA 2002), dit in tegenstelling tot veel andere landen die hiertoe nog steeds oorspronkelijk bos kappen. Chili is momenteel na Brazilie het land met de meeste bosbouw in Latijns Amerika (Lira 2001). De bosbouw is het tweede grootste exportprodukt van Chili. Volgens schattingen bezitten bosbouwbedrijven 1,5 miljoen hectares (Singer Swords 2002:24).
In 1989 heeft Pinochet een volksreferendum verloren en is een democratische regering geïnstalleerd onder leiding van Patricio Aylwin (Kievid 1993:212). De overheden sinds het einde van de dictatuur hebben wel te maken met verschillende overblijfselen in de vorm van wetten en instituties (Kievid 1993:219). Aylwin heeft in 1989 uitvoerig overleg gevoerd met Mapuches en andere inheemse volkeren in Chili, wat bekend staat als het Parlement van Nueva Imperial (Bengoa 2002:183). Hier zijn afspraken gemaakt waarna de Comision Especial de Pueblos Indigenas de opdracht kreeg om een wetsvoorstel voor te bereiden. Het resultaat hiervan is de zogenaamde Ley Indigena die is goedgekeurd in 1993, waarin onder andere regels staan om land over te dragen aan inheemse mensen via een nieuw te vormen orgaan. Dit orgaan is de Corporacion Nacional de Desarrollo Indigena (CONADI) geworden. Ondanks deze wet en de inspanningen van CONADI zijn de spanningen in het gebied niet voorbij. CONADI heeft een fonds tot haar beschikking waarmee ze grond die door comunidades wordt opgeeist, kan opkopen en aan de comunidad kan doen toekomen. Dit fonds is echter niet toereikend voor het aantal aanvragen dat CONADI krijgt (19.286 hectares in 1999 CORMA 1999). CONADI kan verder slechts land kopen dat door de eigenaar te koop wordt aangeboden.
Het neoliberale beleid van Pinochet dat wijd verbreid geroemd wordt om haar succes is ook door de volgende regeringen behouden (Singer Swords 2002:1). Naast de expansie van de bosbouw zijn er andere mega projecten die door de overheid worden gestimuleerd. Hiertoe behoren hydro-electrische dammen in de Alto Bio Bio, de aanleg van een snelweg aan de kust en een by pass om Temuco. Deze projecten betekenen echter een impact op het grondgebied van Mapuches. Naast het verlies van territorium klagen Mapuche activisten bijvoorbeeld over de effecten van bosbouw op omliggende comunidades zoals erosie, watervervuiling door pesticiden, het verdwijnen van medicinale planten en de reductie van biodiversiteit. (Seguel 2002 en Singer Swords 2002).
Conflicten worden getriggerd als Mapuche comunidades op aangrenzende gronden protest houden, het land terugeisen, het land bezetten, of de weg afzetten. Zo is er sprake van landbezettingen, brandstichtingen en confrontaties met de politie. Verschillende Mapuche activisten zitten in de gevangenis. Bosbouwbedrijven en particulieren roepen om hardere maatregelen van de overheid ter bescherming van hun privé eigendom en de vrijheid tot het uitoefenen van hun werk (CORMA 2002). Comunidades, individuen en Mapuche organisaties strijden voor herstel van hun territorium, respect voor hun cultuur en identiteit en autonomie (Aukiñ 1997, CAM 1999 en Singer Swords 2002 p.25-27). Verschillende Mapuche organisaties en individuen hebben overzichten gemaakt van de specifieke conflicten die bestaan over grond[5].
Het Mapuche conflict is te zien als veel verschillende kleinere conflicten gecentreerd rond verschillende issues. Er is een conflict over een snelweg die aangelegd gaat worden, een conflict over bosbouwplantages, over grondwettelijke erkenning, over vrijlating van gevangenen, over teruggave van grond door particulares en over vuilnisbelten. Deze conflicten hebben telkens één actor gemeen: de zogenaamde ‘movimiento Mapuche’. Daarom worden al deze kleine losse conflicten in het algemeen samengenomen met de term “conflicto Mapuche”. In mijn onderzoek heb ik me geconcentreerd op het conflict tussen deze movimiento en grondbezitters (bosbouwbedrijven en particulares) ten aanzien van grond[6]. Dit conflict komt heel simpel gezegd neer op het volgende: de grond is niet in handen van Mapuches, en de activisten van de movimiento willen dat de grond wel in handen van Mapuches komt. Bij dit conflict raken ook vrijwel altijd politie en justitie betrokken. Zo heb ik in mijn onderzoek besloten me te concentreren op drie actoren: de Mapuche activisten, de grondbezitters en justitie/ politie.
Ik heb gepraat met medewerkers van bosbouwbedrijven, ambtenaren bij de overheid, politie-functionarissen, officieren van justitie, particuliere grondbezitters, Mapuches, antropologen, sociaal werkers, academici, advocaten, politici, Chileense burgers, kortom met iedereen die direct of indirect te maken heeft met wat zich afspeelt rond het ‘conflicto Mapuche’. Dit onderzoek is begonnen in september 2002[7] in Santiago, de miljoenenstad waar volgens tellingen 500.000 Mapuches wonen (Saavedra 2002). Hier heb ik mijn eerste orienterende gesprekken gevoerd, visitekaartjes laten maken, literatuur verzameld, kranten gelezen en voornamelijk Chilenen leren kennen. Mijn eerste kennismakingen met het conflict waren de waarschuwingen van mensen als ik hen vertelde over mijn onderzoek. “Wow, big shit!” was de reactie en dan een gezicht met de uitdrukking ‘dat lukt je nooit meisje’. Af en toe waren er krantenberichtjes in de grootste kranten die verwezen naar gebeurtenissen in het zuiden waar de Mapuches hun oorspronkelijke territorium hadden. Op 12 oktober, de dag dat Columbus Amerika ‘ontdekte’ was er een demonstratie. Maar verder is er in het dagelijks leven in Santiago van het conflict niet zo veel te merken. Slechts wat graffiti op de muur herinnert eraan.
Dit veranderde toen ik met mensen over mijn onderzoek begon te praten en er steeds meer ‘inrolde’. Na afloop van mijn talencursus en het voorbereidende orienterende werk in Santiago begon mijn onderzoek echt met mijn vertrek naar het zuiden, Temuco. Temuco ligt in de 9e regio van Chili, ook wel de Araucanía genoemd. Het gebied ten zuiden van de rivier Bíobío, de 8e, 9e en 10e regio, vormt het traditionele territorium van de Mapuches. Dit is ook de regio waar de andere 500.000 Mapuches leven (Saavedra 2002), gedeeltelijk in comunidades[8] op het platteland, gedeeltelijk in dorpen en steden. In het zuiden, verwikkeld in het veldwerk, werd het conflict een indringend onderdeel in mijn leven. De busreis naar het zuiden leidt langs een prachtig landschap, glooiende heuvels en rijen en rijen bomen. Als echt stadskind vond ik het prachtig. Later leerde ik een andere visie kennen op deze bomen: ‘de soldaten van de bosbouwbedrijven’[9]. Elk aspect van de regio is doordrongen met aspecten van het conflict. De regionale krant heeft veelvuldig voorpaginanieuws met betrekking tot het conflict. Op de markt worden groenten verkocht door oude vrouwtjes in traditionele kleding. Op de muren staan in graffiti leuzen geschreven: “Estado: asesino!”[10].
Waarschuwingen over mijn onderzoek hadden als belangrijkste boodschap dat het belangrijk was om éérst met mensen van bosbouwbedrijven te praten. Op het moment dat ik eerder met Mapuches gesignaleerd zou zijn, zouden ze me namelijk niet meer te woord staan. Sowieso trouwens zouden ze waarschijnlijk niet met me willen spreken. Een jongen die werkte bij het grote bosbouwbedrijf Arauco zei me ook voorzichtig te zijn: “ze zijn nogal conservatief”. Uit prudentie heb ik me uitgebreid ingelezen en tot in de puntjes voorbereid alvorens een eerste contact te leggen. Chili kent drie grote bosbouwconcerns: Arauco, Mininco en Millalemu. Verder zijn in het zuiden nog enkele kleinere bosbouwbedrijven actief zoals Magasa en Bosque Cautín. Op een dag was het toch zo ver: voor het eerst in mijn mantelpakje op weg naar een gesprek met een medewerker van bosbouwbedrijf Mininco. Na verschillende omwegen waarin ik me gepresenteerd had als geinteresseerd in maatschappelijk verantwoord ondernemen, en het leggen van contacten via de Corporacion Nacional Forestal (CONAF) en de Corporacion de la Madera (CORMA), had ik nu gewoon de koe bij de horens gevat en ging ik praten in het hol van de leeuw over ‘el conflicto Mapuche’, ‘gesterkt’ door een opmerking van de Mapuche activiste K: “Que no te olvides que son las empresas que matan!”
In het begin van mijn verblijf in Temuco werd ik overspoeld door het conflict: in november 2002 werd een Mapuche jongen neergeschoten in een confrontatie met de politie. Er waren rellen. Er was een mars. Er werden verschillende activisten gevangen genomen. Er werden branden gesticht. Er was spanning en sensatie. Er was een conflict. De kranten stonden vol. De radio waarschuwde mensen hun kalmte te bewaren. Mensen vertelden me vol passie de verschrikkelijke dingen die er gaande waren. Mensen waarschuwden me dat wat ik kwam doen, onmogelijk was. Mensen waarschuwden me dat niemand met me zou willen praten. Mensen waarschuwden me dat ik het land uitgezet zou worden. Mensen praatten vol haat in hun stem. Het conflict beheerste hun hele leven. Hun identiteit beheerste hun hele leven.
