- Steeds een bepaald woord moeten herhalen omdat het zo 'goed' klinkt
(de hele dag door, soms dagen achtereen, vb. paddenstoel, paddenstoel,
padde......).
- Voortdurend praten, anderen steeds in de rede vallen en onderbreken.
- Praten met vervormde stem (hoog, laag,...).
- Spuwen, neus luidruchtig optrekken (snuit je neus wordt er gezegd),
luidruchtig ademen (hijgen), neuriën of fluiten op ongewenste momenten,
'boeren' laten.
- Ongepaste lachbuien.
- Nagelbijten, op duim of vingers zuigen, soms tot bloedens toe.
- Haren uittrekken.
- Zichzelf pitsen, krabben, in het gelaat of in de maag slaan.
- Steeds slikbewegingen maken.
- Allerlei spieren aanspannen en loslaten.
- Wat je juist verboden is net nog eens moeten doen.
- Problemen met kleding: broek zit nooit goed (te los, te vast, ze prikt
etc.).
- Veters zijn nooit goed geknoopt: te los, te strak.
- Sokken moeten precies even hoog opgetrokken zijn.
- Anderen teveel aanraken, vb. op de armen tikken, op achterwerk slaan
(soms heel hard).
- Aan dingen likken: voorwerpen, anderen, zichzelf, handen of muren.
- Voorwerpen kussen: muren, deuren, enz...of eigen handen en armen
of anderen.
- Neiging hebben om kostbare voorwerpen te breken of te laten vallen.
- Aan alles en iedereen moeten ruiken.
- Geen papier willen aanraken (reeds griezelen bij het zicht ervan),
kan uitgebreid worden tot alles: hout, steen, stoffen.
- Geen water of zeep kunnen verdragen aan de handen (handen 'voelen'
dan niet goed: te droog of te glad enz.).
- Sprongetjes maken of pirouettes.
- Mankend lopen.
- Zin hebben om de deur te openen van de rijdende auto waar men in zit.
- Achterdocht: denken dat iedereen met je lacht of naar je kijkt of
over jou aan het praten is.
- Vulgair taalgebruik, eventueel zonder
coprolalie (vloeken). Bv.: voeten = poten, handen = pikkels, vrouwen
= wijven, gezicht = bakkes; terwijl men helemaal niet zo opgevoed is.
- Het glas waaruit men drinkt met de hand stukknijpen (met eventueel
verwondingen tot gevolg).
- Altijd in de zon moeten kijken.
- Huisdieren plagen en steeds moeten aanraken alhoewel men van ze houdt.
- Een gevoel van warmte, koude, zwaarte, lichtheid, prikkeling of branderigheid
in gewrichten, beenderen of spieren.
- Gedachtenspelletjes. Trachten om de zin die men uitspreekt symmetrisch
of ritmisch te krijgen, of wanneer men leest, tussen elk woord even
tot vijf moeten tellen ( in stilte ) - dit leidt tot haperend lezen
en geeft de indruk dat er een leesprobleem is.
- Met vuur spelen ( lucifers, aansteker, kookplaat ) op een gevaarlijke
manier.
- Alles hardop zeggen wat men toevallig opmerkt bij het autorijden,
fietsen, of wandelen: reclameborden, namen van winkels, flarden van
de radio die aanstaat ( binnensmonds of luid ) Vb. Siemens ..., Heineken
..., brood en banket ..., Quick ..., Clouseau ... .
- Op bepaald voedsel niet kunnen kauwen ( de textuur voelt niet goed:
te zacht, te hard enz. ) of de kleur is fout vb. niets willen eten dat
geel is. Wat men de vorige dag nog lekker vond plots niet meer willen
eten.
- Steeds op dezelfde plaats willen zitten aan tafel of in de zetel.
- Niet kunnen beginnen aan een taak, 10 maal moeten opstaan om even
iets anders te doen vooraleer men kan starten. Niet kunnen stoppen met
een activiteit.
- Rituelen: te lang handen wassen, eindeloos de haren kammen.
- In een glas bijten (er een stuk bijten).
