Site hosted by Angelfire.com: Build your free website today!

1. Inleiding.. 2

1.1 Conflict 3

Conflict is een sociaal fenomeen. 3

1.2 Daadwerkelijk begrip. 4

Begrijpen. 5

Mensen en identificatie. 5

Mensen en legitimatie. 6

1.3 Discours. 7

Anti foundationalism en anti essentialism.. 8

Structure en agency. 8

Hegemonie en counterdiscoursen. 9

Discours is constitutief 10

Identiteit 10

Inzichtelijk maken. 11

Legitimiteit 12

1.4 Geweld. 12

Onderzoek naar gewelddadig conflict 13

Definities van geweld. 13

Legitimatie in discours. 14

1.5 Outline scriptie. 16

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Inleiding

 

1.1 Conflict

De belofte die het einde van de Koude Oorlog leek te geven, dat het afgelopen zou zijn met de oorlogen in de wereld, is niet uitgekomen. In de periode 1989-98 waren er 108 gewapende conflicten, waarvan er in 1998 nog 36 aan de gang waren (Wallensteen & Sollenberg 1999). Deze conflicten zijn echter niet meer de grote interstatelijke conflicten zoals zij het grootste deel van de 20e eeuw er uit zagen. Nee, het merendeel (34 van de 36) bestaat juist uit kleinschalige, maar niet minder gewelddadige intrastatelijke conflicten. Conflicten roepen vragen op. Waarom vechten mensen? Waarom gaat een sociaal of politiek conflict over in een gewelddadig conflict? Hoe kan het dat in de Tweede Wereldoorlog gewone mensen meewerkten aan het ombrengen van miljoenen mensen en waarom is het zo moeilijk om vrede te creëren in het Midden Oosten? Om meer inzicht te krijgen in wat een conflict inhoudt en welke processen en factoren een rol spelen, heb ik me vijf maanden gericht op het Mapuche conflict in Chili. Een case study, waarbij de historische omstandigheden, de situationele factoren en de specifieke oorzaken anders zullen zijn dan in andere conflicten. Maar ook een case study waarbij veel van de bestudeerde processen overeen zullen komen met andere conflicten.

 

Verschillende theoretici en deskundigen in conflictanalyse hebben getracht verklaringen te geven voor het ontstaan en het verloop van conflicten. Er kan op verschillende manieren tegen conflict worden aangekeken. Allereerst zijn er de denkers die een conflict zien als “de voortzetting van politiek met andere middelen” (Clausewitz). Hieraan ligt ten grondslag dat oorlog een strategische keus is in het bereiken van een bepaald doel. De mens is de homo economicus. Het gaat om een rationale calculatie, waar bijvoorbeeld economisch voordeel beoogd wordt (bijv. Collier). Het gebruik van geweld is zo slechts een instrument om belangen te verwezenlijken. Dit geeft me echter geen begrip voor de vraag hoe het komt dat iemand daartoe bereid is. Ook verklaart deze zienswijze niet het excessieve en wrede geweld dat zich in hedendaagse conflicten voordoet. Een tweede manier om conflict te interpreteren is door te verwijzen naar de menselijke (bio)psychologie. Het bestaan van verschillende agressies, driften en autoritaire persoonlijkheden wordt als verklaring aangedragen voor conflict en geweld (bijv. Adorno). Deze visie echter geeft geen begrip voor de betrokkenheid op grote schaal van burgers in het geweld in hedendaagse conflicten. Er zijn theoretici die structurele factoren aanwijzen als de grondoorzaak voor conflict (bijv. Marx, Kaldor, Galtung). Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld armoede, etnische samenstelling, klassentegenstellingen en internationale verhoudingen. Ook vanuit international relations is conflict veel bestudeerd. Hierbij ligt de nadruk op globale en macro-niveau factoren en deze analyse beperkt zich veelal tot besluitvorming door leiders (Goodhand & Hulme 1999:17). Deze verklaringen geven echter niet weer hoe deze factoren op micro-niveau individuen ertoe leiden geweld te gaan gebruiken.

 

Conflict is een sociaal fenomeen

Conflicten zijn multi-dimensionaal en multi-causaal. Hedendaagse conflicten zijn wellicht complexer dan de traditionele interstatelijke conflicten. Om begrip te krijgen voor het geweld in hedendaagse conflicten is inzicht in de motivaties en factoren op het niveau van leiders en militairen niet voldoende. Juist het geweld door en tegen burgers is zo onbegrijpelijk[1]. Verschillende perspectieven zijn nodig om alle aspecten van een conflict inzichtelijk te maken. Alhoewel de genoemde perspectieven allen dus een bepaald nuttig inzicht geven in conflicten, geven zij mij toch niet het gewenste begrip. Goodhand & Hulme onderzochten de verschillende benaderingen die sinds de jaren 90 zijn opgekomen om conflicten te analyseren (1999). Deze benaderingen zijn meer eclectisch, fragmentarisch en hebben meer oog voor complexiteiten. Zij gaan minder uit van de voorspelbaarheid van conflicten. En zij bestrijden het sterke onderscheid tussen oorlog en vrede. In plaats van uit te gaan van de gedachte dat ‘waar oorlog is, is geen vrede en omgekeerd’, brengen zij onder de aandacht dat vredessituatie ook geweld kent, en dat in oorlog het dagelijkse leven gewoon doorgaat. Dat wil zeggen dat de belangen en behoeften die men heeft in vredestijd ook gelden in tijden  van oorlog. Gewelddadig conflict is niet zo abnormaal als soms wel verondersteld wordt. Vanuit dat perspectief heb ik mijn onderzoek gedaan. Conflict is juist ingebed in het normale leven van alledag en vloeit daar ook uit voort. “Violence is likely to be generated by society and its norms, rather than simply representing the breakdown of these norms” (Bauman in: Keen 2001:14). Om het geweld in conflicten te begrijpen is het belangrijk te realiseren dat er ook in vredestijd sprake is van geweld, terwijl conflicten niet los te zien zijn van samenwerking, allianties en de belangen en behoeftes van het leven van alledag.

 

Voor een definitie van conflict wil ik aansluiten bij Jabri die stelt dat oorlog een sociaal fenomeen is middenin het sociale leven, in plaats van een “extraordinary activity in extraordinary circumstances” (1996:21). Zij beargumenteert dat conflicten niet gezien moeten worden als een berekende en rationele stap van actoren zoals politici, elites of leiders. Noch komt conflict voort uit bepaalde menselijke instincten of driften. Ook is conflict volgens haar niet het gevolg van structurele factoren zoals armoede, kapitalisme of de internationale wereldorde. Jabri stelt daarentegen de relatie tussen het zelf en de maatschappij centraal en plaatst geweld daarbinnen (1996:3). Het gaat haar juist om de niet-strijders die gewelddadig conflict wél steunen. Ook wil zij focussen op de normalisatie van oorlog die optreedt. “War and violent conflict are social phenomena emerging through, and constitutive of, social practices which have, through time and across space, rendered war an institutional form that is largely seen as an inevitable and at times acceptable form of human conduct” (Jabri 1996:3). Om oorlog en conflict echt te begrijpen moet het dus gezien worden als een sociale praktijk, opgenomen in het leven van alledag. Deze sociale praktijk wordt via discours legitiem gemaakt en geaccepteerd. Een conflict is een strijd tussen verschillende discoursen om acceptatie binnen de maatschappij.

 

1.2 Daadwerkelijk begrip

In deze paragraaf zal ik ingaan op enkele ontologische kwesties. Deze noties zijn namelijk essentieel voor een goed begrip van onderzoek doen, theorie-vorming en het begrip van sociale fenomenen. Ik vind het belangrijk om het onderliggende perspectief op mijn onderzoeksvraag inzichtelijk te maken. “[O]ntological concerns are of central importance in developing understandings of soical phenomena, including violence as a mode of human interaction. Empirical research is not devoid of ontologies but is founded upon an implicit set of ontological assumptions which largely remain unstated and beyond reflective consideration” (Jabri 1996:176). Deze impliciete set van ontologische aannames zal ik expliciet maken.