Zo waren de eerste maanden.
Later sprak ik steeds meer mensen. Later leerde ik steeds meer mensen kennen. Later raakte ik gewend aan het feit dat je telefoon wordt afgeluisterd. Later raakte ik gewend aan de constante gesprekken over het conflict. Later raakte ik gewend aan de krantenkoppen. Later zag ik in dat sommige mensen fundamentalistischer zijn dan anderen. Later zag ik in dat de hausse omtrent de vermoorde jongen weer weggeebd was. Later zag ik in dat vanwege de vakantie de studenten niet meer gemobiliseerd werden. Later zag ik in dat mensen weliswaar in de gevangenis zaten, maar niet vermoord werden. Later merkte ik dat gewelddadige verhalen telkens herhaald werden. Later raakte ik gewend aan de verhalen over brandstichtingen. Later raakte ik gewend aan een bezoek in de gevangenis. Later begreep ik steeds meer de twee kanten van het verhaal. Later zag ik de situatie steeds meer als een doorgaande niet-zo-schokkende status quo. Gewenning[11].
Het doen van onderzoek in een conflictsituatie brengt nogal wat problemen met zich mee. Verschillende antropologen hebben hierover geschreven (Nordstrom & Robben, Mahmood, Sluka). Meteen al bij aankomst werd ik van alle kanten gewaarschuwd dat niemand met me zou willen praten, en dat niemand de waarheid zou vertellen. Praten over het conflict leek één groot taboe. Daarom ben ik zeer voorzichtig te werk gegaan bij het benaderen van mensen en het positioneren van mezelf in het veld. Het scheen dat niet alleen mijn onderzoek, maar ook mijn eigen veiligheid anders in gevaar zou komen, getuige het aantal keren dat ik ben gewaarschuwd voor het afluisteren van mijn telefoon en het gevaar het land uitgezet te worden. In gesprek met mensen overviel mij vaak het gevoel van ‘oorlog’. Een heel naar beklemmend voortdurend allesoverheersend gevoel. Na verloop van tijd leerde ik de paranoia beter op waarde te schatten en had ik een goede positie verworven met contacten binnen elk van de door mij onderzochte actoren. Graag wil ik wijzen op de unieke kans die mij is geboden onderzoek te doen in een dergelijk conflict dat nog níet dermate ge-escaleerd is als bijvoorbeeld het conflict in Punjab, waardoor het zoals Mahmood beschrijft onmogelijk is om te praten met actoren van verschillende kanten (Mahmood 1996:269). In mijn onderzoek is dat wel mogelijk gebleken en ik maak dan ook dankbaar gebruik van het waardevolle en interessante materiaal dat dit heeft opgeleverd om de verschillende discoursen en discursieve en institutionele continuiteiten die een conflict construeren integraal te bestuderen en analyseren.
Wel was het vaak lastig om mensen te spreken te krijgen. Verschillende Mapuches stonden wantrouwend tegenover een gesprek met een antropoloog. Ten eerste zijn er al zo velen en hebben ze niet de tijd om al deze onderzoekers uitgebreid te woord te staan. Ten tweede weet je nooit wie het is, en kan alle informatie tegen je gebruikt worden. Contacten met meer radicale Mapuches zijn altijd via via verlopen. Ook grondbezitters stonden sceptisch tegenover een gesprek. De vrouw van een man die ik interviewde vroeg mij haar te verzekeren dat ik geen rare dingen zou doen met mijn materiaal: ze had al genoeg problemen. Ook bij justitie werd moeilijk gepraat. Eerst werd mij verteld dat ik met niemand zou kunnen praten: het onderwerp lag te gevoelig. De hoogste regionale officier sprak uiteindelijk met mij terwijl ze elk woord op een weegschaal scheen te wegen, zich volledig bewust van eventuele gevolgen van een verkeerde uitspraak. Ik wilde toch geen vertrouwelijke dingen weten? Het gesprek opnemen op een bandje werd door een andere officier van justitie weliswaar niet geweigerd, maar bemoeilijkte het praten aanmerkelijk. Op het moment dat het interview was afgelopen scheen hij opgelucht adem te halen en liet hij in het na-gesprek dat volgde meer los dan tijdens het interview. Op een gegeven moment wilde ik met een Mapuche activiste in de gevangenis praten. Hiertoe heb ik tot en met de hoogste chef in een kantoortje moeten onderhandelen om pen en papier mee naar binnen te mogen nemen. De politieman die ik interviewde zei me, nadat me streng was gevraagd naar mijn visum en paspoort, dat hij niet met me mocht praten vanuit zijn politieke functie. Ook niet als persoon. Ook niet als politie. In welke hoedanigheid hij uiteindelijk wel praatte, was me niet duidelijk, maar we hebben even gepraat. Hoewel iedereen me waarschuwde dat bosbouwbedrijven absoluut niet bereid zouden zijn tot praten, had ik juist daar geen moeite mensen te spreken te krijgen.
Mensen te spreken krijgen over vertrouwelijke zaken in een conflictsituatie kan niet zonder vertrouwen.
Op een gegeven moment zat ik in de auto met een Mapuche activiste, X, die ik goed had leren kennen. We waren op weg naar een vriend van haar in de gevangenis. Ik had gevraagd of zij dacht dat ik hem misschien kon interviewen. Zij zou me nu bij hem introduceren. Ze drukte me op het hart om voorzichtig te zijn, want hij praatte niet graag met “journalisten en dat soort mensen”. Ze kon absoluut niet garanderen dat hij met me zou willen praten. Hij is heel straight, zei ze me, en maakte met haar hand een strakke beweging. Dat eerste gesprek spraken we een beetje over koetjes en kalfjes. Ik hield me een beetje op de achtergrond. Ik had geleerd geduld te hebben. Niet te agressief op informatie af te gaan. Een respectvolle en afwachtende houding aan te nemen. Ik werd geintroduceerd als een vriendin van X en een student. Aan het eind vroeg ik of ik nog eens terug mocht komen voor een interview. En ja, gelukkig, dat was prima. Uiteindelijk ben ik nog verschillende keren langs geweest, en heeft hij me heel erg veel verteld. Op mijn vraag waarom hij nu met mij had willen spreken, bleek het feit dat ik met X was meegekomen doorslaggevend was geweest. En, de eerste keer hadden we wel leuk gepraat.
Ik heb exploratief onderzoek gedaan, zonder een vooraf bepaalde hypothese en ben te werk gegaan op basis van inductie. Tijdens mijn onderzoek, al dan niet gedwongen door de feiten en omstandigheden, vroeg ik mij telkens af: wat is wetenschap? In het veld wordt het in een keer heel lastig vast te houden aan normen als verifieerbaarheid, systematiek, volledigheid en generaliseerbaarheid. Je wordt overspoeld door informatie: alles is informatie en alles is belangrijk. De keuzes die je maakt, wélke feiten te observeren, moeten echter wel wetenschappelijk verantwoord zijn en te beargumenteren. Het veld ingegaan met een redelijk gepreciseerde probleemstelling, vraagstelling en onderzoeksvragen, bleven er nog duizenden keuzes over die niet zo makkelijk één twee drie via een wetenschappelijk onderbouwing gemaakt konden worden. Veel keuzes maak je daarom op grond van pragmatische overwegingen. Dat is veelal in de gevallen dat het wetenschappelijk gezien ook niet zo heel veel uitmaakt.
Gedurende het veldwerk echter beginnen je data zich te vormen, zijn er lijnen te ontrafelen en is de cyclus van analyse afgewisseld met dataverzameling begonnen. Hier maak je de volgende keuzes in het onderzoeksproces ten aanzien van een verdere precisering van je vraagstelling en een toespitsing van je data. In dit stadium heb ik veel gehad aan de woorden van Pirsig: “De wetenschappelijke methode kan testen wat je meent te weten, maar kan je niet vertellen waarheen je moet gaan” (1999:250). Creativiteit, originaliteit, vindingrijkheid, intuitie en verbeelding spelen een onnoemelijk belangrijke rol in dit proces en naast mijn voorliefde voor logica en consistentie heb ik ook hierop durven varen. Het veldwerk is een aaneenschakeling van de vorming van mini-hypotheses, toetsing hiervan en eventuele verwerping of verdere voortborduring. Het is een aaneenschakeling van associaties tussen de meest uiteenlopende situaties, voorvallen en gesprekken. Een constante terugkoppeling naar je onbevraagde aannames, je ge-expliciteerde vraagstelling, aangeleerde modellen voor de werkelijkheid, causale verbanden, theoretische concepten en eventuele andere vragen, ideeën en invallen. En middenin dat gekkenhuis bleef bij mij de vraag branden: is dit nu wetenschap? Zo ja, waar is dat dan op gebaseerd?