- Aan stopkontakten likken.
- Voorwerpen een aantal maal op de grond moeten laten vallen ( potlood,
boek, enz. ) lijkt op onhandigheid of moedwil maar is enkel een dwanghandeling.
- Vingers laten kraken, tenen op een bepaalde manier laten bewegen.
- Hikken.
- Blazen (op eigen handen, voorwerpen, anderen, enz.)
- De kamer slechts kunnen verlaten volgens een bepaald ritueel, vb.
met drie grote passen tot aan de deur en dan twee maal de deurpost aanraken.
En moeten herbeginnen wanneer dit niet lukt.
- Steeds de billen toeknijpen.
- Tandenknarsen of tanden toeklappen tot er zelfs stukjes van de tanden
springen.
- Ogen even sluiten wanneer men fiets of auto rijdt.
- Op alles te hard drukken, vb. potloodpunt breekt voortdurend, bij
het gommen scheurt het papier ( beter met een bic laten schrijven en
fouten tussen haakjes zetten ).
- Klotsen met de maag.
- Ogen: opensperren, staren, scheel kijken, ogen naar buiten wegdraaien,
een denkbeeldig kruis in de lucht maken met de ogen.
- Bril: Moet perfect verdeeld op de neus zitten, de hele dag door wordt
dit gecorrigeerd.
- Mond steeds afvegen aan de mouw, waardoor mouwen nat worden en de
mond geirriteerd.
- Met de hand over een denkbeeldige grenslijn in de lucht moeten gaan.
- Plots een arm of been uitstrekken waardoor anderen vaak schrikken.
- Steeds de grond moeten aanraken ( enkele passen stappen, dan bukken,
dan weer enkele passen enz. )
- Twee stappen vooruit en een achteruit gaan.
-
De dwang om te telefoneren of om op bezoek te gaan,
niet alleen kunnen zijn.
- Geld moeten uitgeven, niet kunnen sparen, koopziek.
-
Letters in de lucht schrijven met bv. de ogen, het
hoofd of zelfs de buik.
-
Blazen op of in voorwerpen, op zichzelf of anderen.
-
Op tenen of hielen lopen, of op de zijkant van de
voeten.
-
Verzamelen van nutteloze voorwerpen, niets kunnen
weggooien.
-
Steeds lijstjes maken: met de dagindeling, taken,
uitstap tot in detail plannen. Deze lijstjes nemen veel tijd in beslag.
-
Overdreven likken aan lippen.
-
Het hoofd vaak moeten afwenden van de persoon waar
men mee praat, moeite met voortdurend oogcontact (dit lijkt soms op
niet geïnteresseerd zijn.
-
Aangetrokken worden door dieptes ( lijkt op een vorm
van hoogtevrees, maar is toch anders). Vb.: de drang om door open
een raam te springen, bij een bergwandeling zich aangetrokken voelen
door de afgrond. Soms ook de drang voelen om in het station voor een
trein te springen.
-
Extreem rangschikken en ordenen: handdoeken, glazen
in de kast, enz.
-
Over iets ruw moeten wrijven tot het pijn doet.
-
Klappertanden (zonder dat men het koud heeft).
-
Rillen (idem).
-
Een evenwicht zoeken wanneer men tussen voorwerpen
van ongelijke grootte staat. Bv.: wanneer zich aan de rechterkant
van de persoon een grote kast bevindt en links een klein bankje, krijgt
men een gevoel van ‘uit balans zijn’. Dan moet men zich even omdraaien
zodat de voorwerpen zich even aan de tegenovergestelde zijde van het
lichaam bevinden.
-
Voedsel op het bord bijna ontleden vooraleer men het
eet.
-
Niet lang naar een uitleg of verhaal kunnen luisteren,
de gedachten dwalen onvermijdelijk af.
-
Afwisselend groot en klein schrijven.
- Scheidingsangst: geen afscheid kunnen nemen, bv. bij het vertrek naar
school moet het afscheid gepaard gaan met een gans ritueel: zoveel kusjes,
x-maal omkijken en wuiven,....