 

In mijn onderzoek zoek ik naar begrip voor het gebruik van geweld in conflicten. Met deze vraag doel ik op een hele basale notie van “waarom”. Stel: Een land is in armoede. Er zijn verschillende etnische groepen. De politiek is corrupt. In de buurlanden heerst onrust en burgeroorlog. Er is een slechte oogst geweest. Alle aangewezen factoren om het land een conflict in te sleuren zijn aanwezig. En toch, waarom heeft iemand op een gegeven moment een wapen in zijn handen en schiet deze persoon zijn buurman dood? Is dát daarmee verklaard? Om in de achtergrond en conceptualisering van deze vraag meer inzicht te krijgen zal ik hier dieper ingaan op wat ik versta onder daadwerkelijk begrip.

 

Begrip kan groeien door empirie, letterlijk ervaring (van de Port 1994:319). Mijn ervaringen in Chili hebben me een ongelofelijke hoeveelheid begrip opgeleverd. Een vorm van begrip die niet zo vaak ontstond na het lezen van een academische discussie over de oorzaken van conflict.

Naar aanleiding van een academisch seminar over interculturele conflicten schreef ik in mijn dagboek: “Ik wil dat mijn scriptie absoluut niet is alleen maar woorden, woorden, woorden. Ik ga haast abstracte experimentele kunst snappen. Dóórdringen tot de mens. Dóórdringen tot het hart. Geen woorden, woorden, woorden. Er is genoeg gezegd en geschreven met betrekking tot het conflict... nu begrijp ik fysiek geweld”[2].

Ik wil in mijn verhaal begrip creëren voor conflictsituaties. Ik wil dit begrip niet creëren door logisch uit a + b tot c te kunnen concluderen. Niet omdat ik niet van logica houd, of omdat dat niet een goede manier zou zijn om mensen te overtuigen van mijn ‘gelijk’. Maar omdat de werkelijkheid zo niet in elkaar zit en omdat begrip niet groeit uit een logische rekensom. Ook Barrett wijst erop dat inzicht niet altijd in modellen past: “Therefore, I would regard as superior those ethnographies that are rich in bursts of insights but lacking models rather than ethnographies that provide elegant models based on drab, superficial data” (1997:221). Begrip wil niet zeggen dat iets zo klaar als een klontje is uitgelegd en keurig geordend voor je in schema´s is op te bergen. Nee, werkelijk begrip laat je voelen en ervaren waar het om gaat. Deze ervaring kan bijvoorbeeld literatuur in haar “vivid representations of total reality”[3] geven. Ook bijvoorbeeld Nordstrom & Robben (1995) pleiten voor een stijl die juist begrip geeft voor de chaos van de realiteit.

 

Ik sluit mij in dezen aan bij Mario Vargas Llosa die stelt dat je van literatuur misschien geen beter of slechter mens wordt. Maar literatuur zet aan tot nadenken en is daarom al van oudsher door machthebbers en dictators bij tijd en wijlen verboden. Literatuur kan mensen een kritische houding geven. “Literature is there to remind us permanently to be ashamed of ourselves”[4]. Deze literaire functie hoeft niet beperkt te blijven tot romans en poëzie.

“De erkenning dat etnografieën ficties zijn – niet in de zin van ´verzonnen´ maar in de zin van ´gemaakt´- zou de antropoloog in ieder geval kunnen bevrijden van de dwingende academische conventies die schematisch-realisme voorschrijven, een stijl waarin precisie, systematiek, overzichtelijkheid, orde en netheid de boventoon voeren” (van de Port 1994: 47). “[V]eruit de meeste energie in de geschriften, de onderzoeksaanvragen en de publieke podia [gaat] naar de wederopbouw van het academische verhaal. Of beter gezegd naar de poging het veldwerk, een in essentie niet-academische vorm van kennisvergaring, academische respectabiliteit te verlenen” (ibid, 1994:321).

 

Begrijpen

Veel verklaringen van conflicten, analyses van onderliggende factoren, mobiliserende factoren en triggers, brachten mij toch nog niet tot een gevoel van begrip van een conflict. Zittend achter mijn bureau, lezend de armoedecijfers en percentages, de theorieën over etnische identiteit en concepten als “asymmetrisch conflict”, riepen bij mij niet dat gevoel op dat je hebt als je denkt dat je iets begijpt. – Het snappen waarvan je weet dat je “d´r bent” als je eigenlijk geen vragen meer te stellen hebt, maar verstilt in een berusting, en niemand hoeft het je meer uit te leggen. Ook al kun je het niet precies navertellen. En zijn misschien niet eens al je specifieke vragen exact beantwoord. – Ton Robben beschrijft deze dimensie van begrip na een moment waarop een informant, een voormalige guerrillero, zijn emoties toonde.

“At these moments of a complete collapse of the critical distance between two interlocutors, we lose all dimensions of the scientific enterprise. Overwhelmed by emotion we do not have the need for any explanation because we feel that all questions have already been answered. What else is there to ask? What else is there to tell? What more do we need to know? What more is there to know? (Robben 1995:94)

 

Mensen en identificatie

Cynthia Mahmood heeft onderzoek gedaan onder militante Sikhs die strijden voor een vrij Khalistan. Zij wijst erop dat ook de meest gevreesde terroristen mensen zijn die je ook als mens kunt begrijpen. “Lives perturbed by violence […] are full of contradictions and ambiguities. Laughter and ‘rising spirits’ do sometimes coexist with suffering; hijackers do cry; bomb builders can be not beyond but within our range of understanding” (1996:274). Daarom heb ik me in mijn onderzoek met vragen bezig gehouden als “Wat betekent conflict voor de jongen in de straat met wie ik mij kan identificeren? En hoe kan ik met dat inzicht het conflict en het geweld begrijpen?” Vragen die telkens voortkwamen uit een fundamenteel onbegrip. Ik wil antwoord geven op dit onbegrip zonder mensen weg te categoriseren in hokjes onder de noemer “fundamentalist”, “kapitalist” of “autoritaire persoonlijkheid”. Een belangrijk aspect van dit daadwerkelijke begrip is derhalve de identificatie met de mensen in het conflict. Mahmood spreekt over de “confrontation of man with man” (1996:2). Zij wil hiermee het belang onderstrepen met mensen te praten en inzicht te krijgen in hún wereld, die zo anders is dan de wereld van anderen. Hierbij wil ik niet voorbijgaan aan de belangrijke vraag of het überhaupt wel mogelijk is een ander te kennen (Fay 1998). Het is echter mijn overtuiging dat geen enkel conflict daadwerkelijk opgelost kan worden en kan worden omgevormd tot een positieve vrede als men zich niet met de ander als mens kan identificeren, als men de ander slechts kan bekijken als “moslim”, “anti-globalist” of “Amerikaan”.

 

Een belangrijk aspect van deze vorm van begrijpen is het contact van mens tot mens dat ten alle tijde bewaard moet blijven om begrip te bewerkstelligen. Zoals Mahmood zegt over de militante Sikhs: “The militants are more like us than most people think” (1996:21).

“If only militant Sikhs were monsters, psychopaths, criminals, or ‘evil men’[…], it would be easy. But they’re not, and my hope is that bringing out the world of Sikh militancy in human terms here will make clear the real problem in the world of conflict resolution: that both sides are populated by human beings, in most cases behaving as decently as they know how in immensely difficult circumstances” (Mahmood 1996:7).

Op het moment dat je vergeet dat een “terroristenorganisatie” bestaat uit mensen; vaders, zonen, echtgenotes, vrienden, luie mensen, slimme mensen, muzikale mensen, werkende mensen, mensen die naar de wc gaan, kleren kopen, de afwas doen, mensen die keuzes maken in hun leven, mensen die ondanks wellicht vele verschillen met jou en mij gewoon mensen zijn, dan verlies je het contact met het begrip waar het mij om gaat. Op het moment dat een organisatie gereificeerd wordt tot een concept, waarbij uit het oog verloren wordt dat het bestaat uit mensen, dan raak je het contact met de werkelijke werkelijkheid kwijt. Het is juist de kunst te ontdekken hoe de relatie is tussen deze mensen en een dergelijke organisatie. Hoe de relatie is tussen de mensen en de instituties, normen en waarden, regels, logica, continuiteiten en vaste praktijken die lijken te ontstaan, bestaan en voortbestaan, zonder deze individuen. Een massa is absoluut méér dan een verzameling individuen. Maar dat neemt niet weg dat het wél bestaat uit individuen. Die complexiteit wil ik in mijn onderzoek naar voren halen, omdat alleen in de erkenning van de complexiteit van de werkelijkheid, zonder het contact met de werkelijkheid te verliezen, daadwerkelijk begrip kan ontstaan.

