Dries is acht jaar oud.
Hij knippert steeds met de ogen, schudt met het hoofd
en schraapt voortdurend zijn keel. Soms stottert hij een beetje. De
kinderen van de klas pesten hem met zijn tics. Hij is vaak verstrooid
en ook veel te impulsief. Zijn handschrift is ronduit slecht, zijn werk
slordig.
Dries is intelligent maar presteert zeer wisselvallig.
Hij werkt traag, want hij moet tijdens het lezen of schrijven steeds
dwangmatig de klinkers tellen. Dit durft hij aan niemand vertellen.
Op school krijgt hij steevast straf, maar het helpt niet.
Dries voelt zich onbegrepen en ongelukkig, maar vooral
heel angstig omdat hij geen controle heeft over zijn lichaam en stem,
zelfs niet over zijn gedachten. Hij voelt zich dom en gek. Hij probeert
uit alle macht zijn tics tegen te houden of te verbergen maar dan kan
hij niet meer opletten. Hij schaamt zich vreselijk. Ook thuis is men
steeds boos op hem. Hij zegt voortdurend:'ik kan er niets aan doen',
maar niemand gelooft hem. Door al deze frustraties kan het gebeuren
dat Dries voor een geringe aanleiding een woedeaanval krijgt of hopeloos
begint te wenen. Soms zegt hij dat hij dood wil zijn. Toch is hij in
wezen een vrolijk, intelligent en lief kind.
Maar Dries heeft Tourette Syndroom en niemand weet het.
Het spreekt voor zich dat Dries dringend hulp nodig heeft…