Tot de jaren zestig waren er weliswaar antropologen die twijfelden of het mogelijk was om echte harde wetenschap te bedrijven gezien de onmogelijkheid een gecontroleerd experiment uit te voeren en de geweldige complexiteit van menselijke interacties. Toch bleef het streven de natuurwetenschappelijke eisen zoveel mogelijk te benaderen overeind en bleef het slechts bij technische bezwaren. De postmodernisten braken met deze trend en betwistten natuurwetenschappelijke ambities op epistemologische gronden (Barrett 1997:150). Postmodernisme legt meer de nadruk op interpretatie en betekenis, dan op causaliteit en gedrag. In dit kader is het belangrijk aandacht te besteden aan hermeneutica. Dit gaat uit van het principe dat een onderzoeker de cultuur, het gedrag en gewoonten van onderzoekssubjecten moet begrijpen vanuit hun eigen denkkader, met hun eigen concepten en categorieën, in plaats van een verklaring van buitenaf op te leggen met het begrippenkader van de onderzoeker. Een ander centraal concept is de hermeneutische cirkel waarin een begrip van losse delen ontstaat in wisselwerking met het begrip van het geheel (Fay 1996:145). Vanuit deze interpretatieve onderzoekstraditie heb ik mijn onderzoek gedaan. Toch heb ik in navolging van de critical theory ook gebruik gemaakt van wetenschappelijke concepten die niet door actoren zelf gebruikt worden, maar zijn ontstaan in wetenschappelijke theorieën. Zo heb ik begrip gezocht in de combinatie van begrijpen en verklaren, zoals ook door Fay betoogd wordt (1996:134).
Discourstheorie baseert zich op anti-foundationalism en anti-essentialisme. Het gevaar dat hierin schuilt is dat op een gegeven moment “anything goes” (Sayyid & Zac, 1998:254). Kritieken werpen bijvoorbeeld tegen dat water toch niet kan branden, dat zou wijzen op een essentie. Dus hoezo is de wereld zonder foundations? Belangrijk om te begrijpen is echter dat discours theorie niet claimt dat dingen gecreëerd worden slechts door het uitspreken van woorden. Nee, discours theorie stelt dat de werkelijkheid slechts toegankelijk is door beschrijvingen of handelingen. Rorty zegt: “The world is out there, but the descriptions of the world are not” (ibid.,1998:254). Uit discours theorie kunnen een wereldbeeld en werkwijze voortvloeien die op gespannen voet staan met wetenschap. Zoals Rorty zei: “By abandoning notions of ‘objectivity’ and ‘scientific method’ discourse theory is unable to distinguish between the social sciences and literature” (ibid., 1998:256). Hier wil ik me absoluut bij aansluiten. Het is onmogelijk om volledig onbevooroordeeld een discours analyse te starten. Men heeft altijd zijn eigen ordeningen, categorieën en logica in het hoofd en zal van daaruit wellicht aannames of coherentie zien, waar die in de werkelijkheid niet zijn (cf critical theory Fay 1996:130). Ik zou het echter niet willen zien als iets dat afbreuk doet aan de waarde van een analyse van discoursen. Door vaststaande structuren te verwerpen, beoogt discours theorie niets minder en niets meer dan een verhaal te vertellen dat inzicht geeft. Of zoals Sayyid & Zac het uitdrukken: “is the story that it tells compelling?” (1998:256). Pirsig formuleert het als volgt dat men “in plaats van te zoeken naar een theorie die ‘waar’ is, beter op zoek kan gaan naar een theorie die ‘handig’ is, dat wil zeggen inzicht geeft” (Pirsig, 1999:236).
Ik heb mijn keuzes telkens gemaakt op basis van één constante factor in mijn gemoedsrust: mijn onbegrip. Barrett beschrijft dat het postmodernisme de auteur centraal ging stellen als maatstaf voor keuzes wat betreft het verzamelen van gegevens, in plaats van de gegevens zelf (1997:154). Tijdens mijn onderzoek was mijn onbegrip telkens en telkens weer mijn vuurtoren. Op basis van dit onbegrip heb ik gedurende mijn veldwerk mijn vragen gespecificeerd, geherformuleerd, mijn informanten gezocht, locaties bezocht en vragen gesteld. Gezien mijn vraagstelling waarin daadwerkelijk begrip centraal staat, vond ik het van belang mijn onbegrip te koesteren en steeds kritisch te kijken naar de vraag of mijn materiaal en de analyse van dat materiaal op basis van de principes van discours analyse mij daadwerkelijk begrip verschaften. Graag wil ik er op wijzen dat dit onbegrip in een conflictsituatie een extra dimensie krijgt. Een conflict kenmerkt zich door een wirwar van elkaar tegensprekende en uitsluitende absolute waarheden die je telkens over je heen gegoten krijgt. Pratend met een werknemer van een bosbouwbedrijf, al mijn vragen op hem afvurend, vragen die naar boven waren gekomen in gesprek met een Mapuche activist, merk ik aan het einde van het gesprek dat de vragen een beetje tanen. Wat in gesprek met de Mapuche activist heel vanzelfsprekende vragen waren, een totaal onbegrip voor de visie van de grondbezitters, verliest in gesprek met deze werknemer haar relevantie. De woorden, de omgeving, de geheel andere logica, out-of-the-box, de andere terminologie, het is net alsof mijn vragen gedurende het gesprek verdwijnen als sneeuw voor de zon, zonder antwoord, want vanuit het kader van de grondbezitters is de vraag niet meer dezelfde vraag en is er dus geen antwoord. En er rijzen nieuwe vragen, die ik wil stellen aan een Mapuche activist, want in een keer lijkt hún perspectief weer vreemd, onlogisch en ontoelaatbaar, maar deze vragen ketsen op hun beurt af op hun volledig andere interpretatiekader en begrippennetwerk. Zo onstond de constructie van de verschillende discoursen.
Ik wil niet onvermeld laten dat deze gesprekken en mijn voortdurende aanwezigheid bij de verschillende partijen voor mij af en toe zwaar was. Ook mijn eigen moraal werd telkens weer door elkaar gegooid en bevraagd. Robben en Nordstrom noemen dit een “existential shock” (1995:15). Je stelt je onderzoeksvragen ook aan jezelf: wat vind ik rechtvaardig? Wat vind ik van geweld? Hiermee wordt het ook een persoonlijk onderzoek. Ook Mahmood beschrijft deze impact op de eigen emotie door omringd te zijn met geweld en de effecten van geweld (1996:270), en de noodzaak dit te onderkennen:
“Only recently has greater attention been paid to the actual experiences of ethnographers doing fieldwork, which, more than a set of methods, means reaching out to other human beings across a sometimes immense cultural gulf. That fieldwork is such a momentous personal experiencefor most anthropologists has traditionally beenbelied by our rhetoric style, which conformed to the misguided notion that a pretended distance from one’s “subjects” was prerequisite to “science”” (Mahmood 1996:24).
Singer Swords, een studente die haar master thesis heeft gedaan over het Mapuche conflict, schreef mij in het begin van mijn onderzoeksperiode: “Het innemen van geen standpunt is in asymmetrische conflicten het steunen van de repressieve status quo...” Hiermee kom ik op een volgend belangrijk punt in mijn hoedanigheid als onderzoeker. In mijn aantekeningen schreef ik het volgende: “Ik wil niet objectief zijn. Ik wil hypersubjectief zijn. Mezelf aan alle kanten van de medaille plaatsen en beschrijven wat ik zie, voel, merk, hoor, meemaak”. Aansluitend bij de beginselen van discourstheorie ga ik ervan uit dat objectiviteit niet mogelijk is, slechts intersubjectiviteit. Vanuit deze houding zal de hoogst mogelijke mate van objectiviteit bereikt worden. Dit komt overeen met de opvattingen van Mead en het symbolisch interactionisme. Objectiviteit is volgens Mead niet meer dan een collectief aanvaarde interpretatie van de wereld, die zich in de praktijk moet bewijzen en die zich door de inbreng van subjectieve aanpassingen voortdurend ontwikkelt. Mead acht een scherp onderscheid tussen feit en interpretatie niet mogelijk, omdat de waarneming cultureel gevormd is (Peperstraten 1999:236).
Ik sluit me volledig aan bij de conclusie die Mahmood trekt met betrekking tot de relatie tussen haar en haar veldwerk: “In fact, ethnography is now best understood as dialogical rather than “objective” (if it ever was), and it is in this spirit that I write about my relationships with Sikhs as well as about Sikhs themselves” (Mahmood 1996:24-25). Om deze houding te bereiken heb ik me ten opzichte van het conflict waarde-neutraal opgesteld. Verder was mijn houding in elk gesprek en elk contact heel belangrijk. Ik heb me enerzijds sceptisch opgesteld ten opzichte van de woorden en meningen van mensen, de verschillende kanten en visies altijd in gedachten houdend en terugkoppelend. Anderzijds stond ik volledig open voor hún visie en hún ideeën. Open staan betekent dan dat je oprecht je best doet mee te gaan in de logica, de andere zienswijze, het begrippenkader en de gevoelens die deze oproepen, om zó de impact van het discours écht te kunnen begrijpen. Hierbij heb ik de volgende spreuk in gedachten gehad: “Om hem te zien, moet je zien wat hij zag. [...] In ieder ander geval sluiten je eigen denkbeelden de toegang af” (Pirsig, 1999:75). Toch moet gewaarschuwd worden voor de illusie dat het mogelijk zou zijn om via discours analyse te kruipen in de hoofden van de onderzochten (Sayyid & Zac, 1998:265). Dat wil ik geenszins pretenderen.
Gedurende mijn onderzoek heb ik mij telkens opnieuw onafhankelijk en neutraal opgesteld. Geen partij kiezen, iedereen in zijn waarde laten, waarde-neutraal zijn, een buitenstaander blijven, openstaan voor iedereen en alle mogelijkheden, op deze wijze heb ik keer op keer mijn positie als onafhankelijk onderzoekster herbevestigd. In een situatie waarin men vooringenomen ideeën heeft over jouw mening, en tracht je te overtuigen van zijn of haar gelijk is dat niet altijd een even makkelijke opgave. Nordstrom & Robben spreken in dit verband over “ethnoghraphic seduction” (1995:17). Hierbij wijzen ze echter ook op de analogie tussen deze invloed op de etnograaf en de invloed van het geweld op de bevolking. In mijn dagboek schreef ik: “ik voel me net als in ‘oorlog zonder vrienden’”. Jean Genet beschrijft dit gevoel in zijn onderzoek onder Palestijnen als volgt: “I am among them, rather than with them” (in: Mahmood 1996:266).