 

Mensen en legitimatie

Tijdens mijn onderzoek heb ik de volgende uitspraak van Roald Dahl in mijn achterhoofd gehad:

“De wereld telt vandaag de dag talloze mensen die allen in een oorlog willens en wetens hebben gemoord. Geen van hen voelt zich daarover ook maar enigszins bezwaard en toch zou elk van hen met alle genoegen en zonder te aarzelen een landgenoot aan de schandpaal nagelen die erop werd betrapt dat hij zat vals te spelen onder het kaarten” (Dahl, 2000:7).

Hoe kan dit? Mijn antwoord hierop is dat mensen hun gedrag niet meer zien als slecht. Of zoals Apter het formuleert: “They have to talk themselves into it” (1997:2). Mensen hebben een legitimatie nodig. In de volgende paragraaf ga ik hier mede aan de hand van het begrip discours dieper op in. Vragen naar goed en slecht krijgen verschillende dimensies en extra relevantie in een conflictsituatie waarin een cruciale bezigheid van de verschillende partijen draait om het aantonen van de eigen goedheid, en de slechtheid van de ander. Mijn onderzoek gaat daarom op het meest basale niveau over de constructie van goed en slecht.

 

De ‘riddle’ van oorlog ligt in het geweld dat er gebruikt wordt. Waarom gaan mensen ertoe over hun belangen na te streven door middel van geweld? Sterker nog, voor een goed begrip van conflict gaat het erom een verklaring te vinden voor de vraag waarom groepen mensen zo reageren. Want het gaat niet om de vraag waarom één individu zoiets doet. Nee, het onbegrijpelijke ligt juist in het collectieve. Het onbegrijpelijke ligt juist in de notie die gecreëerd wordt dat het abnormale normaal is geworden. De Tweede Wereldoorlog plaatste de mensheid voor een raadsel. Hoe kon dít gebeuren? Iedereen kent de verschrikkingen. En de grootste schok: we konden het niet meer afschuiven op een handjevol “gekken, devianten, slechteriken”. De verschrikkelijke conclusie die men na de Tweede Wereldoorlog heeft moeten trekken is dat het normale mensen zijn die tot verschrikkelijk geweld in staat zijn (Arendt). Zoals Koestler (1967) zo treffend verwoordde:

“It is not the murderers, the criminals, the delinquents and the wildly nonconformists who have embarked on the really significant rampages of killing, torture and mayhem. Rather it is the conformist, the virtuous citizens, acting in the name of righteous causes and intensely held beliefs who throughout history have perpetrated the fiery holocausts of war, the religious persecutions, the sacks of cities, the wholesale rape of women, the dismemberment of the old and the young and the other unspeakable horrors…”.

Daarom ben ik op zoek gegaan naar een perspectief op conflict dat juist dit aspect inzichtelijk kan maken. Een manier van kijken die inzicht geeft in het proces waarin het abnormale normaal wordt, een proces waarin groepen zich vormen en collectief bepaalde ideeën en gedragingen vormen. Om daadwerkelijk te kunnen begrijpen, wil ik ontrafelen hoe de meest erge repressie (binnen het eigen interpretatiekader) de meest logische reactie kan zijn. Dit respect voor de interne logica[5] sluit aan bij mijn overtuiging dat het in onderzoek belangrijk is om onderzochten niet als onderzoeksobject zien, maar hun visies in hun waarde te laten.

 

1.3 Discours

Elk conflict is uniek en heeft zijn eigen omstandigheden, oorzaken, belangen en invloeden, toch is er in elk conflict ook één factor die altijd meespeelt. Mensen vertellen zichzelf en anderen verhalen over het conflict om de situatie inzichtelijk en begrijpelijk te maken en te houden. Deze verhalen ontstaan en veranderen in de loop van het conflict. Deze verhalen zijn ook een bron van het conflict. Zonder de verschillende interpretaties van de werkelijkheid zouden er niet verschillende kanten bestaan. Elke groep, elke conflictpartij, elke belangenkant vertelt zijn eigen versie van de situatie, de factoren, de oorzaken, de doelen, de knelpunten, waar het nu eigenlijk om gaat. Deze verhalen maken het conflict complex, maar verschaffen juist ook een dieper inzicht in de problematiek die een conflict in zich draagt: verschillende legitimaties van handelen, geweld, het conflict, de eigen strategieën, de eigen idealen en rechtvaardigheid (van der Borgh & Demmers 2001). Een conflict waarin geweld wordt gebruikt is eveneens een conflict tussen verschillende noties van legitimiteit.

 

Een bekende uitspraak over conflict is: “In een conflict is de waarheid het eerste slachtoffer”. Hier wil ik echter nog een stapje verder gaan en waarheid an sich ter discussie stellen. In een samenleving bestaan verschillende discoursen (Foucault 1981 a en b)[6]. Discoursanalyse richt zich op de wijze warop in samenlevingen waarheden geconstrueerd worden. Het is een interdisciplinaire stroming die op het einde van de jaren ’60 en in het begin van de jaren ’70 is ontstaan als een kruisbestuiving tussen verschillende wetenschappen zoals linguistiek, filosofie, literatuurstudie, antropologie, semiotiek, sociologie, psychologie en communicatiewetenschap. Hierdoor is er een veelheid aan benaderingen en invalshoeken ontstaan (Van Dijk 1988 in: Carpentier en Spee 2001).

 

Een discours geeft een samenleving haar ordeningen en classificaties. Een discours bepaalt de grenzen van de discussie en de mogelijke concepten. Discours verwijst niet slechts naar woorden of spraak, maar omvat actie, praktijk en impliciete aannames. Niet alleen woorden, maar ook de taal van het niet-gesproken woord. Discoursen verwijzen naar min of meer samenhangende ensembles van ideeën, concepten en categoriseringen die we in een bepaalde maatschappij ten aanzien van een bepaald onderwerp kunnen terugvinden (oratie Hajer). Van de Port spreekt over “verhaalde werkelijkheid”. Stuart Hall noemt dit een “waarheidsregime”. Jabri formuleert het als volgt:

“Discourses are social relations represented in texts where the language contained within these texts is used to construct meaning and representation. (…) The underlying assumption of discourse analysis is that social texts do not merely reflect or mirror objects events and categories pre-existing in the social and natural world. Rather, they actively construct a version of those things. They do not describe things, they do things. And being active they have social and political implications” (Jabri 1996, 94-95).

De verschillende aspecten die deze omschrijving bevat zullen hieronder naar voren gehaald worden.

 

Er zijn twee processen die een onderzoek naar de verbeelde werkelijkheden relevant maken: ten eerste is dat de behoefte die er in een conflictsituatie bestaat aan sluitende verhalen[7], en ten tweede de collectivisering en het ‘reduceren’ van identiteiten ten tijde van een conflictsituatie[8]. Het optekenen van deze verhalen, deze “narrative reconstructions of reality” en het onderzoeken van de inhoud en vorming ervan kan inzicht verschaffen in de wijze waarop een conflict wordt gelegitimeerd en gecontinueerd (Van der Borgh & Demmers 2001: 43). Conflict is een botsing tussen verschillende discoursen. Het is deze visie op conflict die ik heb gekozen om (mensen en gedrag in) een conflict daadwerkelijk te begrijpen.

 

Anti foundationalism en anti essentialism

Discours theorie is gebaseerd op twee aannames: anti-foundationalism en anti-essentialisme (Sayyid & Zac 1998). Voor een goed begrip van discours theorie zijn dit belangrijke beginselen, en daarom zal ik er kort op ingaan. Het grondbeginsel van anti-foundationalism is dat de waarheid niet ontdekt kan worden, maar geconstrueerd wordt. Het trekt de mogelijkheid in twijfel dat er zoiets bestaat als het vormen van kennis op basis van permanente categorieën of essenties (ibid., 1998:250). Het gaat er dus bij het ontrafelen van sociaal-politieke fenomenen niet om erachter te komen wat deze essenties of permanente categorieën zijn, maar juist op welke manier in discours een gemeenschappelijke consensus wordt bereikt over de betekenis van deze geconstrueerde categorieën en essenties. Gerelateerd aan dit concept is anti-essentialisme. Al eerder gaf ik aan dat voor mij concepten als armoede, klasse en globalisering geen afdoende verklaring leveren voor het ontstaan van geweld en een conflict. Anti-essentialisme stelt dat deze concepten geen betekenis hebben voorafgaand aan of buiten het politieke en sociale proces waarin ze een rol spelen (ibid., 1998:251). Bij de analyse van deze processsen moet daarom gewerkt worden met concepten die in dit proces zelf hun vorm en betekenis krijgen. De verklarende werking die de factor armoede heeft in de context van een conflict kan slechts worden begrepen door de betekenis van armoede te ontlenen aan het proces waarin dit armoede-concept ontstaat en haar rol speelt. Discours theorie gaat door deze twee beginselen die de nadruk leggen op de contextafhankelijkheid van concepten precies naar de bron van mijn onbegrip: de onvermijdelijke constructie van goed en slecht door de verschillende actoren aan de hand van structuren, gebeurtenissen, omstandigheden en ‘feiten’.

