|
De wielophanging van een auto kent zeer veel
bewegende delen welke een bepaalde hoek met een
vast of ook bewegend deel van de auto maken, waarbij die hoeken ook nog
een veranderen ten opzichte van elkaar tijdens het bewegen. Vrijwel alles
is instelbaar, en elke verandering heeft een bepaalde consequentie. Over
het algemeen is het zo, dat een verandering ten gunste voor het ene, een
verslechtering van een ander aspect met zich mee brengt. Elke set-up van
een auto is dus een compromis, waarbij je probeert zoveel mogelijk
gunstige aspecten te bereiken die voor die bepaalde omstandigheden,
passend bij jouw eigen rijstijl, zoveel mogelijk voordelen biedt.
Er zijn 4 afstellingen die redelijk eenvoudig te doen zijn, en die grote
veranderingen brengen in het rijgedrag van je auto. Dit
zijn:
toe/uit-spoor,
camber
vering
/ demping / Wieldruk en
rijhoogte.
De andere afstel mogelijkheden zullen we hier
voorlopig even buiten beschouwing laten, anders wordt het te
gecompliceerd.
|
Toespoor
/ uitspoor:
Dit is de afwijking die de wielen maken ten opzichte van de langs-as,
als je van boven op de auto kijkt. De wielen staan niet evenwijdig aan
de langs-as van de auto, maar maken een bepaalde hoek hiermee. Als de
voorkant van de wielen naar buiten wijzen, spreek je van uitspoor, als
de voorkant naar
binnen wijst, heet dat toespoor. De meeste raceauto's rijden het best
als ze een lichte mate van toespoor hebben. De auto stuurt dan het
stabielst, en de banden wekken het meeste grip op. Ook de achterwielen
hebben in de meeste gevallen een lichte mate van toespoor, wat er in een
bocht voor zorgt dat er meer grip voorhanden is, en de wagen niet
plotseling uitbreekt achter. De meeste auto's hebben achter een vaste
instelling voor het toespoor, welke dan 1 tot 3 graden bedraagt. Het
toespoor vóór is meestal instelbaar, en kan naar wens ingesteld
worden. Mijn favoriete instelling is: druk de beide voorwielen aan de
achterkant naar elkaar toe. Stel het toespoor zodanig in dat het bijna
weg is. (0 tot -0.5 graad). Als je de wielen dan weer loslaat, gaan de
voorzijden weer iets meer naar elkaar toe, en heb je +/- 3 graden
toespoor. Dit is een goed uitgangs punt om mee te beginnen, en is onder
bijna alle omstandigheden goed. Hoewel het bij normale
voorwiel-aangedreven auto’s gewoonte is om een paar graden uitspoor te
geven, wordt dit vrijwel nooit aangeraden bij RC/auto’s. Uitspoor
geeft hier een onstabiel gedrag, soms wat meer grip aan de voorzijde bij
het insturen van een bocht, maar resulteert vaak in het halverwege de
bocht uitbreken van de achterkant, zeker bij gas-loslaten. Alleen
top-rijders zijn hier soms mee gebaat, vandaar dat die nog wel eens het
advies geven om uitspoor in te stellen. |
 |
TIP: Een
Camber Gauge (zie volgende hoofdstuk) kan ook heel goed
gebruikt worden om het toespoor te meten, zeker aan de
achterkant. De meeste auto's kun je vrij makkelijk vertikaal
zetten op de achterkant. Het "camber" wat je nu
kunt meten, is in werkelijkheid het toespoor als de wagen
weer horizontaal staat! |
|
|
Camber:
Dit is de stand van de wielen t.o.v. het wegdek als je recht van
voren naar de auto kijkt.
Als de wielen haaks op het wegdek staan, is het camber 0 graden.
Als de bovenzijde van de wielen dichter naar elkaar toestaan dan
de onderzijde, heet dat negatief camber, en als de bovenzijden van
elkaar afwijzen heet dat positief camber. Positief camber moet je
altijd vermijden! In dat geval drukt alleen de buitenzijde van het
loopvlak van de band op het wegdek, en zeker in een bocht kan de
band dan geen dwarskracht verwerken, en heeft dus geen grip!
|

Camber
0 graden |
Camber positief |

Camber negatief |
De
bedoeling is, dat het loopvlak in een bocht vlak op de
weg ligt, en dus met een zo groot mogelijk oppervlak de
weg raakt, zodat de grip maximaal kan zijn. Om dat te
bereiken, moet zelf als je de situatie statisch bekijkt,
het wiel nog een klein beetje negatief camber hebben,
omdat de zijwaartse kracht tijdens het rijden in een
bocht de band vervormt richting positief camber.