Ten aanzien van het onderzoeken van de verschillende discoursen waren de volgende dingen voor mij belangrijk: het echt van binnenuit observeren van de discoursen en zelf voelen/ meeleven, vanuit de dagelijkse dingen. Jabri benadrukt ook dat discoursen liggen ingebed in discursieve en institutionele continuiteiten die voortkomen uit en gereproduceerd worden in routines van het alledaagse leven. Ik heb onderzocht op basis van veel verschillende soorten indrukken en informatie, hierbij de triangulatie in methodes in gedachten houdend. Ik heb gekeken vanuit een holistisch perspectief dat ervan uit gaat dat alles met elkaar samenhangt en dat dingen moeten worden beoordeeld in de context van het geheeld. Zo heb ik telkens het hele spectrum in het oog proberen gehouden, dat van invloed is op de mensen, de discoursen en het conflict. Tot slot heb ik me gehouden aan het devies van Koopmans, onderzoek te doen als een vos: door ongeremde nieuwsgierigheid. “Alleen door veel te lezen, te horen en te praten over een veelheid van onderwerpen zal hij samenhangen gaan zien die hij niet heeft gezocht” (Koopmans 1998).
Tijdens mijn onderzoek heb ik bewust getracht mijn eigen integriteit in het oog te houden. Een neutrale houding in het conflict was hiertoe weliswaar mijns inziens de juiste houding, dit was niet altijd de makkelijkste omdat het vaak als een belediging ten opzichte van mensen voelde, als een uiting van ongeloof en onbegrip. Ik voelde me vaak een indringer in het leven van mensen. Een indringer in iets waar ik niets mee te maken had, en waar mijn onderzoek ook niets aan zou bijdragen. “Wetenschap bereikt het verstand. Kunst bereikt het hart” zei iemand mij gedurende het veldwerk. Het was een kritiek op het onderzoek van academici naar het conflict. Ik heb ernaar gestreefd te handelen met respect en met het vertrouwen van mensen. Ik heb me vaak naief opgesteld en veel vragen gesteld. Toch heb ik niet altijd alles durven vragen, bang mensen te beschamen.
Ik ben op bezoek bij Mapuche activisten in een comunidad. We zitten te eten, en ik doop het brood in mijn soep. Ik ben heel stil. En luister. Ik stel geen vragen. Waar hebben ze het over uit zichzelf? Ik doe mijn best de omgeving zo min mogelijk te verstoren. Ik wil vanuit hún ogen kijken. Ik wil de werkelijkheid proberen te zien. Ik wil zien wat het conflict voor hen betekent. Ik wil zien hoe hun dagen eruit zien. Ik kan er wel naar vragen. Maar wat voor antwoord krijg je dan? Woorden. En wat weet je dan? Weet je dan of iemand bezig is om een katapult te maken? Weet je dan of iemand een grapje maakt over de politie? Weet je dan of het conflict alle gesprekken beheerst? Weet je dan of iemand vlak voor hij gaat slapen wenst dat zijn vader uit de gevangenis wordt vrijgelaten? Weet je dan of iemand het liefst zijn hele leven appels uit de appelboom plukt? Weet je dan of iemand droomt van rijkdom, een studie, een toekomst als medicijnvrouw, of een reis naar Europa?
In de balans tussen het wel of niet stellen van bepaalde vragen, heb ik een afwachtende houding aangenomen. Mijn inschatting nu is dat ik wellicht meer had kunnen doen wat Mahmood noemt: “putting people on the spot” (1996:13). Zijzelf echter beschrijft ook gekozen te hebben voor terughoudendheid.
Mijn introductie in het veld heeft eigenlijk gedurende mijn hele onderzoeksperiode telkens weer opnieuw plaatsgevonden bij het ontmoeten van nieuwe informanten en het aanwezig zijn bij nieuwe gebeurtenissen. Toch is er één moment geweest dat ik heb ervaren als een ware ‘rite de passage’.
Een jongen had mij uitgenodigd bij zijn moeder thuis op het platteland om een comunidad te leren kennen. Ik had hem via Y één keer eerder ontmoet om eens te praten over mijn onderzoek. Hij was al jaren actief bezig met de strijd. Zijn vader had ook jarenlang actief gestreden ten tijde van Pinochet. Vol nieuwsgierigheid naar een comunidad ging ik die dag naar de busterminal waar we hadden afgesproken. In de bus vertelde Z me over de strijd die hij in zijn studententijd had gevoerd als leider van Mapuche studenten, waarbij ze een groot studentenhuis hadden gekraakt dat nu opvang geeft aan meer dan 80 Mapuche studenten. Aangekomen in de comunidad ontmoette ik zijn moeder, en liet hij me de hele comunidad zien. De appelbomen, de schapen, de net nieuw gebouwde ruka en de huizen van familieleden. Overdag werd ik al een beetje geplaagd: “morgen zou ik pas écht zien wat Mapuche zijn inhield. Dan zou ik bloed eten”. Ik dacht dat het allemaal grapjes waren. De volgende ochtend werd ik vroeg wakker gemaakt. Buiten zag ik dat iedereen zich al had verzameld in de ruka. Er waren ook buren gekomen. Zijn moeder en de buurvrouw praatten in Mapuzugun. En plotseling zag ik het schaap. Op zijn kop. Aan een balk hangen. Slik. Dit stadsmeisje had nog nooit een slachting meegemaakt. Zeker niet om half acht ´s ochtends. Maar goed. Je bent antropoloog of je bent het niet. Dus braaf gaan zitten, mate gedronken met de vrouwen terwijl de mannen het werk deden. Later vertelde Z me dat ze alvorens het lam te slachten eerst een gebed had gezegd, zoals het gebruik is onder Mapuches. En vervolgens hebben we een gezamenlijke maaltijd gehad, longen, nieren, etcetera, te beginnen met het eten van het bloed, wat een delicatesse is, en ze vertelden dat het eten van bloed de Mapuches altijd zo sterk maakte. Gedurende dit hele gebeuren voelde ik de ogen van de mensen gericht op deze blanke gringa: hoe zou ze reageren? Achteraf vertelde Z me, dat ik de proef goed had doorstaan...
Gedurende mijn hele onderzoeksperiode ben ik me erg bewust geweest van mijn eigen identiteit. Ten eerste in het contact met andere mensen was mijn presentatie van zeer grote invloed op hun houding ten opzichte van mij, en het soort informatie dat ze me gaven. De wijze waarop anderen mij benaderen, tips geven, en dus beïnvloeden. Ik ben jong, een meisje, blank, rijk, antropoloog. Deze karakteristieken roepen allemaal vooroordelen op. Ik ben me erg bewust geweest van mijn eigen identiteit omdat ik zelden zo nadrukkelijk gediscrimineerd ben. Vrijwel constant werd ik erop gewezen dat ik anders was, dat ik uit Europa kwam, een gringa was, een buitenlander was en blank was. Nog nooit heb ik zo graag gewild dat mijn haar zwart was en mijn huid iets donderder. Mijn identiteit bepaalde al voor een groot gedeelte de reactie van mensen. Zo reageerden mensen van bosbouwbedrijven veelal meteen verdedigend, aangezien ik het prototype “verdediger van de wilde indiaan” ben. Ik was een antropoloog. En wat háátte ik het om antropoloog te zijn. De Mapuches haten antropologen. Ze voelen zich bestudeerd. Ze noemen ze vampiers: uitzuigen om zelf een titel of status te verkrijgen. De grondbezitters identificeren antropologen met linkse hippies die sowieso de kant van de wilde geidealiseerde indiaan kiezen. Ik was een westerling. Een geldschieter voor de Mapuches. Een potentiele infiltrant van de Mapuches voor de grondbezitters. Maar voor beide kampen ook mogelijkheid om hun kant van het verhaal kwijt te kunnen. Een handig PR middel. Ik maakte er geen geheim van dat ik met de verschillende mensen van de verschillende kanten praatte. En altijd waren ze geinteresseerd in wat de anderen dan gezegd en verteld hadden. En altijd wilden ze mijn mening weten, en moest ik me er bewust van zijn wat ik wel en niet blootgaf. In mijn opstelling naar mensen toe was ik mij steeds heel erg bewust van mezelf. Altijd zou er over me gepraat worden. Altijd was de wijze waarop ik me presenteerde en vervolgens opstelde cruciaal. Dit was heel, heel erg vermoeiend. Gekmakend. Altijd respect tonen. Altijd oppassen met mijn woorden. Altijd oppassen over de telefoon, omdat ik afgeluisterd zou worden.
