Zelfportret
Jij, drager van
m’n ziel in dit weerbarstig’ leven, ik schilderde je uit, slechts
voor het nageslacht. Ik zal er altijd zijn, maar jij bent er maar
even, tot je de geest zult geven, iets wat ik wel verwacht.
Dan, als een artefact
uit een vervagend heden,verslijten doek en tijd aan steeds een
andere muur. Slijtage sluit een pact met zonlicht, zin en zeden
en wint als steeds de slag, zij ‘t op de lange duur.
Maar ik, ik zal er
zijn, als zwarte druivenplukker, als meisje van plezier, als Franse
puritein, of moet ik misschien op als Duitse dagbladdrukker, knollen
de grond uit rukker, goed, goed, ik zal er zijn..
Totdat ik onwijs
wijs m’n vrind en zuiver als een engel, onschuldig als de lentewind,
niet langer meer een bengel, gepromoveerd wordt naar een plek,
gereserveerd voor goden, mijn allerlaatste, vaste, stek, voorgoed
de stof ontvloden.