Bij de meeste ophangingen is het zo dat tijdens het
in-veren het camber verandert. Als het goed is krijgt
het camber een grotere negatieve waarde. Dit is nodig ,
omdat het chassis in een bocht rolt om de langs-as, c.q.
het bovenste ophangpunt gaat meer naar buiten t.o.v. het
onderste ophangpunt. Daarbij wordt ook de vering aan de
buitenzijde van de auto ingedrukt. Als het camber niet
zou veranderen, zou de wielstand positief worden, en het
loopvlak zou alleen aan de buitenzijde contact maken.
Doordat tijdens het inveren de wielstand negatiever
wordt, blijft het loopvlak vlak op de weg en kan dus
maximaal grip opwekken. Als tenminste de geometrie van
de ophanging juist is voor de hoeveelheid rol van het
chassis. De hoeveelheid verandering van het camber is nl
van twee zaken afhankelijk: het verschil in lengte
tussen de onderste en de bovenste draagarmen, en de
hoogte van het aangrijpingspunt van de bovenste
draagarm. Hoe korter de bovenste draagarm, en hoe lager
het aangrijpingspunt, hoe groter de verandering van
camber is tijdens het inveren. |
|
Auto
van achteren gezien, in een bocht naar rechts.
Wielophanging met gelijke lengte draagarmen boven en
onder, geen camber verandering tijdens inveren/rollen.
Doordat het chassis rolt (overhelt ) naar links, komt
het linker wiel schuin op de weg te staan, het loopvlak
van de band heeft weinig grip, wiel breekt snel uit. |
Zelfde
situatie, maar nu een chassis met ongelijke armen,
waardoor het camber verandert tijdens inveren /
rollen. Als het chassis nu rolt (overhelt ) naar
links, komt het linker wiel recht op de weg te staan.
Daardoor kan de band zijn maximale grip opwekken. Het
rechter wiel krijgt extra veel negatief camber, en kan
daardoor weinig grip opwekken, maar omdat daar weinig
druk op staat is dat van minder belang. Maar ook hier
geldt: nooit overdrijven. teveel negatief camber geeft
ook weer geen grip! |
| Om
het camber te controleren, zet je de auto op een
vlakke ondergrond, en rolt het chassis om de lengteas,
net zoals gebeurt in een bocht. Liefst ook nog een
beetje dwarskracht op de auto uitoefenen, d.w.z. druk
de auto horizontaal ook naar de “buitenzijde” van
de bocht. Controleer nu de stand van het buitenste
wiel. Staat het loopvlak recht, of heeft het nog een
halve graad negatief camber? Dat is het ideale
uitgangspunt. Dit geldt zowel voor de vóór als voor
de achterzijde. Er zijn enkele zeer handige
apparaatjes te koop om de juiste instelling te meten,
deze zijn zeker het geld waard! |
|

Voorbeeld van een simpel apparaat om het camber te
meten.Werkt met elke auto, onafhankelijk van de schaal
RPM Camber Gauge
RPM 7099 26.95

Een wat uitgebreider uitlijn hulpmiddel speciaal
voor toerwagens met zeskant wielaansluiting. Deze laat
de camber instelling links en rechts direkt zien, en
je kunt zien of de besturing symetrisch staat, en of
je toespoor of uitspoor hebt. Het aantal graden
toespoor is niet af te lezen.
RT9007 RaceTech
DTM uitlijner 79.95
|
Nu
kun je vanuit deze stand gaan experimenteren met het
vinden van de juiste verhouding tussen grip vóór en
achter. Een beetje meer negatief camber geeft meer
grip, een beetje minder geeft minder grip. Meestal is
het zo dat je iets meer grip achter wilt hebben dan
voor, zodat de voorkant eerst grip gaat verliezen in
een bocht (onderstuur). Dit is makkelijker te
corrigeren voor de meeste rijders dan overstuur.
Naarmate je beter kunt rijden en harder wilt gaan, is
neutraal tot overstuur te prefereren, omdat je dan
minder van het gas af hoeft te gaan in een bocht. Maar
dat is een zeer moeilijk te controleren situatie, een
kleine fout resulteert direct in een overstuur reactie
van de auto, wat zeer moeilijk te beheersen is.