Mijn eigen presentatie in de Mapuche beweging vond ik nog niet zo makkelijk. En als iedereen je telkens om je mening vraagt, is het ook niet zo makkelijk om dat onderwerp dood te zwijgen. Op een gegeven moment in het begin van mijn onderzoeksperiode ben ik aan het praten met een collega-antropoloog, Y. Hij is Mapuche en zijn hele familie is al van oudsher verwikkeld in de strijd. Zijn jeugd heeft hij doorgebracht bij de communistische partij. We praten als antropologen. Hij is geinteresseerd in mijn visie. Hoe zie ik het conflict dan? Hoe kijk ik tegen de Mapuches aan? Hij vertelt me dat hij zelf het af en toe raar vindt om met de ogen van de antropoloog naar zichzelf te kijken. Zijn broer en hij noemen elkaar altijd “indio”. Het scheldwoord voor de Mapuches. Een antropologisch verschijnsel? “En wat vind ik nou eigenlijk?” vraagt hij mij. Zwijgend kijkt hij me aan. Ik hou me een beetje op de vlakte. Ik ben er pas net. Alles is nog een wirwar. Ik wil niemand voor het hoofd stoten. En hij kijkt me alsmaar zo analyserend aan. Ik word er zenuwachtig van. Ik heb het gevoel dat ik me met elk woord op glad ijs bevind. En ik wil mijn objectiviteit bewaren. Eén ding weet ik zeker. Ik ben geen Mapuche. Ik wil ook geen Mapuche worden. En ik heb niets te maken met hun strijd. Dat is iets van hen. Dat klinkt misschien simpel, maar het is een wereld van verschil met de zogenaamde Mapuchistas die de regio bevolken: studenten uit het buitenland. Jong, hippie, links en op zoek naar een “causa”. Vol activisme gooien ze zich in de strijd als waren ze zelf Mapuches. Ik dacht dat dat van mij ook verwacht werd. Maar geen haar op mijn hoofd die eraan dacht. En liever eerlijk dan schijnheilig, dus ik zei tegen hem: “Ik ben geen Mapuche. Ik wil ook geen Mapuche worden. En ik heb niets te maken met jullie strijd. Dat is iets van jullie. Ik wil onafhankelijk en objectief iets onderzoeken”. Een verrassende opstelling. Het bleek een schot in de roos. Een weldenkende onafhankelijke buitenlandse. Dat was nog eens iets anders dan de meelopende, goedhartige, op-zoek-naar-zichzelf-zijnde activisten, ook wel ‘Mapuchistas’ genoemd. Daarbij bleek de Mapuche-beweging niet zo heel erg gediend van mensen die pretenderen Mapuche te zijn. Nee, je moet respect hebben voor hun identiteit. Niet iedereen kan zomaar meedoen. Natuurlijk mag je wel steun geven, graag zelfs. Maar niet denken dat je dan een insider wordt. De rolverdeling is duidelijk. Vanaf dat moment had ik ook het respect gewonnen van deze antropoloog met zijn onderzoekende ogen.
Niet alleen echter was mijn presentatie van belang in relatie tot mijn onderzoeksveld. Ook was het bewustzijn van mijn identiteit belangrijk in het contact met mezelf omdat mijn eigen identiteit ook een gevangenis kon worden waardoor mijn vrije denken werd belemmerd. Mijn kanaal waardoor mijn gedachten stromen. Daarbij is mijn identiteit bepalend voor mijn visie op de problematiek, en moest ik deze bias in de gaten houden, om daar telkens van bewust te zijn. In sommige gesprekken werd mij iets verteld, waar ik op dat moment geen aandacht aan schonk, er vanuit mijn beperkte perspectief geen belang aan hechtend. Pas later realiseerde ik mij dan dat dat heel belangrijk en essentieel was. Een voorbeeld hiervan is een gesprek dat ik voerde halverwege mijn onderzoek in een conflictieve comunidad met een man en een vrouw. We praatten over het contact met politie en justitie. Op een gegeven moment noemde de vrouw een aanval die mensen uit andere comunidades hadden gedaan op haar man. Deze uiting van onenigheid onder Mapuches paste op dat moment nog niet in mijn visie op het conflict. Het belang hiervan voor relaties, discoursen, dynamiek en gedrag in het conflict kon ik op dat moment niet herkennen. Dergelijke onvolkomenheden in het onderzoek heb ik trachten te ondervangen door constant een persoonlijk dagboek bij te houden en bevindingen te reflecteren in gesprekken met mensen van de verschillende discoursen en outsiders. Wekker wijst in dit kader ook op het belang van het naar buiten brengen van de identiteit van de auteur, de spreker van een tekst, om aan te geven waar de zogenaamde objectiviteit vandaan komt. “In plaats van er almachts- en alwetende fantasieën op na te houden, sporen kritische wetenschappers ons dus aan om gedeeltelijke, maar verantwoorde en belichaamde kennisclaims te doen. Dit is een kritische en meer levensvatbare opvatting van objectiviteit, die de persoon van de onderzoeker in onderzoek en publicaties betrekt en bevraagt wie de (traditioneel afwezige, maar machtige) auteur is en hoe die figuur weet wat zij/ hij weet” (Wekker, 1998:43).
Discours analyse van politieke fenomenen houdt zich bezig met het kijken naar de “limits of discursive formations, tracing and unweaving the logics that structure discourse” (Sayyid & Zac, 1998:260). Hierbij heb ik wat betreft identiteiten gekeken naar binaire opposities, identiteit en vorming van discours communities en categorisering. Wat betreft normen, waarden en de perceptie van geweld heb ik mensen constant geconfronteerd met hun goals en hun gedrag en gevraagd naar de rechtvaardigingen hierachter. Om deze visies scherper te krijgen heb ik in interviews de verschillende partijen constant geconfronteerd met de meningen, ideeën en verhaalde werkelijkheid van de andere partij. Als een advocaat van de duivel heb ik mensen ertoe gebracht hun ideeën helder te verwoorden en goed te onderbouwen.
Zo heb ik in een cyclisch en iteratief proces mijn onderzoek gedaan. Telkens heb ik mijn vragen voorgelegd aan de beide partijen. Telkens heb ik de antwoorden van de ene partij als vraag neergelegd bij de ander. Telkens heb ik uit de gesprekken de onderliggende aannames gedestilleerd en die weer voorgelegd aan beide partijen. De analyse van de interviews, documenten, mijn dagboekaantekeningen en mijn aantekeningen van participerende observatie hebben me telkens weer richting gegeven voor volgende keuzes en volgende stappen. Zo heb ik de lijst met topics, thema’s en specifieke onderzoeksvragen telkens weer aangepast en gespecificeerd. Telkens heb ik de gevonden informatie gebruikt als basis voor de beslissingen ten aanzien van de volgende stappen in het verzamelen van data. Enerzijds stappen om inhoudelijk dieper te kunnen zoeken en gevonden thema’s en concepten dieper te kunnen onderzoeken, en anderzijds stappen om methodologisch scherper te kunnen zien welke respondenten of vormen van informatie ik moest zoeken.
Ik ben het onderzoek begonnen met een uitgebreid literatuur- en documentenonderzoek om een globaal overzicht te verkrijgen van de situatie, de thematiek en de actoren. Vervolgens heb ik me via gesprekken met zogenaamde ‘outsiders’ georienteerd op de gevoeligheden en de beste manieren om toegang te verkrijgen. Deze outsiders kunt u samen met de andere gedetailleerde informatie ten aanzien van mijn interviews en participerende observatie vinden in bijlage 1. Deze outsiders hebben me inzicht gegeven in de wijze waarop ik het beste met informanten en respondenten in contact kon komen. Ook hebben zij mij een dieper inzicht gegeven in de problematiek. Tot slot hebben ze mij geholpen bij het leggen van contacten. De contacten heb ik gedeeltelijk verkregen via de sneeuwbalmethode. Wel heb ik ervoor gewaakt hierdoor niet in één kringetje te blijven, daarom heb ik gezorgd steeds te kijken welke segmenten van een actor of discours ik nog niet onderzocht had. Sommige radicale Mapuche activisten praatten bijvoorbeeld afwijzend over Mapuches die in een overheidsorganisatie werkten. Zo werd ik op deze onderlinge onenigheden binnen discoursen wel gewezen door informanten zelf die telkens het verschil aangaven tussen zichzelf en anderen. Te allen tijde heb ik trachten te voorkomen dat ik door anderen met één groep of een subgroep geidentificeerd zou worden.
Het determineren van discoursen is een glibberige aangelegenheid nu je ervan uit moet gaan dat er dus geen gegeven foundations zijn. Het is lastig om grenzen om discoursen te trekken of te bepalen waaromheen een discours wordt opgebouwd zonder van buitenaf maatstaven op te leggen. Ik stel mij op het standpunt dat de grenzen van een discours moeten worden gevonden in het discours zelf (Sayyid & Zac 1998). Juist door hiernaar te kijken krijgt men ook inzicht in de rol die discoursen spelen. Ik zal een voorbeeld geven. Verschillende Mapuche-activisten stellen dat zij het Mapuche volk representeren. Vaak praten ze over ‘de’ Mapuches. Echter ook praten zij over de movimiento Mapuche als een aparte categorie daarbinnen. Het onderscheid dat ik maak tussen Mapuches in het algemeen en de Mapuche activisten van de movimiento Mapuche is dus niet iets wat ik van bovenaf opleg, maar een grens die ik uit het discours zelf haal.
Interviews, documenten en participerende observatie hebben me de kans gegeven inzicht te krijgen in de verschillende discoursen die bestaan in en vormgeven aan het conflict. Hierbij heb ik verschillende keuzes moeten maken. Er zijn meerdere discoursen die een rol spelen in het Mapuche conflict. De keus die ik gemaakt heb is gebaseerd op het volgende criterium: “welke discoursen legitimeren en constitueren direct het conflict en de continuatie van het conflict?” Noodgedwongen heb ik ook bij de bepaling van de discoursen de onderlinge verschillen binnen een discours ondergeschikt moeten maken, om niet te vervallen in een onwerkbaar idee dat iedereen in zijn eigen verhaalde werkelijkheid leeft.