 

Structure en agency

Jabri wijst nadrukkelijk de opvatting af dat gewelddadig conflict voortvloeit uit een agressieve mens of puur instrumenteel gebruik. Ook staat ze afwijzend tegenover het perspectief dat een bepaalde structuur een gewelddadig conflict zou voortbrengen. Zij brengt naar voren dat juist in de wisselwerking tussen “agency” en “structure” gewelddadig conflict mogelijk gemaakt en gelegitimeerd kan worden (Jabri 1996:4)[9]. Mensen worden beinvloed door de wereld om hen heen, maar hebben wel de mogelijkheid om op verschillende manieren te reageren. Jabri focust op deze  gelijkwaardige wisselwerking tussen actieve menselijke beslissingen en de context waarin ze deze beslissingen nemen. In deze wisselwerking worden discoursen gevormd. Zo maken discoursen inzichtelijk wat structuren als armoede, etniciteit en globalisering voor het individu in het leven van alledag precies betekenen dat zij een factor kunnen vormen in een conflict.

 

Aan de ene kant is een individu vrij om een discours te construeren en te beinvloeden. Apter stelt dat “agency” gedefinieerd kan worden als deze macht om het verleden door te vertellen in het heden en er zo een bepaalde logica aan te geven (1997:12). Aan de andere kant is het individu in deze vorming afhankelijk van de woorden en sociale teksten die de maatschappij hem hiertoe biedt (Jabri, 1996:129). Discoursen vinden hun neerslag in “institutional and discursive continuities” zoals gevangenissen, scholen, of een concentratiekamp. Zo worden discoursen geinstitutionaliseerd. Deze discursieve en institutionele continuiteiten zijn ingebed in een samenleving en vormen een structuur waarbinnen individuen zich begeven (ibid.,1996:135). Zo wordt een discours gecontinueerd. Door de wisselwerking met de handelingen van mensen zijn discoursen echter geen onveranderlijke entiteiten. Discoursen zijn dynamisch en kunnen reageren op gebeurtenissen en op andere discoursen.

 

Een discours is een samenhangend systeem. Dit houdt in dat er enerzijds grenzen geconstrueerd worden om betekenis te kunnen geven aan zaken. Anderzijds worden een logica of bepaalde regels geformuleerd om de structuur te kunnen vormen. Een discours is in principe intern consistent. Kijkend naar deze regels en de betekenis van de helden, grappen, mythes en metaforen kunnen we meer inzicht krijgen in de processen die zich afspelen in het conflict.

 

Discours is in essentie iets wat wordt gedeeld. Discoursen zijn collectieve waarheden (Drakulic 1993). Discours wordt gedragen en gevormd binnen zogenaamde discourse communities die op hun beurt ook weer binnen het discours geconstrueerd worden. Dit hangt nauw samen met de constructie van identiteit (zie hieronder). In het proces van de vorming van verhalen over de werkelijkheid wordt “het lot van het individu gecollectiviseerd en aan de groep verbonden” (vd Borgh & Demmers, 2001:43). Discours wordt gedeeld door de mensen die zich met een bepaald discours identificeren. Dit gebeurt door onder andere kranten, media, rituelen, bijeenkomsten en muziek. Gebeurtenissen worden keer op keer verhaald. Op die manier kunnen gebeurtenissen door de collectieve herinnering meer betekenis krijgen dan de feiten an sich hadden. Dergelijke betekenis-accumulatie verkrijgt in conflicten extra relevantie.

 

Hegemonie en counterdiscoursen

Sayyid & Zac definieren discours als een “never-entirely-closed organization of meaning and identities” (1998:260). De grenzen van een discours worden geconstitueerd in het discours zelf. Er is altijd een gat. Dit gat is precies het domein van politieke en sociale processen. Dit gat is het domein waar gediscussieerd wordt, waar zaken aan de kaak gesteld worden. Hier proberen andere visies ingang te krijgen en te verbreiden. Deze andere visies worden counterdiscourses genoemd. Het dominante discours probeert echter het gat te dichten en sluitend te krijgen. Dit is dus ook de plek waar conflict zich afspeelt. Daarom moet niet alleen gekeken worden naar de constructie van discours, de grenzen en de eenheid daarvan, ook is belangrijk te onderzoeken hoe en waarom een bepaald discours blijvend wordt. Het discours dat in een samenleving de boventoon voert, wordt het hegemonische discours genoemd. Andere discoursen met andere denkbeelden, concepten en grenzen proberen tussen de mazen door te dringen (het ‘gat’).

 

Discours is via dit concept hegemonie nauw verbonden met macht. Taalstrijd is machtstrijd (oratie Hajer). Enerzijds omdat degenen die macht hebben in staat zijn discoursen te ‘produceren’ (zij hebben de definitiemacht). Anderzijds omdat de kennis (‘waarheid’) die door een discours wordt geproduceerd ook macht genereert. Discours is zo een bron van macht die je ten positieve en ten negatieve kunt aanwenden (Foucault). Dit aspect verkrijgt extra relevantie in een gewelddadig conflict waar macht eveneens een cruciale rol speelt. Er zijn verschillende manieren waaraan je kunt zien of een hegemonisch project succesvol is. Het is gelukt om de voorgestelde logica en regels tot ‘natuurlijke’ regels te maken en de voorgestelde grenzen om de gemeenschap te definiëren zijn geaccepteerd als ‘natuurlijke’ grenzen. Factionele belangen worden gerepresenteerd als universele belangen en onderliggende tegenstellingen worden ontkend. Ook is het gelukt om de andere discoursen die alternatieve visies boden te doen vergeten. Het veranderlijke en historisch bepaalde karakter van de maatschappij wordt ontkend (Jabri, 1996:96, Sayyid & Zac, 1998:262). Een conflict is de strijd om de hegemonie. In een conflict tracht men zijn eigen kijk op de werkelijkheid hegemonisch te maken. Het doel van een discours in een conflict is de hegemonie verwerven en op die manier het conflict te “winnen”. De strijd wordt niet alleen met wapens gevochten. Sterker, de belangrijkste strijd is de strijd om de waarheid. En deze strijd heeft alles te maken met discours.

 

Het feit dat mensen het met elkaar oneens kunnen zijn, wil overigens nog niet meteen zeggen dat ze verschillende discoursen hanteren. Ook binnen één discours kunnen verschillende argumenten diametraal tegenover elkaar staan. Het kenmerk voor het bestaan van verschillende discoursen is dat mensen verschillende concepten en een andere logica gebruiken gebaseerd op andere aannames.