Overigens zijn er twee zaken waar je ook op moet
letten:
als je te veel negatief camber geeft, ga je plotseling
weer grip verliezen. Ook gaan de banden te veel
slijten op de schouder van de band, net als bij te
veel positief camber. Bij te veel negatief camber
slijt de band aan de binnenzijde van het loopvlak, bij
positief camber aan de buitenzijde. Aan het
slijtagepatroon van de band kun je dus ook zien of de
afstelling goed is, helaas is dat meestal te laat voor
de band zelf, die is dan al versleten!.
Ook zal je zien dat naarmate je meer negatief camber
hebt aan de buitenzijde, de meer positief camber je
krijgt aan de binnenzijde van de auto. Daar de
binnenzijde in een bocht veel minder belast wordt is
dit niet zo erg, maar ook hier geldt: te veel is niet
goed.
Met een juist ingesteld toespoor en camber zal je zien
dat het weggedrag van de auto al een stuk beter is, nu
kun je ook nog naar de volgende afstellingen kijken. |
 |
TIP:
Als je het camber heel nauwkeurig wilt meten, kun
je "Set-Up wielen" gebruiken. De zijkand
van een wiel en band is vaak niet erg vlak, wat
afwijking in de meting geeft. Set-Up wielen zijn
wel helemaal vlak, en deze |
| worden
eerst gemonteerd voordat je gaat meten.
Doordat de Camber gauge nu tegen een plat vlak
aan ligt, is de meting veel nauwkeuriger. |
 |
|
|
Vering
/ Demping / Wieldruk:
Even een kort woord over sterkere of lichtere veren:
Een lichte veer geeft in het algemeen meer grip, een
stuggere veer geeft minder grip. Waarom dan niet de
lichtste veer gemonteerd: een lichte veer laat de auto
snel en veel overhangen. Dit remt de snelheid.
Bovendien geeft het overhangen problemen met snelle
rechts-links wisselingen, omdat de auto pas de andere
kant op gestuurd kan worden als hij weer recht is
gekomen. Dus moet je met verschillende veren
experimenteren tot je de juiste
balans in de auto hebt gevonden. Door voor b.v. een
iets hardere veer te monteren als achter, krijg je in
het algemeen een goed sturende auto met voldoende grip
achter en een relatief makkelijk stuurgedrag. Denk er
ook om om niet te dikke olie te gebruiken. Als de olie
te dik is komt de schokbreker traag terug, en hangt de
auto te lang over, waardoor hij niet rechtuit
accelereert.
Bij een lichtere veer hoort dus dunnere olie als bij
een stugge veer.
Als je de veren niet stugger
wilt maken, omdat je b.v. op een hobbelige ondergrond
rijdt, en de auto gaat stuiteren met stuggere veren,
en je wilt toch dat de auto minder overhelt in een
bocht, kun je gebruik gaan maken van een anti roll bar
of stabilisator. Een stabilisator verbindt de linker
en de rechter wielophanging, en wordt in het midden
van de stabilisator gemonteerd aan het chassis. Een
stabilisator heeft geen invloed als beide wielen in
gelijke mate inveren. Maar als één van de wielen
inveert, zoals in een bocht als de auto gaat
overhangen, haalt een stabilisator druk van het
binnenste weg, en verplaatst een gedeelte van die druk
naar het buitenste wiel, en een ander gedeelte naar de
andere as als waar hij gemonteerd zit. Dus een
stabilisator aan de voorzijde van de auto, verplaatst
wieldruk tijdens het overhellen in een bocht naar de
achterzijde. Hierdoor krijgt de achterkant meer grip,
en de voorzijde krijgt minder grip. Een stabilisator
aan de achterzijde geeft dus minder grip achter, en
meer grip voor (meer stuur). Als je zowel voor als
achter een stabilisator monteert, Geeft dat een
weggedrag in een bocht alsof je stuggere veren hebt
gemonteerd, dus minder grip, maar ook minder
overhellen. (ook minder risico van omslaan van de
auto, vooral als de auto te hoog afgesteld staat (zie:
rijhoogte)
Nu is het ook de tijd om even naar de wieldruk links
en rechts te kijken. De wielen aan beide zijden van
een as moeten n.l even zwaar op de weg drukken. (dus
links achter gelijk aan rechts achter,
|

De druk
per as moet links en rechts gelijk zijn.
Dus het
linker voorwiel moet even zwaar op de weg
drukken als het rechter voorwiel.