Ik heb enkele keuzes gemaakt bij het construeren van de discoursen van de verschillende actoren. Naast de inhoudelijke vragen (wat voor informatie zoek je), is de vraag van belang van wíe je de informatie wilt hebben. Wie zijn precies de actoren in het conflict? Oftewel: wie zijn de dragers en de vormgevers van de discoursen? Dit is een proces van vragen dat constant doorgaat. Zo heb ik via een cyclisch en iteratief proces onderzoek gedaan. Elk interview, elk document roept de vraag op of de uitspraken en stellingen representatief zijn voor het discours, of dat er sprake is van een uitzondering, of wellicht een grens aan het discours. Deze verificatie is een onophoudelijk proces. Het is ook een wisselwerking die de andere kant op werkt. De zoektocht speelt zich telkens af in de spiegeling tussen de verschillende actoren. Gesprekken met de ene actor doen vermoeden dat er aanwijzingen zijn van een bepaald discours, waar zij zich tegen verzetten. Waar zit dat discours dan: wie produceren dat discours en welke groep vormen zij? Zo zijn er drie discoursen ontstaan op basis van drie actoren. De eerste actor zijn de mensen, comunidades en organisaties die deel uitmaken van de movimiento Mapuche. De tweede actor wordt gevormd door de grondbezitters. De derde actor zijn politie en justitie[12].
Mensen leven in een verhaalde werkelijkheid en delen deze verhaalde werkelijkheid met andere mensen. Ook kan het zo zijn dat hun verhaalde werkelijkheid wat betreft bepaalde thema’s overeenkomt met de ene groep mensen, terwijl ze in andere thema’s meer delen met een andere groep mensen. Er is bijvoorbeeld een discours dat gedeeld wordt door de Mapuche activisten. Maar er is ook een discours ten aanzien van de betekenis van etniciteit dat verspreid over verschillende groepen mensen wordt gedeeld. In sommige gevallen heb ik daarom ingezoomed op een relevant discours dat een rol speelt in het Mapuche conflict door als uitgangspunt een bepaald thema te nemen en daaromheen het discours te construeren, zoals bijvoorbeeld Blok (2001) het discours heeft geanalyseerd omtrent het thema verkrachting. In dat geval vormt dus niet direct één bepaalde actor de kern van het discours. Juist omdat er binnen de verschillende actoren zoveel diversiteit bestaat is het niet inzichtelijk, noch getrouw aan de werkelijkheid om telkens de actoren in het centrum van een discours te plaatsen. Ik heb dergelijke discoursen ‘thema-discoursen’ genoemd. Deze ‘thema-discoursen’ die ik heb geanalyseerd zijn de discoursen omtrent de Mapuche etniciteit, de discoursen omtrent terreur en terrorisme en de discoursen omtrent globalisering.
Een belangrijke vraag is hoe je als onderzoeker weet dat je met een discours te maken hebt, of met een individueel verhaal. Om te beginnen wil ik voorop stellen dat een discours een analytisch concept is, dat niet als ding in de werkelijkheid bestaat. Het gevaar bestaat discoursen te reificeren. Het is dus niet zo dat je kunt zeggen dat als een verhaal, woord, uitspraak of idee een x aantal keer gehoord hebt, je te maken hebt met een discours. Belangrijk is of er sprake is van datgene wat we analytisch aan een discours toeschrijven. Hiervoor verwijs ik naar hoofdstuk 1, waarin ik ben ingegaan op aspecten als collectiviteit, samenhang, interne logica en hegemonie. Een discours is constitutief en gedeeld. Naar deze aspecten heb ik ook gekeken bij de beoordeling van mijn materiaal om het onderscheid te maken tussen individuele uitspraken en discoursen. Zo heb ik de discoursen gecontrueerd op basis van het materiaal dat ik verzameld heb.
Het materiaal heb ik verzameld op basis van verschillende methodes. Deze triangulatie zal mij helpen om eventuele gaten in de ene methode op te vangen met de andere methode. De door mij gebruikte methodes zijn participerende observatie, diepte-interviews, gestructureerde interviews, informele gesprekken, discussies en de analyse van geschreven documenten. Ik heb dagelijks kranten, nieuws en tijdschriften bijgehouden. Gedurende de gehele periode van 1/09/02 t/m 20/04/03 heb ik een veldwerk-notitieboek bijgehouden om dagelijks mijn ervaringen te beschrijven. In dezelfde periode heb ik ook een persoonlijk een dagboek bijgehouden om mijn eigen ideeën en gevoelens te analyseren. Verder heb ik nauwkeurig mijn methodologische keuzes bijgehouden. In mijn dagboek schreef ik: “Ik wil niet alleen de schriftelijke retorica analyseren die intellectuele leiders als propaganda aan hun doelgroep voorschotelen. Maar de echte beleefde werkelijkheid voelen, zien en beleven”. Niet alleen de verhaalde werkelijkheid, ook de beleefde werkelijkheid. Daarom heb ik een groot deel van mijn tijd besteed aan participerende observatie en informele gesprekken. In deze informele gesprekken heb ik steeds gezocht naar gesprekken met anderen dan de geijkte woordvoerders.
Ik heb in vrijwel geen van mijn officiele interviews een bandrecorder gebruikt. Al na enkele gesprekken merkte ik zeer duidelijk de invloed van de recorder op de praatgraagheid van de respondenten. Aangezien ik snel schrijf en een goed geheugen heb, leek het me beter de bandrecorder te bannen (me in goed gezelschap wetend met Barrett, 1997:134) en telkens direct na een gesprek of interview alles volledig uit te schrijven op basis van mijn aantekeningen. Graag wil ik benadrukken dat interviews niet slechts de functie hebben van informatieverstrekking. In mijn interviews probeerde ik erachter te komen hoe de mensen over bepaalde zaken denken. Ik probeerde erachter te komen hoe de mensen bepaalde zaken verwoorden. En ik probeerde erachter te komen op welke manier deze mensen betrokken zijn bij het conflict. Maar in alleen woorden zie je niet het leven van de mensen. In interviews zie je ook op welke manier ze naar jou toe communiceren over datgene waar ik naar vraag.
Zittend op een bankje aan tafel in een houten huis in een comunidad vraag ik naar de relatie tussen de comunidad en het bosbouwbedrijf dat zijn plantages op steenworp afstand heeft. En ze vertellen. Belangrijker dan de woorden die ze gebruiken en wat ze zeggen –het lijkt veel op de leuzen en teksten die wijdverspreid worden in de (alternatieve) media door de spreekbuizen van el movimiento Mapuche– is de manier waarop ik hier zit. De manier waarop ik hier terecht ben gekomen. En de manier waarop ze mij zien. Er zijn al veel studenten hier geweest. En iedereen wil horen over hun strijd. En ja, daar willen ze natuurlijk best over vertellen. Maar dat houden ze zelf ook in de hand: wat ze vertellen, aan wie en waarom. En ze houden ook in de hand wat ze niet zeggen.
Al deze aspecten van een interview zijn van niet te onderschatten waarde. In mijn veldwerknotities heb ik deze verwerkt.
De grondbezitters heb ik in kaart gebracht door te zoeken naar het discours van de verschillende betrokkenen bij het conflict in de hoedanigheid van grondbezitter, of werkend voor een bedrijf dat de grond bezit waar het om draait. Degenen die zich identificeren met de positie van de grondbezitters heb ik tot het discours gerekend. Ik heb om informatie en inzicht te verkrijgen gepraat met de verschillende grote en middelgrote bosbouwbedrijven in de 9e regio; Mininco, Millalemu, Forestal Valdivia (behorend tot het concern van Arauco), Magasa, Bosque Cautín en met enkele particuliere grondbezitters, Juan Figueroa junior en Gerhard Jequer. Ik heb gezorgd ook te praten met verschillende mensen uit één bedrijf om niet alleen de visie van hogere managers te hebben. Ik heb gepraat met de grote en de kleinere bedrijven om eventuele verschillen in de problematiek en visie te ontdekken. Ook heb ik gezorgd te praten met individuele grondbezitters om de verschillen in visie in kaart te brengen. Verder heb ik contact gehad met de advocaten van bosbouwbedrijf Mininco om hun positie ten opzichte van het conflict te onderzoeken. Tot slot heb ik gesproken met een man die werkte voor een de veiligheidsbedrijfje in de regio Collipulli in dienst van Mininco.
Ik heb veel schriftelijke informatie verzameld over de grondbezitters. Ik heb informatie van de websites van de bosbouwbedrijven. Ik heb de gehele documentatie van de CORMA in mijn bezit. Hiertoe behoren alle artikelen die zijn geschreven over het conflict vanuit het standpunt van bosbouwbedrijven, verslagen van vergaderingen van de CORMA, uitgevaardigde declaraties van de CORMA ten aanzien van gebeurtenissen in de regio, krantenknipsels en relevante onderzoeken ten aanzien van de Mapuche kwestie. Ook heb ik verschillende uitgaven van tijdschriften van de bedrijven zelf, en eigen documentatie ten aanzien van het conflict. Verder ben ik bij diverse bedrijven op bezoek geweest en ik heb een rondleiding gehad over een hele serie van plantages. Tot slot ben ik aanwezig geweest bij een bijeenkomst van verschillende bosbouwbedrijven en belangengroeperingen over de certificatie FSC, een nationale bijeenkomst over bosbouw en bij een seminar georganiseerd door de universiteit over de problematiek waar zowel Mapuche activisten als bosbouwbedrijven aanwezig waren . Voor een gedetailleerde beschrijving van mijn respondenten en participerende observaties zie bijlage 1. Voor gebruikte schriftelijke documentatie zie de bibliografie.
Telkens waar ik in mijn scriptie praat over grondbezitters duid ik op de groep mensen die zélf grond in handen heeft, of werkzaam is voor een bosbouwbedrijf dat grond in handen heeft.