 

Discours is constitutief

Belangrijk om te realiseren is dat een verhaalde werkelijkheid of discours niet simpelweg een bepaalde mening of visie inhoudt. De onderliggende aanname van discours analyse is dat deze sociale interpretatiekaders niet alleen dingen beschrijven, maar ook iets bewerkstelligen (Jabri, 1996:95). Een discours geeft rechten, plichten en verantwoordelijkheden. Een discours wijst schuldigen aan. Een discours wijst helden en voorbeelden aan. In discours kan bijvoorbeeld angst geconstrueerd worden. Een discours is meer dan een visie op politieke, economische of sociale ordening. Zoals Apter het uitdrukt: “what makes these important is not their status as doctrines but as discourses – fictive and logical reconstructions of reality” (1997:6). Hieruit spreekt dat in de wisselwerking tussen discours en de sociale realiteit in de constructie en reconstructie ‘of everyday life’ discours een factor vormt in het conflict. De rol van deze factor staat centraal in deze scriptie. Gedurende een bepaalde periode kunnen bepaalde noties veranderen. Zo is de afgelopen decennia onze idee omtrent verkrachting sterk veranderd (Blok 2001). Andere perspectieven hebben hun ingang gevonden in het hegemonische discours. Hieruit blijkt dat de betekenis die men aan geweld geeft duidelijke gevolgen heeft in een samenleving. Discours vormt de manier waarop mensen gewoon zijn tegen de werkelijkheid aan te kijken en hun ervaringen te interpreteren en dit heeft weer het effect dat “the reality of the mythologization is real in its consequences” (W.I. Thomas in: Kapferer 1997:165). Op deze manier zijn discoursen ook constitutief: ze construeren de realiteit en hebben daadwerkelijk effect op de dynamiek van de werelden waarin ze leven (ibid.,1997:165). Een traditioneel voorbeeld is de Inuit die tien verschillende woorden voor sneeuw tot zijn beschikking heeft. In het kennen van deze tien woorden, breidt hij niet alleen zijn woordenschat uit. Ook is hij in staat verschillen waar te nemen, die een ander zich misschien niet zou realiseren. Evenzo blijkt uit de beschrijvingen van de discoursen die een rol spelen in het Mapuche conflict dat het hanteren van bepaalde concepten, zoals de elkaar uitsluitende termen ‘Mapuche’ en ‘huinca’, een verschil in de sociale werkelijkheid blootleggen of zelfs creëren. Dit constitutieve aspect van discours heeft extra relevantie in een conflictsituatie.

 

Identiteit

Discours is nauw verbonden met het concept identiteit. Identiteit in discours theorie is gebaseerd op de aanname dat alle identiteiten negatief zijn en relationeel (Sayyid en Zac, 1998:252). Mensen en dingen ontlenen hun identiteit aan dat wat ze níet zijn en aan hun relatie tot andere mensen en dingen. Een inzichtelijk voorbeeld is het schaakspel waarbij het schaakstuk “paard” mist. Men kan hiervoor in de plaats een willekeurig steentje neerleggen, en het zal iedereen duidelijk zijn dat het in de context van het schaakspel de identiteit aanneemt van het paard in relatie tot de andere schaakstukken. Gelijktijdig krijgt het daarmee toegeschreven de beginplaats op het schaakbord en dat het zich zal voortbewegen met de paardensprong. De constructie van identiteiten leidt vaak tot het vormen van binaire opposities (Derrida). Er is echter een verschil tussen het maken van onderscheid en het formuleren van opposities (Verkuyten 2001:123). Ook Robben en Nordstrom wijzen op dit gevaar te vervallen in simplistische dichotomieën zoals slachtoffer versus aggressor, actief versus passief en machtig versus machteloos. Zij benadrukken juist de constructie, de onderhandeling en de chaos (1995:8).

 

De identiteit van een mens of ding (subject) in een discours wordt altijd bepaald door slechts één of meerdere aspect van het subject. Het subject is daarom altijd meer dan haar identiteit (Sayyid & Zac, 1998:263). Zo speelt een mens binnen verschillende contexten verschillende rollen, zoals werknemer – werkgever, moeder – dochter, of een politicus in verkiezingstijd. Belangrijk om op te merken is dat de verschillende identiteiten in een dergelijke constructie ook in een bepaalde relatie tot elkaar staan, en vaak in een hierarchische verhouding. Er kan verschil zijn in de macht die men heeft binnen een bepaalde context om zijn eigen identiteit en de daaraan verbonden consequenties te bepalen. De mens doet wel actief mee in het proces van de constructie van identiteit. Dit betekent echter niet dat zij hierin volledig vrij is. Ze wordt geleid door de aanwezige normen, symbolen en machtsstructuren. Identiteiten ontstaan doordat subjecten zich identificeren en geidentificeerd worden binnen een discours (Jabri, 1996:131). In een discours hangt de wijze waarop de logica, de regels en de grenzen worden geconstitueerd nauw samen met identiteiten. Het onderzoeken van de constructie van deze identiteiten is dus een essentieel onderdeel van discoursanalyse (Sayyid & Zac, 1998:264).

 

In een conflictsituatie treedt er een verandering op in de wijze waarop een discours in de samenleving staat. Een belangrijke vraag in de constructie van conflictpartijen is waarom een bepaalde deelidentiteit zo belangrijk wordt. Hoe lopen de grenzen, en waarom daar? In verschillende conflicten vormen etniciteit en nationalisme de basis voor de scheidslijnen tussen conflictpartijen, tussen Wij en Zij. Waarom wordt dat aspect zo belangrijk? Gedurende het conflict worden de scheidslijnen tussen de partijen vaster omlijnd en is het steeds moeilijker je te onttrekken aan het behoren tot de ene of de andere partij. Veelal is er sprake van polarisatie van de twee (of meer) conflictpartijen. Dan geldt de leuze: “wie niet voor ons is, is tegen ons”. Pacifistische boeddhisten in Vietnam hebben dit aan den lijve ondervonden toen ze in het conflict een neutrale positie wilden innemen. Zowel de Amerikanen als de Vietnamezen beschouwden hen als vijanden of spionnen.

 

De grenzen die een discours trekt worden duidelijker en op een overtreding van de grenzen staat een duidelijker (sociale of fysieke) sanctie. De categorieën die een discours in zich draagt en de ordening van de samenleving die aan een discours ten grondslag ligt, worden crucialer en minder flexibel. Naarmate het conflict meer inbreuk maakt op het dagelijks leven, toont het discours zich meer en meer inflexibel en dwingender. Totdat men uiteindelijk het gevoel heeft dat zijn individualiteit is ontnomen. De mogelijkheden voor het individu om het hegemonische discours aan te vullen, flexibel te hanteren of zich eraan te onttrekken, nemen af. Slavenka Drakulic beschrijft dit proces nauwgezet in haar essays over de oorlog in voormalig Joegoslavië.

“Dus zoals de zaken nu staan mag niemand in de staat Kroatië zich geen Kroaat voelen. En zelfs al voelt men zich eigenlijk beknot in zijn vrijheid, dan zou het misschien moreel onjuist zijn dit hemd van de noodlijdende staat uit te rukken, met al die duizenden mensen doodgeschoten, afgeslacht en verbrand worden, enkel en alleen vanwege hun nationaliteit. [...] Ik voel me als een wees omdat de oorlog mij heeft beroofd van het enige bezit dat ik in mijn leven had vergaard, mijn bestaan als individu” (Drakulic 1993: 100-101).

Het discours polariseert en scherpt aan, er gaat druk van uit, en het verliest de flexibiliteit en de dynamiek, die zo kenmerkend is voor discoursen in vredestijd. Dit ‘sluiten’ van een discours in een conflictsituatie is van cruciaal belang voor het verloop van een conflict.

 

Inzichtelijk maken

Van de Port benadrukt dat in tijden van conflict discoursen de zo noodzakelijke functie kunnen krijgen van het overzichtelijk houden van een wereld die in elkaar aan het storten is. Van de Port spreekt van de “afhankelijkheid van de mens aan zin- en betekenisgevende verhalen”. “Dat wonderlijke vermogen van de mens tot het maken van verhalen, die hij vervolgens weigert zo te zien” (vd Port 1994:303). Mensen leven in verhalen. Verhalen geven betekenis aan de werkelijkheid. Verhalen geven betekenis aan handelingen, structuren en gedachten. Er is een “sociale en psychische noodzaak om de wereld in betekenisgevende ‘verhalen’ onder te brengen” (ibid.,1994:52). Echter, in oorlogstijd is de werkelijkheid “eigenmachtig en (...) onwillig om zich te voegen naar de ‘verhalen’ die mensen, individueel dan wel collectief, hebben gemaakt” (ibid.,1994:52). Hij spreekt over “mensen die uit hun verhaal gejaagd worden”. Hij beschrijft hoe in het voormalig Joegoslavië langzaam gedurende de oorlog een andere verhaalde werkelijkheid steeds vaker en doordringender naar voren komt, omdat de oude verhaalde werkelijkheid niet meer geschikt is om de omstandigheden en gebeurtenissen te begrijpen en te interpreteren. En in deze confrontatie met de werkelijkheid van de “Dinge an sich” grijpt men terug op een ander verhaal, dat nog voorhanden was onder andere in de zigeunercafé´s. Om begrip te creëren voor de redeloosheid van de gebeurtenissen in de oorlog in Joegoslavie gaat van de Port in op dit spanningsveld tussen de “verhaalde werkelijkheid” en de “werkelijkheid an sich” (ibid.,1994:55).