Ook het linker achterwiel moet dus even zwaar
op de weg drukken als het rechter achterwiel.
De druk
op de achteras hoeft niet gelijk te zijn aan
de druk op de vooras.
|
en links voor gelijk aan rechts
voor, tussen voor en achter is vaak wel verschil). Als
deze druk links en
rechts per as niet gelijk is, trekt de auto naar een
kant tijdens accelereren, en naar de andere kant
tijdens het remmen. De beste en enig betrouwbare
methode om dit te controleren is op een tweak-board.
Dit werkt met een waterpasje, en toont drukverschillen
aan met de vering onder druk, zoals de auto op de weg
staat. Een minder betrouwbare methode die eigenlijk
niet meer dan een indicatie geeft dat er iets niet
goed is, is de auto op de rand van een tafel te zetten
en dan een schroevedraaier aan de voorzijde exact in
de hartlijn tegen het chassis omhoog te drukken. Nu
kun je tijdens het langzaam liften kontroleren of een
van de wielen iets eerder van de grond komt dan de
andere, wat een indicatie is dat er een wieldruk
verschil kan zijn. (mits beide wielen in gelijke mate
uit kunnen veren!.
Ook belangrijk is of de schokbrekers per as wel een
gelijke werking hebben. ze moeten zowel soepel werken,
als gelijke tegendruk geven. Dit kontroleer je door de
wagen op een vlakke bodem te zetten, en dan zachtjes
in het midden op b.v. de schokbreker steun te drukken.
De auto moet direct inveren, en het inveren moet uit
de schokbrekers komen. Sommige auto's veren wel iets
in, maar als je goed naar de schokbrekers kijkt, zal
je zien dat niet de schokbreker korter wordt, maar dat
de ophanging verbuigt. Dat is natuurlijk niet de
bedoeling. Kijk of de schokbrekers wel soepel genoeg
werken, door ze los te halen en de veer te
verwijderen. Als je nu zachtjes aan de schokbreker
trekt of duwt, moet de zuigerstang soepeltjes bewegen.
Sommige (slechte) schokbrekers vergen relatief veel
kracht om in beweging te komen, terwijl als ze eenmaal
bewegen, ze dan wel licht aanvoelen. Als dat bij jouw
zo is, kijk dan of de afdichtringen nog in goede staat
zijn, of er voldoende (en juiste =siliconen-) olie in
zit, en of de zuiger niet tegen de demperwand aan
schuurt. Bewegen alle schokbrekers voldoende soepel,
dan kun je ze weer monteren.
Als je nu op de schokbreker steun drukt, (b.v. met een
schroeven draaier, precies in het midden, en loodrecht
naar beneden) kijk je of beide schokbrekers tegelijk
in beweging komen, en in dezelfde mate bewegen.
Zoniet, schokbrekers weer demonteren en kontroleren.
Ook bij deze laatste test is een tweaker board een
fantastisch hulpmiddel, omdat als de wagen
uitgebalanceerd op het tweaker board staat, en je
drukt de auto rechtstandig naar beneden, het
waterpasje aangeeft of de druk gelijk blijft of dat
hij verloopt. |
|
Rijhoogte
/ bodemvrijheid
Deze
moet zo laag mogelijk zijn, zonder dat het chassis
de grond raakt tijdens het rijden. Veel auto’s
missen een adequate manier om de rijhoogte in te
stellen, vandaar de volgende oplossing om de auto
lager te zetten (de meeste auto’s staan te hoog):
Druk de auto iets in, naar de hoogte die je denkt te
willen hebben, en kijk hoeveel millimeter de
schokbrekers inveren. Demonteer de schokbreker, en
schuif ringetjes (of rubber “O”ringen) over de
zuigerstang tegen de zuiger aan. Deze ringen moeten
natuurlijk kleiner zijn dan de zuiger, zodat ze de
schokbrekerwand niet raken, en ook mogen ze de
gaatjes in de zuiger niet afdichten. Als je nu de
schokbreker weer monteert, is deze korter geworden,
en staat de auto lager bij de grond. Dit geeft een
lager zwaartepunt, en daarmee een beter weggedrag.
Nog een laatste punt over de
rijhoogte: in principe moet het chassis evenwijdig
aan de bodem staan. In sommige gevallen rijdt de
auto beter als het chassis aan de voorzijde iets
lager staat als achter. Maar als het chassis aan de
voorzijde hoger staat als achter, lijdt dat in de
meeste gevallen tot instabiel rijgedrag!
|