|
Prins
Je prikte je aan mijn pen en sliep in, en droomde verbitterd de honderd jaren tussen de werkelijkheid en de prins. Ik trachtte een gat te maken,
maar de haag bleek onmenselijk dik, een schuld die groeide en groeide omdat ze geschreven stond op mijn gezicht. Wat ik had weg te snoeien was ik,
dit koude, dienstdoende masker dat liefde bewijst, zonder rust, dit dode hart, bang van je lippen, dat nooit is wakker gekust.
|
|