 

Op indringende wijze beschrijft van de Port zo een manier waarop de analyse van discours en de dynamiek van discours begrip creëert voor een conflict. Het inzicht in de wijze waarop discoursen (of verhaalde werkelijkheden) een rol speelden en een functie vervulden in het conflict en voor de mensen in het conflict draagt bij aan daadwerkelijk begrip voor de vraag “hoe is dit mogelijk”? Van de Port focust hierbij op het aspect dat discoursen nooit (ook niet in vredestijd) “sluitend” zijn, nooit helemaal gaaf, af, rond. Er is een afstand tussen discours en de werkelijkheid an sich. Uiteindelijk blijkt het altijd een verhaal. En een verhaal kan gedurende de tijd minder bruikbaar blijken. Categorieën kunnen onbruikbaar blijken, concepten afgesleten en identiteiten niet meer aantrekkelijk. In een situatie van conflict, waarbij onder andere door het gebruik van geweld de wereld op zijn kop kan lijken te staan, gebeurtenissen in een stroomversnelling, en niets meer is wat het lijkt, komt dit aspect van discours des te sterker naar voren. Ook Mary Douglas stelde dat interpretatieve kaders erop gericht zijn de absurditeit, en in het kielzog daarvan, de ultieme vervreemding op afstand te houden (in: van de Port 1994).

 

Legitimiteit

Wat is nu de relatie tussen geweld en discours? De sleutel hiertoe is legitimiteit[10]. Vanzelfsprekend beschouwt de dader van politiek geweld zijn acties als legitiem. Net zo vanzelfsprekend wordt deze activist door het gevestigde deel van de samenleving (inclusief over het algemeen de overheid) gezien als een terrorist zonder legitieme motieven. De Palestijnen veroordelen de repressieve bezettingsacties van de Israeli´s. De Israeli´s veroordelen de zelfmoordaanslagen van de Palestijnen. Hun eigen handelingen achten zij legitiem. Een conflict waarin geweld wordt gebruikt is eveneens een conflict tussen verschillende noties van legitimiteit. In discours wordt via de interpretatie en constructie van geschiedenis, omstandigheden, identiteit en gebeurtenissen deze legitimiteit gecreëerd. “It is then that words can kill” (Apter 1997:14). Het verlenen van legitimiteit is cruciaal in situaties van conflict uitgaande van de stelling dat “people have to talk themselves into it” (Apter 1997:2). Discoursanalyse maakt begrijpelijk hoe bepaalde acties, gebeurtenissen en handelingen voor mensen mogelijk gemaakt worden. Op dit aspect van discours kom ik de paragraaf over geweld nog uitgebreid terug.

 

In deze paragraaf heb ik getracht inzicht te geven in de rol van discours in een conflictsituatie. Je kunt discoursen onderscheiden in elke samenleving en op elk moment. Het blijkt dat verschillende aspecten van discours in conflictsituaties sterker naar voren komen, extra relevantie krijgen en dat ze een cruciale rol gaan spelen, zoals de dwingende kracht van discours, het ‘sluiten van identiteiten’, de noodzaak van verhalen, het belang van legitimatie, en de strijd om de hegemonie. In deze paragraaf ben ik op enkele van deze aspecten ingegaan en heb ik aangegeven hoe deze in de dynamiek van conflicten een belangrijke rol kunnen spelen. Er is echter nog niet zoveel bekend over deze processen in conflictsituaties. Dit maakt een onderzoek hiernaar belangrijk. Met mijn onderzoek naar het Mapuche conflict wil ik inzicht geven in onder andere de wijze waarop een discours geconstrueerd wordt en de hegemonie tracht te verwerven. Ook wil ik ingaan op de verschillende waarheden die het conflict construeren en op welke manier die naast elkaar kunnen bestaan en botsen.

 

1.4 Geweld

Er is één aspect van conflict waar ik nog niet expliciet bij stil heb gestaan. En dat is geweld. Conflict is een breed begrip en conflict is een aspect van het dagelijks leven overal. Conflicten zijn niet per definitie negatief of gewelddadig (Miall 2001, Coser in: Schreurs 1994:87). Niet zozeer de onenigheid tussen verschillende groepen heeft een verklaring nodig. Nee, waarom mondt deze onenigheid uit in geweld? Om te begrijpen waarom mensen hun toevlucht zoeken tot geweld is het essentieel om meer inzicht te krijgen in het wezen van geweld, de conceptualisering van geweld en de betekenis van geweld in een samenleving. Als je het met mensen hebt over een conflict, dan heb je het onvermijdelijk over geweld. Conflict en geweld zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Om deze stelling nog iets nader toe te lichten, wil ik Hannah Arendt aanhalen die in haar boek On Violence haarfijn uitlegt hoe bijvoorbeeld het hele rechtssysteem gebaseerd is op de notie van het gebruik van geweld. Alleen vanuit dat begrip kun je het rechtssysteem begrijpen: een door mensen geconstrueerd systeem dat erop gericht is om conflicten zonder geweld op te lossen. Dit wil zeggen dat ook de sociale en politieke conflicten waar we hier in Nederland mee te maken hebben onlosmakelijk zijn verbonden met geweld. Keen (2001) wijst erop dat vrede eigenlijk inhoudt dat geweld weer geïnstitutionaliseerd is. Von Clausewitz zag oorlog als “het vervolg van de politiek met andere middelen” (Kloos 2001: 177). Maar een oorlog is meer: het gaat niet alleen om het daadwerkelijke geweld dat gebruikt wordt. Het gaat ook om de wetenschap dat er elk moment geweld gebruikt kán worden. Die toestand is de toestand van oorlog (Hobbes in: Kloos 2001: 177). Het belang van de factor geweld in conflict wordt hiermee nogmaals benadrukt. Geweld sluimert dus onder elk conflict.

 

Onderzoek naar gewelddadig conflict

Niet alleen is geweld dus aanwezig in élk conflict, en is het daarom belangrijk er bij de bestudering van conflict op in te gaan. Ook is het zo dat juist de factor geweld maakt dat we een conflict gaan bestuderen. Al eerder schreef ik: “De ‘riddle’ van oorlog ligt in het geweld dat er gebruikt wordt”. Waarom gaan mensen ertoe over hun belangen na te streven door middel van geweld? Waarom transformeert een sociaal of politiek conflict in een gewelddadig conflict? Het zijn juist de gewelddadige conflicten die zoveel vraagtekens oproepen. Daarom is het belangrijk om voor ogen te hebben: Wat is nu precies geweld? Geweld is het “opzettelijk aantasten van personen of eigendom door gezamenlijk handelende mensen” (Rule 1988: 11 in: Kloos, 2001:179).

 

Er zijn drie aspecten in deze definitie die ik wil benadrukken. Ten eerste gaat het hier expliciet om fysiek geweld. Ten tweede gaat het om geweld door gezamenlijk handelende mensen. Hier ben ik in voorgaande paragrafen ook op ingegaan: niet het geweld van individuen, maar juist het groepsgeweld in conflicten heeft een verklaring nodig. “Collective identity is the medium through which the individual is related to collective violence” (Jabri, 1996:139). Ten derde zit in deze definitie geen normatief aspect. Met andere woorden: of het nu terecht en goed is of geweld gebruikt wordt, of niet, dat doet niet af aan het feit dat een actie gewelddadig is. Geweld kan dus rechtmatig zijn en onrechtmatig[11]. Dit laatste aspect kom ik hierna nog uitgebreid op terug.