- Slaaprituelen: sommige kinderen moeten al hun speelgoed een kusje
geven. Soms blijft dit zich uitbreiden tot ze ongeveer alle voorwerpen,
deuren en muren in huis gekust hebben. Er mag absoluut niets overgeslagen
worden.
-
Overdreven zorgen maken, bv. kinderen die iets lezen
of horen over een nieuwe ziekte of een aardbeving of andere natuurfenomenen,
kunnen daar dagen over door vragen "en kan ik dat ook niet krijgen,
en gaat dat bij ons niet gebeuren..."
-
Knijpen of pitsen in het gelaat.
-
De behoefte om dingen aan te raken, er op te tikken
of over te wrijven, verder ook de behoefte om dingen te herlezen of
te herschrijven. Georges Gilles de la Tourette sprak i.v.m. TS over
"le délire de toucher" (de zucht om aan te raken)
en "la folie du pourquoi" (het verlangen om steeds vragen
te stellen).
-
De drang om een gebeurtenis exact chronologisch te
vertellen zoals ze zich heeft voorgedaan. Elk detail moet aan bod
komen en indien er iets vergeten wordt, herbegint men van vooraf aan
(ziet men vooral bij kinderen).
- Sommige kinderen verlangen ook van hun ouders dat zij bepaalde zinnen
of vragen steeds op een bepaalde manier formuleren. Zij verbergen dit
soms door x maal na elkaar te vragen: "Wat zeg je?" of "Ik
heb je niet verstaan". Ze stoppen pas wanneer de zin ‘goed’ in
hun oren klinkt.
- De behoefte of drang om anderen altijd in de rede te vallen. Ze zijn
rustig bezig maar net als je met een bezoeker aan het praten bent, of
dat je aan de telefoon geroepen wordt, komen ze je vanalles vragen en
willen aandacht.
-
Sommige mensen zijn zo perfectionistisch dat ze enorm
veel tijd verliezen. Het kan gaan om poetsen of opruimen maar ook
bv. over haren in model brengen. Of zoals een jonge vrouw zei: ‘ofwel
sta ik uren voor de spiegel, ofwel kam ik het helemaal niet en bind
het samen in een staart.
- Hoofdbonken.
- Staren naar mensen.
-
Voortdurend dorst hebben en tegelijk klagen over een
gevoel van hitte, dit terwijl anderen het koud hebben.(polydipsia)
- Flitsend reactievermogen.
- Dodelijke directheid (er geen doekjes omheen doen.)
- Bizarre humor, bvb.: een opmerking maken die totaal niet kan, daar
dan zelf onbedaarlijk om moeten lachen, en van de anderen (die niet
meelachen) vinden dat die totaal geen gevoel hebben voor humor.
- Slecht sociaal snapvermogen
- Zwart wit etiketten: de ene is een schat, de andere een lul.
- Kinderen met Tourette zijn laatbloeiers.
- Mensen met Tourette slorpen veel energie op, trekken alle aandacht
naar zich toe, komen dominant over.
- Zelfs een zeer jong kind heeft heel vlug door dat er iets mis is met
hem. Dit creëert angst.
- Er is een overlapping tussen PDD (pervasieve ontwikkelings-Stoornis
- Autisme – Asperger en TS. Asperger staat dichter bij TS doch in het
algemeen verhoogt de ene stoornis de kans op de andere, ook al is dit
slechts in geringe mate. De ene heeft wat meer autisme, de andere wat
meer dit, wat meer dat.
- Iedere verandering in sfeer wordt gevoeld, ze kunnen er niet mee om,
deze gevoeligheid voor spanning en emoties is ook een beetje aan autisme
verwant.
- Sommigen hebben vaak ook een andere pijngrens.
- Bij de meeste vocale tics zijn expliciet de luchtwegen betrokken:
Snuiven, kuchen, hijgen, woorden luidruchtig uitstoten of aanzuigen,
zingen, fluiten, te pas en te onpas boeren, sissen, blazen, piepen,
grommen. Ook woorden en klanken worden meestal nadat lucht is aangezogen
als het ware uitgestoten.
|