Er worden door Mapuches vele politieke stromingen aangehangen, sommigen houden zich helemaal niet met politiek bezig. Sommigen identificeren zich als evangelisch, anderen als katholiek, en weer anderen als een mix hiervan met de cosmovision van de Mapuches. Ik heb besloten mijn onderzoek te beperken tot degenen die zich actief bezig houden met de Mapuche problematiek. Deze mensen noem ik Mapuche activisten. Dit is echter een term van mij, het is geen concept dat door actoren zelf gehanteerd wordt (het is dus etic in plaats van emic[13]). Deze verzameling van organisaties, comunidades en individuen wordt door henzelf wel aangeduid met de term movimiento Mapuche. De gedeelde factor waarop ik deze actor baseer is de actieve identificatie met de Mapuche etniciteit en de actieve strijd die hierop gebaseerd is. Een inzichtelijk concept om deze specifieke groep binnen de “categorie” Mapuches mee aan te duiden is het begrip “etnische associatie” (Handelman 1977 in: Neyens 2001). Deze term kan gebruikt worden als leden van een zelfde etnische categorie voelen dat ze “gedeelde belangen hebben en daarom een organisatorisch apparaat scheppen om deze belangen uit te drukken” (ibid.,2001). Dit staat in tegenstelling tot de etnische categorie, “die eigenlijk enkel gebruikt moet worden wanneer de leden van twee groepen elkaar als cultureel verschillend ervaren, zonder dat daar enige vorm van actie op volgt” (ibid.,2001).
In mijn onderzoek waarin ik heb gefocused op de conflicthaarden, de vraag naar het ontstaan van geweld en de link met onderliggende structuren, heb ik me meer gericht op organisaties, comunidades en individuen die autonomie nastreven dan degenen met een meer gematigder standpunt die voor integratie pleiten. Onderling onder Mapuche organisaties is er strijd over wie de echte autonomie nastreeft. Singer Swords (2002) onderscheidt als autonomie-nastrevende organisaties Consejo de Todas las Tierras, Asociacion Comunal Ñankucheu, Identidad Lafkenche, Ad Mapu en de Coordinadora Arauco Malleco. Hun ideeën over autonomie verschillen aanzienlijk, zo ook hun strategieën en wijze van organisatie. Toch komen de eisen overeen (Singer Swords 2002:24-27). Deze organisaties steunen comunidades in hun eisen om land van bosbouwbedrijven, particulieren en de overheid. Deze organisaties bevatten absoluut niet de gehele Mapuche bevolking. Ook wil ik expliciet opmerken dat degenen die zich tot de movimiento Mapuche rekenen niet allen ook voor het gebruik van geweld zijn. Bijvoorbeeld Domingo Marileo legde me uit dat hij dacht dat daardoor de gewenste autonomie alleen maar verder van de realiteit zou komen te staan.
Het discours van de Mapuche activisten heb ik in kaart gebracht door enerzijds in te zoomen op enkele conflictieve comunidades en daar tot in detail inzicht in te krijgen. Anderzijds heb ik gepraat met verschillende activisten verspreid over het hele spectrum van organisaties en individuen dat zich actief bezig houdt met de problematiek. Ik heb gesprekken gehad met mensen van onder anderen de organisaties Coordinadora Arauco Malleco, Consejo de Todas las Tierras, Ad Mapu, Aukinko Zomo, Agrupacion Konapewman en Comunidades en Conflicto de Collipulli. In de gesprekken en interviews heb ik gevarieerd in leeftijd, sekse, mate van radicaliteit, sociaal-economische positie, opleiding en woonplaats. Ik heb gepraat met mensen die makkelijk en graag over de problematiek praatten en met mensen die moeilijker en geslotener waren om mee te spreken. Ik heb vele informele gesprekken gehad met Mapuche activisten en ben bij verschillende van hen thuis geweest, in de stad en op het platteland. Ook heb ik officiele diepte interviews gehouden. Ik heb verder gesproken met actieve academici die zich voor de Mapuches inzetten, advocaten die zich voor de Mapuches inzetten, en Chilenen die zich voor de Mapuches inzetten. Bijlage 1 geeft een uitgebreid overzicht van de mensen die ik heb gesproken.
Ik heb participerende observatie gedaan door in enkele comunidades verschillende dagen mee te leven, dit was met name in Choin Lafkenche, Temulemu en comunidad Juan Paillalef. Verder heb ik nog enkele andere comunidades bezocht. Dit heeft mij een groot inzicht gegeven in de betekenis van het conflict in hun dagelijks bestaan en de betekenis van de Mapuche identiteit in het leven van alledag. Ik ben aanwezig geweest bij verschillende politieke, culturele en academische bijeenkomsten, en als toeschouwer bij twee demonstraties en enkele rellen. Ik heb verschillende gevangenissen bezocht waar Mapuche activisten vastgehouden werden en ben in het kantoor van enkele Mapuche organisaties geweest. Ik heb schriftelijke informatie verzameld uitgegeven door verschillende Mapuche organisaties, in boekvorm, tijdschriften, op het internet en in pamfletten. Ik sta ingeschreven op enkele e-maillijsten. Verder heb ik verschillend beeldmateriaal in de vorm van video´s en foto´s gezien.
Er is een cruciaal verschil tussen Mapuche activisten enerzijds en grondbezitters en justitie anderzijds dat ook effect heeft gehad op mijn onderzoek. De Mapuche activisten waren telkens persoonlijk betrokken bij het conflict, en bij mijn participerende observatie op het platteland bleef ik telkens ook bij mensen in hun huis slapen. Mijn andere informanten heb ik, op enkele uitzonderingen na, vrijwel telkens ontmoet op hun kantoor, of anderszins hun werkplek. Dat dit effect heeft op het soort relatie dat je ontwikkelt, moge duidelijk zijn. Het is dan ook zo dat ik onder Mapuche activisten enkele goede vrienden heb gekregen, terwijl ik van mijn andere informanten niet verder kan gaan dan een term als ‘goede bekenden’. Dit essentiele verschil heb ik gedurende mijn gehele onderzoek lastig gevonden. Ten eerste vanwege het feit dat het me het gevoel gaf ongewild ‘partij’ te kiezen. Ten tweede omdat een betere relatie automatisch effect heeft op de informatie die je ontvangt, en de mate waarin je de kans krijgt om een kijkje te nemen in de wereld áchter de propaganda praatjes. Door met verschillende mensen van bosbouwbedrijven en justitie meerdere keren te spreken heb ik dit evenwicht in balans kunnen houden.
Tot slot heb ik het discours van justitie en politie geconstrueerd. Hiertoe heb ik gesproken met verschillende officieren van justitie op zowel regionaal als lokaal niveau in Temuco en Collipulli. Verder heb ik gepraat met een rechter in Temuco en verschillende advocaten van het openbaar ministerie[14]. Ook heb ik gepraat met de politiechef van de meest problematische regio, Collipulli en Ercilla. Wederom is in bijlage 1 precies te vinden met wie ik heb gesproken. Ik heb verschillende gevangenissen bezocht. Verder ben ik aanwezig geweest bij een rechtszaak. Ik heb schriftelijk materiaal in de vorm van een artikel van de hand van een officier van justitie, de website, informatie over concrete cases, en uittreksels van rechtszaken van de rechtbank, verschillende wetten, en een cd-rom met een gehele rechtszaak.
Er zijn ook verschillende activiteiten die ik heb ondernomen die mij juist inzicht gaven in de confrontatie tussen de discoursen. Ik ben bij een rechtszaak geweest, waar Mapuche activisten werden aangeklaagd. Het slachtoffer was een particulier grondbezitter. Verschillende getuigen waren grondbezitters. Ik heb bij een demonstratie en bij rellen zowel de acties van Mapuche activisten als de reactie van de politie en de ME kunnen zien. En ook bij seminars heb ik enkele confrontaties meegemaakt.
Telkens wanneer ik met mensen een officieel interview heb gehouden, is dat gebeurd met hun volledige instemming en is het mogelijk om hun namen bij citaten te vermelden. Wanneer ik echter mijn informatie baseer op informele gesprekken, heb ik de anonimiteit gewaarborgd en de mensen omschreven zonder hun identiteit prijs te geven. Ook zijn er enkelen geweest die mij bij het interview vroegen niet hun identiteit bekend te maken. Ook hier heb ik rekening mee gehouden. Me realiserend dat het voor velen lastig was om een interview te houden met een onderzoeker gezien de kritische situatie, realiserend dat velen me op het hart drukten de informatie goed te interpreteren en niet te verdraaien of in verkeerde handen te laten vallen, en tot slot me realiserend dat een ongewenste inbreuk op het privé leven in geen enkel geval te rechtvaardigen is, heb ik mij zeer terughoudend opgesteld in het vermelden van namen. Voor de leesbaarheid heb ik soms gebruik gemaakt van een valse naam. Dit heb ik er wel telkens expliciet bij vermeld.
Elke vertaling is telkens van mij en de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de vertaling ligt ook bij mij. Ik gebruik zoveel mogelijk de woorden van mensen zelf. In sommige gevallen vond ik geen adequate vertaling in het Nederlands. In dat geval heb ik het woord in de oorspronkelijke taal laten staan en een beschrijving is te vinden in de verklarende woordenlijst achterin. Woorden in een andere taal dan het Nederlands staan telkens in italic.