 

Het is belangrijk geweld te zien in het proces waarin een conflict ontstaat. Kloos (2001) analyseert de wijze waarop een (burger)oorlog ontstaat. Hij wijst hierbij op de verschillende fases die een conflict doormaakt alvorens het ontaardt in gewelddadigheden en alvorens deze gewelddadigheden een oorlog genoemd kunnen worden. Hierbij benadrukt hij dat de overgang van de ene fase naar de andere niet middels een duidelijke scheidlijn of enkele gebeurtenis gemarkeerd kan worden, maar dat het gaat om een continuüm waarlangs het conflict zich voortbeweegt. Als eerste fase beschrijft hij een situatie met verschillen in cultuur en vervolgens een fase waarin deze culturele verschillen het ´vehikel´ worden waarin belangenverschillen worden uitgedrukt. Dan is de toon gezet en de taal gekozen waarin het conflict wordt verwoord. Hierop volgt een groeiende spanning, uitmondend in een conflict. Dan ontstaan onregelmatige uitbarstingen van geweld en dit loopt uiteindelijk over in een (burger)oorlog (zie schema Kloos 2001: 179). Haarfijn blijkt echter uit deze analyse hoe alvorens dergelijk (fysiek) geweld ontstaat, er al eerder sprake is van een andere vorm van geweld. Als, zoals Rigoberta Menchú (in: Brysk 2000: 301) zei: “any attempt to ignore difference is a form of violence”, dan is er voorafgaand aan de daadwerkelijke uitbarstingen van geweld vaak al een heel proces waarin geweld zich heeft voorgedaan. Conflict resolution is er daarom niet alleen op gericht het gebruikte geweld te reduceren. Mensen gebruiken namelijk niet zomaar geweld.

 

Definities van geweld

De laatste jaren is het begrip geweld door verschillende wetenschappers verruimd en uitgerekt om bepaalde structuren of omstandigheden ook het kenmerk geweld toe te dichten om het beschadigende karakter ervan aan te geven. Zo zijn bijvoorbeeld de begrippen structureel, institutioneel en cultureel geweld ontstaan. Een dergelijke ruime definitie van geweld is bijvoorbeeld:

“physical, biological or spiritual pressure exerted directly or indirectly by human beings against human beings that, once a certain threshold is passed, reduces or eliminates their individual or collective potential or fulfilment in their respective society” (Mac Gregor (ed.) 1993:135).

Er zijn dus verschillende visies mogelijk op geweld. In het dagelijks spraakgebruik worden deze verschillende vormen van geweld aangeduid met termen als dwang, manipulatie, onrechtvaardigheid, armoede, nadeel, achterstelling, uitbuiting, onderdrukking, discriminatie, burgerlijke ongehoorzaamheid, rebellie, opstandigheid, vandalisme, criminaliteit, terrorisme, revolutie, tegenwerking, schade, corruptie, cooptatie.

 

Ik wil de term geweld zoals al eerder aangegeven bewaren voor fysiek geweld. Aangezien ik geweld en conflict opvat als alleen maar te begrijpen binnen een breder begrip van menselijk gedrag en het dagelijkse leven (Jabri, 1996:23), gaat het echter toch breder dan alleen fysiek geweld en wil ik deze andere vormen van destructie, aantasting en onrecht niet ontkennen. Sterker nog, juist de betekenis die individuen toekennen aan een actie of gebeurtenis is essentieel voor hun reactie. Zoals Hall zegt: “The language (discourse) has real effects in practice: the descriptions become true” (Hall, 1993:293, in: Carpentier & Spee, 2001:6). Juist de perceptie van onrecht is van grote invloed op de dynamiek van conflicten. Belangrijk is het normatieve oordeel dat met de categorisatie van geweld wordt toegedicht. In mijn scriptie heb ik deze waardering en beoordeling van structuren, handelingen en attitudes dan ook centraal gesteld. Daarom heb ik in mijn onderzoek expliciet opengestaan voor elke voorafgaande onrechtmatigheid die door de ene of andere conflictpartij als ‘geweld’ werd beschouwd. Het is duidelijk dat hier sprake is van verschillende verhalen over de werkelijkheid die met elkaar kunnen botsen. Een analyse van deze botsing kan wijzen op de kern van het conflict. Het is van belang om te constateren dat met betrekking tot deze vormen van geweld die vallen onder de ruimere definitie het normatieve aspect essentieel is. Dit in tegenstelling tot de definitie van fysiek geweld. Op het moment dat deze ruimere vormen van geweld een legitimering hebben, is het geen geweld meer.

 

Een handzaam onderscheid in verschillende vormen van geweld maakt Galtung op grond van zijn definitie van conflict (Miall 2001:12). Hij stelt dat een conflict bestaat uit drie componenten, te weten een conflict attitude, conflictgedrag en een onderliggende conflicterende structuur (“incompatible goals”). Deze drie aspecten verhouden zich tot elkaar als een driehoek, waarin elk aspect de twee andere aspecten beinvloedt. In overeenstemming hiermee onderscheidt hij ook drie vormen van geweld: cultureel geweld, fysiek geweld en structureel geweld. De indeling van mijn scriptie is gebaseerd op dit onderscheid tussen deze drie aspecten van conflict en geweld. 

 

Legitimatie in discours

Afgezien van dit verschil tussen fysiek geweld en deze ruimere vormen van geweld is bij beide het normatieve aspect cruciaal. Ook fysiek geweld is aan een morele interpretatie onderhevig. Over politiegeweld stelt Amnesty het volgende: “Het slaan van dergelijke verdachten is in veel landen zo gewoon dat zelfs de slachtoffers het niet als een vorm van marteling erkennen”[12]. Misschien wordt nog wel erkend dat er sprake is van geweld, maar het etiket “marteling” heeft een morele lading en wordt dus via deze interpretatie verworpen. Ook al behoudt een dergelijke actie het predikaat ‘geweld’, de betekenis die eraan wordt verleend is uiteindelijk cruciaal. Belangrijk om te constateren is namelijk dat juist het (schijnbaar) onrechtmatige, onredelijke en excessieve geweld zoveel vraagtekens oproept. Dergelijk geweld heeft een verklaring nodig. Apter zegt: “people do not commit political violence without discourse. They need to talk themselves into it” (1997:2). Geweld heeft dus een legitimatie nodig. Ook Riches wijst op het belang van legitimatie in zijn definitie van geweld: “an act of physical hurt deemed legitimate by the performer and by (some) witnesses (Riches 1986:8 in: Schröder & Schmidt 2001:3). Inzicht in deze legitimaties geeft inzicht in het voortbestaan van deze vormen van geweld. Inzicht in deze legitimaties geeft ook het daadwerkelijke begrip voor conflictsituaties.

 

Je kunt de mens zien als een homo economicus die alleen maar kijkt naar de meest efficiente manier om zijn behoeften te bevredigen. Jabri stelt echter dat ook van belang is te bekijken welke acties als legitiem worden ervaren en welke niet (1996:62-63). “Behaviour is primarily rule-governed rather than consequence-governed” (ibid. 1996:70). Om het gebruik van geweld te begrijpen moet men individuen niet alleen zien als bewuste actoren, maar ook als mensen met een rol binnen een framework van instituties, normen en regels die de context vormen waarbinnen bepaalde acties gelegitimeerd worden. MacGregor benadrukt dat de mensen die het gevoel hebben dat ze een soort van toestemming hebben voor wat ze doen, als ze opereren in een groep die hun gedragingen rechtvaardigt, de meeste destructie aanbrengen (1993). Zo heeft bijvoorbeeld Daniel Goldhagen geconcludeerd dat het geweld dat in de Tweede Wereldoorlog onder andere in concentratiekampen is gebruikt niet zozeer toe is te schrijven aan het feit dat men de opdrachten van hun meerderen uitvoerde, maar aan het feit dat men hier ook moreel achter stond (1997).

 

Legitimatie wordt geproduceerd in discours. Zoals conflict een sociaal fenomeen is, is ook geweld een sociaal fenomeen. Jabri brengt naar voren dat in de wisselwerking tussen agency en structure gewelddadig conflict mogelijk gemaakt en gelegitimeerd kan worden. Discours theorie gaat ervan uit dat de definitie van concepten en categorieën ontstaat in de interactie tussen structure en agency. De betekenis van het concept geweld ontstaat dus ook in deze interactie. Zo bepaalt een maatschappij wat crimineel is en wat niet. Deze waarden worden vastgelegd in de wet. Al eerder is naar voren gekomen dat het discours met betrekking tot verkrachting gedurende de afgelopen honderd jaar sterk is veranderd in Nederland. Tegenwoordig is de verkrachting strafbaar, terwijl het voorheen werd beschouwd als een huiselijke aangelegenheid. Iets dergelijks is recentelijk in beweging met betrekking tot de witte-boorden-criminaliteit en de gigantische uitbreiding van het economische strafrecht ten aanzien van bijvoorbeeld beursfraude en handel met voorkennis. Wat betekent dit nu concreet? Wat geweld is, is niet eenduidig vast te stellen. Interpretatie binnen een kader maakt handelingen inzichtelijk. Is het boren van een kies bij de tandarts geweld? Is verkrachting geweld? Is het eten van vlees geweld? Discours bepaalt of een actie een bewonderenswaardige daad van verzet is, zoals een overval op de distributiekantoren van de Duitsers ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, of een terroristische actie. Discours interpreteert handelingen en plaatst ze in een context. Op die wijze krijgen sommige acties het predikaat geweld, en andere niet. Zoals Schröder & Schmidt stellen: “even the categorisation of action as violence tends to be contested” (2001:12).

 

Hieruit blijkt dan meteen de invloed van de definitiemacht die een discours in zich draagt om bepaalde acties en handelingen het predikaat ‘gewelddadig’ toe te kunnen dichten. Een voorbeeld hiervan is dat de staat een legitiem monopolie heeft op het gebruik van geweld (Weber). Dit heeft tot gevolg dat het heel vaak lijkt alsof de minderheidsgroepering het conflict start op het moment dat zij geweld (in conventionele zin) gebruikt om haar belangen te verwezenlijken. Het is echter vaak zo dat de staat al eerder repressie maatregelen heeft genomen tegen de groepering en controle kan uitoefenen met het gebruik van geweld als dreiging om de wensen en ambities van de minderheidsgroepering in de hand te houden. De mogelijkheid dat geweld gebruikt kan worden is dan vaak voldoende (Kloos 2001: 178).

 

Kortom, geweld ligt ten grondslag aan elk conflict, ook als zij niet gebruikt wordt. Geweld is een concept dat net als andere concepten onderhevig is aan interpretatie via discours. Sterker, voor het uitvoeren van geweld is het noodzakelijk “to talk yourself into it” en het geweld op zo´n manier in de wisselwerking tussen agency en structure te plaatsen dat het geweld gelegitimeerd wordt. De verhalen die men zichzelf en elkaar vertelt pleiten mensen vrij. Nooit sta jij aan de verkeerde kant. Aan de andere kant worden vele structuren, omstandigheden en acties in discoursen geinterpreteerd als onrechtmatig. Dit wijst op het bestaan van verschillende verhalen over de werkelijkheid waarbij de ene conflictpartij deze structuren, omstandigheden en acties legitimeert, terwijl de andere conflictpartij ze verhaalt als gewelddadig. Dit kan leiden tot onvrede en een legitimatie vormen voor gewelddadigheden. In de dynamiek van een conflict speelt deze botsing van percepties een cruciale rol. Het is derhalve van belang hiervoor oog te hebben.

 

1.5 Outline

Discourstheorie bleek voor mij dus een bruikbare visie op conflict en een manier om meer inzicht te krijgen in wat ik wilde weten: daadwerkelijk begrip voor (het geweld in) een conflictsituatie. De bestudering van discoursen maakt inzichtelijk waarom en op welke manier men het conflict legitimeert en daardoor de wijze waarop verschillende factoren van invloed zijn op het conflict. Er is echter nog weinig bekend over discours, en de rol die discours speelt in conflicten. Daarom heb ik besloten daar onderzoek naar te verrichten. In een case, het Mapuche conflict in Chili, heb ik de verschillende verhalen van verschillende actoren bestudeerd. Bij de bestudering van deze verhalen heeft centraal gestaan op welke wijze het (geweld in het) conflict werd gelegitimeerd. In deze scriptie zal ik laten zien hoe deze verhalen inzicht geven in het ontstaan en de vorming van de verschillende conflictpartijen, hun ideeën, standpunten en hun gedragingen. Ik zal inzicht geven in de relatie tussen de verhalen die ze vertellen en lokale, nationale en internationale ontwikkelingen en omstandigheden. Hierbij zal ik vanzelfsprekend ingaan op de thema´s die in de discoursen zelf naar voren komen en ook in de academische debatten een grote rol spelen zoals het onderscheid tussen terroristen en vrijheidsstrijders, het debat over identiteit en armoede, angst en haat, de invloed van globalisering, en de rol van nationalisme en etnische identiteit. Door middel van deze analyse van de verhalen van de actoren kom ik tot een daadwerkelijk begrip van het Mapuche conflict.

 

Mijn conclusie is dat in discours feiten, gebeurtenissen en omstandigheden worden omgevormd tot een factor in het conflict. Discours heeft derhalve een cruciale invloed op de ontwikkeling en eventuele escalatie van conflicten. Armoede, identiteit en globalisering zijn van invloed op conflicten door de betekenis die hun via discours wordt verleend. In discours wordt geweld gelegitimeerd. Het is daarom essentieel de betekenissen die via discours aan handelingen, structuren, groepen en factoren worden toegekend te onderzoeken en te begrijpen. Mijn conclusie is dat inzicht in de verschillende discoursen een daadwerkelijk begrip oplevert voor de complexiteit van een conflict. Discours is derhalve een interessant gezichtspunt voor de bestudering van conflicten. Weliswaar is de situatie in het Mapuche-conflict, de gebeurtenissen, de achtergronden en motivaties uniek, ik ben ervan overtuigd dat het bestuderen van de mechanismes en processen waardoor actoren in wisselwerking met bestaande structuren het conflict legitimeren, inzichten oplevert die universeel zijn.

 

In het voorgaande zijn enkele theoretische noties behandeld. In de volgende hoofdstukken zal ik de relevante discoursen analyseren aan de hand van deze theoretische concepten. Ik gaf al aan dat ik de indeling van mijn scriptie baseer op het onderscheid dat Galtung maakt in een conflict tussen een conflicthouding, conflictgedrag en conflictstructuur. Mijn analyse zal analoog aan deze driehoek plaatsvinden op basis van drie hoofdvragen.

 

1.       Hoe zijn de identiteiten geconstrueerd op basis waarvan de conflictpartijen gevormd zijn, en waarom op die manier? Kortweg: hoe legitimeren de discoursen het ontstaan van Wij en Zij?

2.       Welke betekenis verlenen de discoursen aan geweld en hoe legitimeren deze het gebruik van geweld? Kortweg: hoe legitimeren de discoursen het conflictgedrag?

3.       Welke betekenis verlenen de discoursen aan de verschillende “incompatible goals” die zij zelf en de wederpartij hebben, en op welke manier geeft deze betekenis een dieper inzicht in de rol van deze goals in het conflict? Kortweg: hoe legitimeren de discoursen de standpunten, de tegenstellingen en de onderliggende structuur?

 


 

[1] In hedendaagse conflicten vormen burgers 90 % van de slachtoffers. Dit leidde Nordstrom tot de cynische opmerking dat in een conflict het leger wellicht de veiligste plaats is.

[2] 17 januari 2003, Seminario de Conflictos Interculturales, Temuco

[3] Mario Vargas Llosa in zijn betoog op 11 juni Nexus conferentie “Evil”

[4] Mario Vargas Llosa in zijn betoog op 11 juni Nexus conferentie “Evil”

[5] Discours theorie gaat uit van de interne logica van ieder discours (Sayyid & Zac 1998)

[6] In mijn onderzoek zal ik de term discours gebruiken om te verwijzen naar collectieve verbeelde werkelijkheden. Ik zal niet het Nederlandse woord vertoog hanteren, aangezien discours een veel meer gebruikte term is. Wat betreft de betekenis van discours baseer ik mij onder andere op Foucault 1981, Carpentier & Spee 2001, Sayyid & Zac 1998, van de Port 1994 en Jabri 1996.

[7] Dit komt sterk naar voren in Van der Port 1994

[8] zoals Slavenka Drakulic (1993) dit beschrijft in haar relaas ‘Balkanexpress’ over de gebeurtenissen ten tijde van de oorlog in voormalig Joegoslavië.

[9] Jabri baseert zich hier op het post-structuralisme ofwel de structuration theory van Giddens

[10] Naar analogie van de uitspraak van Apter 1997: 5.

[11] In ons strafrecht en ook in het internationale recht is bijvoorbeeld onder omstandigheden zelfverdediging erkend als een rechtvaardigingsgrond voor het gebruik van geweld. Maar wie bepaalt de aanwezigheid van een dergelijke rechtvaardigingsgrond?

[12] Website Amnesty: politiegeweld www.amnesty.nl