Het verzamelen van het materiaal om de discoursen te reconstrueren liep parallel aan de bezigheid deze discoursen te analyseren om op die manier te komen tot een beantwoording van mijn vraagstelling: wat is de rol van discoursen in conflict? De analyse van de discoursen heb ik gedaan door op grond van kwalitatieve analyse en labelling (Baarda e.a. 1997) thema’s vast te stellen. Uit de discoursen zal ik enkele thema´s naar voren halen die meer inzicht zullen geven in de legitimatie en continuering van het conflict. Gedurende het onderzoek zijn enkele terugkerende thema’s naar boven gekomen. Deze thema’s hebben vervolgens de basis gevormd voor de structuur van mijn scriptie.
Barrett stelt dat in de literatuur met betrekking tot het doen van onderzoek bar weinig hulp te vinden is ten aanzien van de analyse van kwalitatieve data. Expliciet vermeldt hij erbij dat ook in etnografieën weinig aandacht wordt besteed aan dit proces (1997: 208). Aangezien het voor mij toch een cruciaal onderdeel van het proces is gebleken, wil ik hier wel iets over zeggen. Om te beginnen wil ik expliciet maken dat ook in deze fase de intuitie een belangrijke rol speelt. Ik heb mijn data (interviews, eigen aantekeningen, documenten en relevante literatuur) van begin tot eind doorgenomen en geclusterd. Deze clustering ging volgens het labelling-principe: plak er een label op, verzin een nieuw label, of schaar het onder een al gegeven label. De labels vloeiden gedeeltelijk voort uit al eerdere thema’s die ik heb opgesteld ten tijde van mijn veldwerk. Zo zijn bij mij uiteindelijk zes clusters ontstaan en overgebleven. Binnen deze zes clusters heb ik het labelling-proces herhaald om een indeling en overzicht van thema’s te creëren. Voor een gedetailleerde beschrijving van dit proces verwijs ik naar Baarda (1997:167-196). Aan de hand van relevante literatuur heb ik vervolgens elk cluster haar begrippenkader verleend en een framework. Aan de hand van de vragen in dit framework ben ik de data gaan analyseren om op coherente wijze antwoord te kunnen geven op de eerder geformuleerde vragen.
Jabri beschrijft een onderscheid tussen “first order analysis” en “second order analysis” (1996:91-92). First order analysis onderzoekt de wijze waarop bewuste actoren hun handelingen legitimeren. Het blijft beperkt tot “agents articulations” (ibid.,1996:92). Hierbij beroepen mensen zich echter op onderliggende reservoires aan ideeën over de werkelijkheid die door de jaren en eeuwen heen zo gegroeid zijn en die hun neerslag hebben gevonden in verschillende discursieve en institutionele continuiteiten. In hun argumenten en gedrag reproduceren individuele actoren deze structuren die gedurende de tijd zo gegroeid zijn. Ze zijn zich echter niet van bewust van hun eigen rol in deze reproductie. Dit is het niveau waarop de second order analyses plaatsvinden, “which study aspects of the constitution of social life which cannot be grasped through concepts and tacit forms of mutual knowledge to which agents have access in their day-to-day lives” (Jabri 1996:92).
Anders uitgelegd houdt een second order analysis zich bezig met de constructie van discoursen door te kijken naar de interactie tussen agency en structure. Een first order analysis richt zich op de wijze waarop op een bepaald moment agents zich via discursieve en institutionele continuiteiten situeren binnen bepaalde discoursen. Op het niveau van de first order analysis vormen de discursieve en institutionele continuiteiten een structuur in wisselwerking waarmee actieve agents in hun dagelijkse leven discoursen vormgeven en reproduceren. Deze structuur bestaat dan bijvoorbeeld uit de huidige constellatie van politieke partijen, de verschillen tussen arm en rijk, landverdeling, de aanwezigheid van verschillende grote transnationale bedrijven, het wettelijk kader en de onderwijsstructuur. Deze “first-order-structure” van discursieve en institutionele continuiteiten is in een proces van eeuwen geconstrueerd in een wisselwerking tussen agency en de “second-order-structure”. Deze second-order-structure verwijst naar macroveranderingen in economische systemen zoals de overgang van een agrarische maatschappij naar een industriele maatschappij of wat betreft politieke systemen de overgang naar een staat gebaseerd op politieke partijen. Het is duidelijk dat deze twee niveaus slechts analytisch van elkaar te onderscheiden zijn, aangezien er sprake is van een continu en dynamisch proces waarbij structuren in wisselwerking met agency discoursen vormen die vervolgens hun neerslag vinden in discursieve en institutionele continuiteiten. Gedurende de tijd consolideren deze continuiteiten zich en kunnen onderdeel vormen van grotere structurele veranderingen en zo vormt zich een continuum of spiraal waarin een onderscheid in twee losse niveaus een fictie is. Toch is het relevant een indicatie te geven van de schaalgrootte waarop mijn analyse zich afspeelt.
In mijn onderzoek heb ik mijn empirische materiaal gericht op “agents articulations” zoals deze naar voren zijn gekomen komen in interviews, informele gesprekken en documenten. In zoverre is mijn studie dus te beschouwen als een first order analysis. Daar waar ik in het vervolg spreek over ‘structuur’ refereer ik dan ook aan de first-order-structure. In de analyse van mijn materiaal is er vanzelfsprekend sprake van een constante verbinding met onderliggende discursieve en institutionele continuiteiten, die als neerslag van discoursen gevormd zijn in de wisselwerking tussen agents en second-order-structure zoals deze bestudeerd wordt in een second order analysis. Zo is het onderscheid tussen first en second order analysis nooit volledig, en steunen beiden op elkaar.
Tot slot wil ik toch nog wel iets kwijt over mijn positie ten opzichte van het Mapuche conflict. Het moge duidelijk zijn dat ik methodologisch strikte neutraliteit in acht heb genomen. Gedurende mijn hele onderzoek heb ik me opengesteld voor allerlei beinvloeding. Toch is het onmogelijk je volledig aan een mening en een gevoel te onttrekken. Eigenlijk kan ik er erg kort over zijn. Mijn affiniteit ligt bij de dromen en idealen wat betreft de wijze van leven die Mapuche activisten uitdragen. Ook deel ik in ieders mening (grondbezitters, Mapuches en overheid) dat er sprake is van onaanvaardbare armoede waar verandering in moet komen. Het gebruik van geweld wijs ik echter af.
[1] Hiermee wordt in Mapuzugun, de taal van de Mapuches, naar de regio verwezen die oorspronkelijk hun territorium was. Globaal komt dit overeen met de huidige 8e, 9e en 10e regio van Chili en een gedeelte van Argentinie.
[2] ‘inheems thema’, ‘Mapuche conflict’ ‘met de verkeerde naam Mapuche conflict’, ‘zogenaamd Mapuche conflict’. Zie bijvoorbeeld “denominado conflicto mapuche” in: ‘Pichún molesto por persecución del gobierno’ in: Diario El Gong 28 mei 2003
[3] Voor cijfers ten aanzien van het aantal uitgegeven ‘títulos de merced’ ( de documenten die het eigendom vaststelden), het aantal hectare en het aantal personen, zie de tabel in het boek Historia de un conflicto van Bengoa 1999:58.
[4] Door Spanjaarden en Chilenen werden Mapuches ‘Araucanos’ genoemd. Mapuche is hun eigen naam in Mapuzugun. (S vertelde me trots dat ze nu ook hun eigen naam door de strijd hadden heroverd). De 9e regio heeft als naam ook de ‘Region de la Araucania’.
[5] Hiervoor verwijs ik naar Aukiñ Wallmapu Ngulam 1997, CAM 1999, CAM 2000, Foerster & Lavanchy 1999 en Seguel 2002.
[6] Voor meer achtergrond en andere studies over conflicten in Latijns Amerika over grond verwijs ik naar de volgende boeken en artikelen: Waar het land einidgt project Wageningen, Cristóbal Kay Working papers. Conflict and Violence in Rural Latin America, Ouweneel, A. (1999), ´”Welcome to the nightmare”: thoughts on the faceless warriors of the Lacandona revolt of 1994 (Chiapas, Mexico)´, in K. Koonings and D. Kruijt (eds.), Societies of Fear: The Legacy of Civil war, Violence and Terror in Latin America, Lonon: Zed Books, pp. 88-101, Cristobal Kay ‘Rural development: from agrarian reform to neoliberalism and beyond’ in: Cristobal Kay (ed) Latin America Transformed
Ik heb ervoor gekozen in deze scriptie niet dieper in te gaan op deze thematiek, aangezien mijn primaire focus ligt op de analyse van de legitimatie van geweld die ontstaat als gevolg van dit conflict.
[7] Uiteindelijk ben ik tot april 2003 in Chili geweest. Mede door de talencursus heb ik niet gedurende deze 8 maanden full time onderzoek gedaan.
[8] Traditioneel leven Mapuches in gemeenschappen bij elkaar. Een gemeenschap kan bestaan uit één of meerdere families, varierend van ongeveer 30 tot 100 personen.
[9] Gedicht van Leonel Lienlaf: Veo uitgedeeld op een culturele bijeenkomst in Temuco op 8,9 en 10 februari 2003
[10] De staat: moordenaar!
[11] hierbij ben ik me ervan bewust dat de mate van geweld die ik ervaren heb niet vergelijkbaar is met de beschrijvingen die Mahmood in haar boek Faith and Nation geeft van geweld waar militante Sikhs mee te maken hebben die daarover dan ook opmerkt dat geweld níet went
[12] Zie voor gedetailleerde informatie over mijn informanten bijlage 1
[13] Sommigen spreken wel over militantes, wat een gelijksoortige betekenis heeft.
[14] De ‘fiscalía’, Ministerio Público.